Een nagelaten bekentenis van niks

Door Jos Joosten

Toen Bas Jongenelen op zijn vlog begin deze maand Een nagelaten bekentenis van Marcellus Emants besprak, maakte mijn hart een sprongetje.

Dat zit zo.

In 2000 sloot ik me aan bij de lange rij literatuurwetenschappers die hun licht had doen schijnen op dit pareltje van naturalisme. Het verhaal is allicht bekend: vanaf de fameuze openingszin (‘Mijn vrouw is dood en al begraven’) lezen we hoe Willem Temeer de rechtvaardiging geeft voor de moord op zijn echtgenote. In de vakliteratuur werd Termeers ‘bekentenis’ van alle kanten bekeken.

Begin 1964 publiceerde J.J. Oversteegen in het tijdschrift Merlyn een uitgebreide analyse, waarin hij de nadruk legt op Termeers schuldgevoel. De roman is, volgens hem, neerslag van Termeers rationaliseringen van on(der)bewuste driften, en de moord op zijn vrouw hiervan de ultieme consequentie: Termeers ‘vage gevoelens van diepe schuld en ontoereikendheid moeten omgezet worden in een werkelijke schuld, en in eenmaal een effectieve daad’. Oversteegens interpretatie werd nadien diverse malen genuanceerd en bekritiseerd. Anno 1967 ziet J.P.M. ten Seldam – geheel conform de tijdgeest – vooral verzachtende omstandigheden ten voordele van Emants’ hoofdfiguur: ‘Temeer is net zo goed als Anna een slachtoffer, hij is geen moordenaar, hij was ontoerekeningsvatbaar en pleegde doodslag’. Diametraal tegenover Oversteegen plaatst R. Marres zich in 1985, als hij ontkent dat Termeer überhaupt schuldgevoel over zijn daad zou hebben.

Anno 2000 – een nieuwe eeuw, een nieuw geluid – ontdekte ik dat het allemaal helemaal anders zat. In het tijdschrift Nederlandse letterkunde (later opgenomen in mijn boek Misbaar) analyseerde ik de ‘moordscene’ nauwkeurig en kon tot geen andere conclusie komen dan dat alles er op wees dat Termeers vrouw zelfmoord pleegde – of beter gezegd: dat Emants de scene zó componeerde dat die optie (ook) heel goed mogelijk is. Dat zou, kort gezegd, ironisch genoeg beteken dat totale mislukkeling Termeer er zelfs niet in slaagde de moord te plegen die hij dacht gepleegd te hebben.

Veel bijval kreeg mijn interpretatie (die in werkelijkheid natuurlijk de enig juiste is) niet. Er waren onderbouwde kritische reacties (Marres) en ronduit onbenullige (Ernst van Alphen). Bas Jongenelen nu blijkt op zijn recente vlog ook uit te gaan van mijn these.

Eindelijk erkenning!

Overigens zegt Jongenelen nog een aantal dingen die zeer de moeite zijn. Zo vind ik het mooi gevonden dat hij erop wijst dat de gifmoord wél de enige vorm van moord is waar Termeer voor zou kiezen: wat geniepig, of ronduit onmannelijk. (Alvorens met dat laatste een seksisme-discussie te entameren: een goede vriendin van me die in een TBS-kliniek werkt, vertelde me ooit dat TBS-veroordelingen voor moord bij vrouwen vrijwel altijd gifmoorden betreft.)

Lang na publicatie van mijn artikel stuitte ik toevallig op Het huis in de Gortstraat, de charmante memoires uit 1977 van de toen al hoogbejaarde vertaalster Nini Brunt. Dat leverde alsnog wat circumstantial evidence op voor mijn these. Brunt had als meisje van zestien een brief aan Emants geschreven voor haar schoolkrant, en had zowaar antwoord ontvangen:

‘Het resultaat was ongelooflijk. Emants stuurde mij een erg aardige brief – met een kort verhaal in zijn dunne, lopende handschrift. Dat was het grootste succes. Het was helemaal geen kinderachtig verhaal. Een man zit bij het sterfbed van zijn vrouw en weet niet of ze door te veel slaappillen zelfmoord heeft gepleegd. Hij denkt over zijn kort en niet-gelukkig huwelijksleven met haar na, zijn te kort schieten, zijn cynisme, hij moet bijna geloven aan zelfmoord, maar blijft twijfelen…’

We zien hier beslist contouren van Een nagelaten bekentenis en in elk geval wordt één van de bezwaren tegen mijn these ontkracht: een collega, specialist negentiende-eeuw, zei me destijds dat zo’n zelfmoord helemaal niets voor Emants was. Dat blijkt dus niet het geval.