Salomon de wijze koning

Door Ton Harmsen

Eindeloos veel pastoors, dominees, leraren, kunstenaars, vaders en moeders hebben het verhaal van het salomonsoordeel verteld. Het is een van de meest aansprekende verhalen uit de Bijbel, een tikje gruwelijk en ook een beetje gewaagd omdat het over twee prostituées gaat. Maar ook als je dat er niet bij vertelt kan je er een spannend verhaal van maken.

Het gebeuren staat in I Koningen 3. De wijze koning Salomon beslist een twist tussen twee hoeren, samen in een huis en allebei pas moeder geworden. Als het kind van de ene sterft steelt zij dat van de andere, en dat leidt tot slaande ruzie. Ondervraging levert geen uitsluitsel. Salomon lost dit op door bevel te geven de baby met een zwaard doormidden te snijden en ieder van de ruziemaaksters de helft te geven.

In de Leuvense Bijbel – tot 1637 de meestgelezen Nederlandse vertaling, en ook daarna voor de katholieken aantrekkelijker dan de Statenbijbel – staat de reactie van de moeders als volgt beschreven:

Maer de vrouwe (wiens sone dat leefde) seyde tot den Coninck, want haer binnenste waren beweecht over haren sone: Ick bidde u Heere, geeft haer dat levende kint, ende en wilt dat niet dooden. Maer de ander seyde daer tegen: Het en sy mijne noch uwe, maer latet deylen. (I Koningen 3 : 26)

De reactie van de tweede vrouw is wonderlijk. De eerste heeft afstand van het kind gedaan, het is nu van haar; waarom zou zij nog vragen het doormidden te hakken? Kennelijk moeten we het zo zien dat ze allebei op hetzelfde moment reageren, misschien alleen door een gebaar. Als we dit op het toneel uitbeelden moet het dus anders verteld worden.

Het treurspel van Guilliam van Nieuwelandt (in 1584 geboren in Antwerpen, een jaar voor de bevrijding van die stad) geeft een compleet overzicht van leven en werken van Salomon, dus het salomonsoordeel ontbreekt daar niet.

Salomon tragoedie. Op den reghel,
Godt smijt den hooghmoet neer, en cort den dwaes sijn leven,
Den mensch die ned’rich is, wordt door den Heer verheven.
Door GVILIaM Van nIeVWeLanDt

De Latijnse cijfers in het chronogram vormen het jaartal waarin het verscheen: 1628. Er valt een masterscriptie over te schrijven hoe de details van het bijbelboek door Van Nieuwelandt zijn verwerkt, en dat het een getrouwe versie is blijkt al uit zijn weergave van het hierboven geciteerde vers. De vrouwen heten bij Van Nieuwelandt Pedania en Tersira, en hun reacties op het oordeel van Salamon zijn als volgt:

                              Salomon.
Wel aen, ick sien dat elck, op ’t heftichst hem verweert,
Ick sal haer bey’ voldoen, gaet haelt my hier een sweert.
Hout my dit levend’ kindt in ’t midden door sijn leden,
En geeft haer elck een helft, soo sijn sy bey te vreden.
                              Pedania.
Ach Heere niet alsoo, thoont toch bermherticheyt,
Aen dit onnoosel dier dat om genade schreyt.
Geeft haer het levend’ kindt, en doet het toch niet sterven,
’K heb liever dat het leeft al sou ick’t eeuwich derven.
                              Tersira.
’T en is noch mijn, noch dijn, laet het in stucken slaen,
Jck wil des Koninckx wil, ick sien’t met vreuchden aen.
’T is dwaesheyt dat men wil, des Koninckx wil weerhouwen
Wy moeten sijnen wil, als Godt in eeren houwen.
    (Guilliam van Nieuwelandt, Salomon, vs. 1931-1942

Precies wat de Bijbel zegt: de liefhebbende moeder smeekt om het leven van haar kind, al moet zij er afstand van doen, en de andere vindt alles goed wat de koning doet – ook als zij het pleit al gewonnen heeft houdt ze hem niet tegen het kind in tweeën te hakken.

Want zo staat het in de Bijbel, maar zo werkt het niet op het toneel. In 1628 – de renaissance is dan in de Benelux al volop doorgedrongen – begrijpt deze Antwerpse rederijker nog altijd niet dat een toneelstuk spanning moet hebben en levendige personages moet voorstellen die bij de lezer emoties opwekken en hem in staat stellen zich te verheugen over de sympathieke helden en afschuw te voelen over de slechteriken. Alsof er geen Terentius werd gelezen, met de commentaar van Donatus die de structuur van elke scène uitlegt, alsof Heinsius zijn commentaar op Aristoteles nog niet had gepubliceerd waar het opwekken van hartstochten tot de kern van het toneelstuk was uitgeroepen. Alle vernieuwingen zijn aan Van Nieuweland voorbijgegaan, en in de Nederlandstalige literatuurgeschiedenis valt hij daarmee nog niet eens op.

