Top 40 van de Gouden Eeuw – 37a

Door Margot Kalse en Olga van Marion

Nederlanders zingen heel veel, niet alleen in kerken en koren, maar ook op feestjes, bij bruiloften en onder de douche. Dat doen ze al eeuwen. Wie verliefd of verlaten is zingt een popliedje, wie in nood is het Wilhelmus of een psalm, en wie een kind in slaap sust een wiegenlied. Een gouden tijd voor het Nederlandse lied is de periode van de late zestiende en de zeventiende eeuw, wanneer al die liedjes verzameld in liedbundeltjes op de markt komen, geschikt voor jong en oud. Muzieknotatie is niet nodig, want de boekjes bevatten contrafacten: teksten van liedjes met aanduiding van de bekende melodie waarop ze gezongen kunnen worden.
Voor de Top 40 van de Gouden Eeuw hebben we de veertig populairste melodieën uit de Nederlandse Liederenbank geselecteerd, die destijds in het Nederlandse taalgebied het meest gebruikt zijn. Bij deze melodieën hebben we mooie, ontroerende en verrassende liedteksten uit die tijd gezocht om Nederlandstaligen van nu in staat te stellen kennis te maken met de rijkdom van dit cultureel erfgoed. Iedereen kan nu met behulp van de muzieknotatie of de midi-files de liedjes leren zingen. Van tijd tot tijd zullen we een exemplaar uit de Top 40 publiceren, tot we bij de allerpopulairste melodie op nummer 1 zijn.
In het boekje waarin alle liedjes verschijnen, willen we uw commentaar graag verwerken.

Psalm 6

De dichter Filips van Marnix, Heer van St. Aldegonde (1540-1598), berijmde alle 150 psalmen in het Nederlands vanuit de oorspronkelijke Hebreeuwse tekst ‘op de ghewoonlijcke Francoische wyse’, dus op de melodieën van het Geneefse psalter van 1562. Het Boeck der Psalmen Davids werd in 1580 uitgegeven door Gillis vanden Rade, eigenaar van een bloeiende boekdrukkerij in Antwerpen, waar hij protestantse propaganda drukte, onder andere voor Willem van Oranje. In de tekst van psalm 6 horen we koning David op een moment waarop hij in doodsangst verkeert. Hij lijdt zowel lichamelijk als geestelijk ondragelijke pijn. Vanaf zijn ziekbed dat nat is van zijn tranen, smeekt hij de Heer om verlossing van de druk die hij ervaart.

David cranck sijnde bidt den toorne ende de straffe Gods af, aenroept syne barmhertigheydt, ende begheert heylinge. Op de ghewoonlijcke Francoische wyse [overghesett]

3. Mijn siel is my benouwet,
Mijn hert’ is schier verflouwet
Van ancxt tot inden doot.
My is vervaerlijck banghe,
Maer du, o Heer, hoe langhe
Verlaetstu my in noot?

4. Wil dy tot mijnwaerts wenden
End’ mijn siel vol ellenden
Verlossen uyt dees’ pijn.
Behoud my, slae my gade
End’ wil om dijn ghenade
Mijn salichmaker syn.

5. Dewijl’ van dy gheen melding
In ‘s doodes overwelding
Doch nymmermeer gheschiet,
Wien soud’ m’oock connen noemen
Die dynen lof mocht roemen
Sijnd’ onder ‘s doots ghebiet?

6. Mijn treuren doet my smachten,
Dies my t’bedd’ alle nachten
Swemt in een tranen badt.
Met weenen onbesweken
Doe ick mijn koetse leken
End’ maeckse gheheel nat.

7. D’oog is my van te treuren
End’ schreyen t’elcke euren
By nae gantz uytgheteert,
End’ van steed’s te sterrooghen   
Op mijns verdruckers pooghen
Is heel moed’ opghespeert.

8. Laet van my stracx vertrecken,
Al die haer handt uytstrecken
Om boosheyt te begaen.
Dewyle Godt almachtich
Mijns weenens stemme clachtich
Beghint te hooren aen.

9. De Heer verhoort mijn claghen,
End’ laet hem wel behaghen
Mijn hertelijck ghebet.
Mijn smeecken seer ootmoedich
Ontfangt de Heere goedich
End’ ernstich daer op lett.

10. Dies sullen die my haten
Beschaemt zijn uyter maten
End’ staen in grooten schrick.
Sy sullen wederkeeren
Met schand’ end’ met oneeren,
Stracx op een ooghenblick.

Philips van Marnix Heer van St. Aldegonde  

koetsebed
lekenlekken
sterrooghenturen (onderwerp = d’oog)
moed’moeizaam
opghespeertopengesperd
stracxsnel

Tekst uit: Philips van Marnix, Het Boeck der psalmen Dauids. Wt de Hebreische Spraecke in Nederduytschen dichte, op de ghewoonlijcke Francoische wyse overghesett (Antwerpen, Gillis vanden Rade, 1580), fol. A6r. https://www.dbnl.org/tekst/marn001boec01_01/marn001boec01_01_scans.pdf (pdf p.27).
Melodie uit: Petrus Dathenus, De Psalmen Davids, Ende Ander Lofsanghen, Wt Den Francoyschen dichte in Nederlandschen overghesett, De welcke men voortaen in de Nederlandsche Ghemeynten ghebruycken zal (z.pl., 1566), Psalm VI. https://books.google.nl/books?id=5ORNAAAAcAAJ