Bij Aanzegging van Anna Enquist

????????????????????????????????????

Door Peter J.I. Flaton 

Ook in de wijk waar ik woon, raakt de traditie in onbruik maar zo nu en dan zie je hen nog langs de deuren gaan: buurtgenoten die de dood van een van hen en ons komen aankondigen en daarbij in de regel om een kleine bijdrage voor een bloemstukje vragen. ‘Aanzeggers’ heten ze en de titel van Anna Enquists gedicht in Neerlandistiek spoort daarmee, zij het dat de aanzegger hierin niet een buur is  maar een medisch specialist. 

Hoewel uit het interview in de Volkskrant van 19 juni jl. niet blijkt (en gelukkig maar), dat de dichteres een dergelijke aanzegging heeft gekregen, weet zij zich in dit gedicht buitengewoon goed te verplaatsen in de gemoedstoestand van wie een dergelijk bericht wel beschoren was: bewijs opnieuw van wat de verbeeldingskracht vermag. 

Het gedicht wordt gekenmerkt door een jambisch metrum dat (daar is het poëzie voor) de nodige antimetrieën telt, bijvoorbeeld het ‘Zul’ in regel 7, aan het begin van de tweede strofe en het ‘Geef’ in de laatste.  Wat daarnaast opvalt, is de afwisseling tussen staccato en legato: zo begint het gedicht met twee ellipsen, gevolgd door via enjambementen met elkaar verbonden regels in de strofen erna om te eindigen met een enkel woord (‘Gemis’) gevolgd door een zin die kort en krachtig de kern van het gedicht verwoordt: de wijze waarop een patiënt behoort te reageren op zo’n aanzegging, is de eerste les op de weg naar het onherroepelijke einde. 

Ten slotte zijn er de verwijzingen naar het Griekse mythologische erfgoed: door de aanzegging zo boven het ‘parlando’ uit te tillen, krijgt die de allure van een tragedie waarin het Noodlot of Fatum meedogenloos toeslaat. We mensen zijn (immers) willoos aan de wispelturige goden overgeleverd die met ons kunnen doen en laten naar het hun goeddunkt, afhankelijk van of ze ons nu goed dan wel  kwaad gezind zijn. 

Nu, om het onherroepelijk naderende einde onder ogen te zien heb je verbeelding, in de zin van fantasie en voorstellingsvermogen nodig en moet je je (daarin) oefenen om de gang erheen nog enigszins draaglijk te maken. Ook het eindtraject vraagt om creativiteit. 

Na dit vooropgeplaatste dringende advies schetst de ik de reden of beter de oorzaak ervan. Dat die wordt beschreven in de onvoltooid tegenwoordige tijd, haalt dat voor de lezer dichtbij: alsof we er met de ik daar in de spreekkamer hoogstpersoonlijk bij aanwezig zijn.  En om wat het lyrisch ik te wachten staat enigszins op een afstand te houden schakelt dat over naar de ‘je’-vorm en spreekt het zichzelf zo bezwerend toe. 

Anders dan de Pythia in de Apollotempel in Delphi die gezeten op haar driepotige kruk onder invloed van hallucinerende dampen haar orakelklanken uitstootte waarvan priesters de betekenis duidden, is de pythia hier profeet en priester tegelijk. Met zijn verzorgde uiterlijk van medisch specialist weet hij de scan te lezen om die vervolgens te interpreteren: ‘U hebt nog twee maanden’. 

Aangeslagen door dit doodvonnis (want dat is het) weet de patiënt niet echt wat dat betekent: alsof er een zee in zijn oren bruist die de communicatie bemoeilijkt. Inderdaad, alsof het horen hem zo vergaat. En om zich een houding te geven doet de je alsof er niet echt iets aan de hand is: een zakelijke mededeling, meer niet die je geneigd bent in je agenda te noteren: alsof het hier gaat om een nuchtere afspraak met de dood. En verlamd door het bericht durf je niet op te staan. 

In de tweede strofe volgt de ontzetting die om daden vraagt. Geneigd de boodschapper in de tragedie de schuld te geven wil de je hem met het symbool van zijn deskundigheid (de stethoscoop die -zo valt me steeds weer op als ik in het ziekenhuis moet zijn- elke arts welhaast als een trofee bij zich draagt) wurgen. Opwelling die de je laat varen om voor een tweede optie te kiezen: de zogenoemde ‘second opinion’ die binnen de mythische context een bezoek aan Dodona is. 

Deze orakelplek in het noord-westen van Griekenland, gaat terug tot 2000 v. Chr. en is daarmee het oudste heiligdom in Hellas. Gewijd aan de oppergod Zeus zijn de eiken hier het orakelmedium: slapend bij hun wortels onttrokken priesters zo boodschappen aan de aarde. Ook het geruis van de wind doorheen de bladeren van die eiken alsmede het koeren van de duiven lieten horen wat de godheid te zeggen had. 

De je weet intussen niet wat te doen, lamgeslagen als die is. Daarbij realiseert die je zich, dat het om een spel gaat, nl. dat tussen de arts en de patiënt en dat moet volgens zekere ongeschreven worden gespeeld waarbij de arts de autoriteit is en de zieke het passivum dat alles accepteert. 

Speel je dat spel niet mee, dan sta je er alleen voor en wordt sterven een ‘plicht’, dat wil zeggen: een noodzaak i.p.v. een recht. Zaak is de specialist te vriend te houden want er is geen andere god die voor je opkomt. Sta dus maar netjes op en neem keurig afscheid van hem: ‘Tot ziens en dag dokter’. En zo dwingt de je het misleide lijf (lees: het door een ongeneeslijke ziekte bedrogen lichaam) zijns weegs te gaan. 

Eenmaal buiten de spreekkamer begint het zelfverwijt want dat we ongeneeslijk ziek zijn en moeten sterven, is niet het resultaat van domme pech maar moet een reden hebben. Eigen schuld: had je de goden maar te vriend moeten houden door hun de juiste offers te brengen maar dat heeft de je nagelaten: ‘Geen schaap geslacht, geen tijm verbrand’. Ja, als er al sprake was van een offerpoging, werd die door de toeziende priesters afgekeurd. Het gevolg is dat de goden zich tegen je keren en m.b.v. een dodelijke ziekte met je afrekenen. 

Het enige wat er nog opzit, is afscheid nemen van wat je dierbaar is en je leven kleur en betekenis geeft en dus: ‘”Doe je piano dicht, verkoop je olifant”’. 

In de slotstrofe blijft er niet veel anders over dan het stoïcijnse advies het onherroepelijke gelaten te aanvaarden: om het aflopende leven nog enigszins leefbaar te houden alles te vermijden wat dat kan bruuskeren en daarom op zich zo begrijpelijke emoties als ‘woede, teloorgang, machtsverlies. Gemis’ te negeren. Zo luidt de eerste les op, als al is gezegd, de weg naar het einde. 

Zo is Anna Enquists Aanzegging op haar wijze een ‘ars moriendo’, zij het een die de hoop en de troost van de religie mist en ons illusieloos het eindtraject voorhoudt. Een ander bericht is er helaas van het front  niet beschikbaar. 

Afbeelding: Jastrow, Wikipedia