Heel anders is dat in de wereld van het Latijnse schooltoneel. Daar flonkert het Latijn met nieuwe woorden in de stijl van Plautus. Horatius had immers gezegd dat de woorden in de taal moeten wisselen zoals de bladeren aan een boom (Ad Pisones, vs. 60). De auteurs van schooltoneel hebben een duidelijk plan: zij moeten de leerlingen leren zich gemakkelijk in het Latijn uit te drukken, en hun toneelstukken moeten in techniek aansluiten bij de klassieke. Halverwege de zestiende eeuw voeren de leerlingen van Johannes Molanus op de Latijnse school in Diest het Judicium Salomonis op, een hilarisch stuk waarin de twee hoeren levendige personages zijn. Zij schelden elkaar flink uit, ongetwijfeld tot lering en vermaak van de scholieren die ook wel eens lekker te keer wilden gaan. Plukharend verschijnen zij voor Salomon. Ik vertaal uit het Latijn; de eerste spreker is Salomons minister Asarias (de zoon van de profeet Nathan), de vrouwen heten Bela en Raab. Salomon beveelt het kind te halveren:

Asarias. Sire, dat is een misdaad.
Salomon. Het moet gebeuren. Steek toe, en ik beveel: hak met één trefzekere slag het tere lijfje van boven tot onder in twee stukken.
Bela. Wat een rechtvaardig oordeel.
Raab. Moet ik verdragen dat voor mijn ogen – wat een grote misdaad! – mijn lieve kind geslacht wordt? – O vaderland, o roemrucht volk van Israël!

Bela. Stuk verdriet, wat ga je te keer? Dit kind is helemaal niet van jou, het is mijn jongen en ik ben het met dit oordeel eens.
Raab. Neem jij het maar, Bela, goddeloos beest, laat het maar bij jou leven – als het maar leeft.
Asarias. Moet ik toeslaan?
Salomon. Absoluut.
Raab. Ach, ach, bij de barmhartigheid van de goede god: Salomon, zoon van een milde vader: ik smeek u dit onschuldige kind niet zo’n misdaad te doen lijden. Kijk naar zijn lieve borst, het is een misdaad een zwaard te steken in dit keeltje. Ik geef toe, wij zijn wolvinnen, maar dit onschuldige kereltje heeft dit toch niet verdiend? Dit simpele, arme, tere musje!
Salomon. Ik weet genoeg. Steek je zwaard weg, Asarias. Is er voor een wijs man nog twijfel wie de echte moeder is? Roept de Natuur dit niet duidelijk uit?
Asarias. Getuigen konden het niet beter.
Salomon. Als het kind van jou was, Bela…
Asarias. Als jij de moeder was, onmens…
Salomon. … zou jij dan zonder tranen en zuchten kunnen verdragen dat het doormidden werd gehakt?
Asarias. En dat terwijl een ezel uit liefde voor haar kinderen door het vuur zou gaan? Een leeuwin met geweld haar welpen beschermt? Een tijgerin onvervaard tegen wapens oploopt om haar kroost te beschermen? Zou jij als moeder met droge ogen naar de moord op je kind kijken? Je tong heeft gezworen dat jij de moeder bent, maar je onbarmhartigheid bewijst het tegendeel.
Salomon. Daarom is mijn rechtvaardig besluit: Raab mag het levende kind hebben en het dode is van Bela.
(Johannes Molanus, Salomon, vs. 284-318)

Maar Bela trekt geenszins het boetekleed aan: zij verklaart zichzelf onschuldig, en vervloekt Raab en Salomon. Raab kan haar geluk niet op en in de trant van de Kusjes van Janus Secundus en vooruitlopend op de Oogjes van Janus Lernutius barst zij uit in een lyrische ontboezeming: mijn oogje, hier heb je een kusje, nog een, duizend erbij: rechter, hoe kan ik u bedanken, hoera ik ben gelukkig door uw oordeel. In jambische senarii:

Ocelle mî, teneo te? cape osculum,
Cape mea lux, iterum, iterum, & plus millies.
Ô quas agam tibi justè judex gratias?
Iô tua beata sum sententia.
(Johannes Molanus, Salomon, vs. 323-326)

Dat is goed opgebouwd toneel: stilistisch interessant, met spanning en grote hartstocht. Het Latijnse toneel in de Nederlandstalige landen loopt een eeuw voor op het toneel in de volkstaal.

Van Nieuwelandts tragedie is een hagiografie, met als conclusie:

Wy moeten uyt den sin van dees Tragoedi mercken,
De goetheyt onses Godts, en grootheyt van sijn wercken.
Wy moeten Christi rijck, door Salomon verstaen,
Dat eeuwich blijven sal, en noyt en sal vergaen.
(Guilliam van Nieuwelandt, Salomon, vs. 2081-2084)

Salomon is voor Van Nieuwelandt de prefiguratie van Christus, zijn Israël de prefiguratie van het onvergankelijke christendom. Twintig jaar later zal Vondel (in 1587 geboren in Keulen, twee jaar na de val van Antwerpen) op grond van het enige stukje in het bijbelverhaal dat Van Nieuwelandt laat liggen tot een heel andere conclusie komen.

De Salomon-spelen van Johannes MolanusGuilliam van Nieuwelandt en Joost van den Vondel zijn te vinden bij Ceneton.