Salomon de dwaze koning

Door Ton Harmsen

Guilliam van Nieuwelandts conclusie over de eeuwige glorie van koning Salomon staat haaks op die van Vondels Salomon (1648). Deze tragedie behandelt de enige passage uit Salomons leven die Van Nieuwelandt buiten beschouwing laat: zijn oude dag, in de bijbel in besmuikte termen beschreven in het elfde hoofdstuk van I Koningen. ‘Quantum mutatus ab illo’, citeert Vondel Vergilius Aeneis 2, 274 op de titelpagina – ‘wat een verschil met vroeger’.

Vondel draagt het stuk op aan Justus Baeck, wiens vader Laurens hem in 1625 een schuilplaats bood toen Vondels arrestatie dreigde op grond van de Palamedes. De opdrachtsvoorrede begint met een afbakening:

Ick brenge nu Koning Salomon op het heiligh tooneel; niet gelijck hy den beloofden Messias in zijne heerlijckheit uitbeelde, maer [zoals hij] uit zijnen geluckigen staet in den poel der afgoderye komt te verzincken.

(Vondels ellips van ‘gelijck hy’ is een stilistisch hoogstandje, maar voor het gemak vul ik hem even in.)

In het treurspel illustreert de woordvoerder van het Sanhedrin de vergane wijsheid van Salomon met een korte verwijzing naar het salomonsoordeel:

    Het heught ons hoe de kroon tot aen de sterren rees,
    Toen op den elpen troon hy ’t billijck vonnis wees,
    En scheide door het zwaert den kindertwist, zoo snedigh.
    Nu slaept de leeuwestoel, nu staet de zetel ledigh,
    Waer op zich elck beriep, indien hy in de poort
    Zich vont verongelijckt, of langsaem wiert verhoort.
                (Vondel, Salomon, vs. 820-825)

Zo’n veertig jaar later is Salomon gezwicht. Dat betekent een diepe val, de wijze rechter gedraagt zich als een willoos-verliefde. Daar vindt Vondel een sterke dramatische intrige: wat een peripetie, een ‘staatverandering’ zoals hij het noemt. Wel een precair onderwerp, nieuwe ruzie met de Amsterdamse dominees is niet uitgesloten. Maar de tekst van het Oude Testament beschrijft de dwaasheid van de wijze koning in zo algemene termen dat Vondel de vrijheid kan nemen om de gebeurtenissen naar zijn eigen verbeelding in te kleuren. Zo staat het in zijn Moerentorfbijbel (1599 – honderden herdrukken), de door Joannes Moretus gedrukte heruitgave van de katholieke Leuvense Bijbel van 1558, opnieuw geredigeerd naar de nieuwe officiële uitgave van de Vulgaat:

1. Maer de Coninck Salomon heeft veel buyten-lantsche vrouwen bemint, ende Pharaos dochter, ende Moabijtsche, Ammonijtsche, ende Edomijtsche, ende Sidonijtsche, ende Cetheytsche vrouwen,
2. Vanden heydenen, daer af dat de Heere den kinderen van Israel geseyt heeft: Ghy en sult u met die vrouwen niet versamen, noch van dien volcke en sal hem niemant met uwen vrouwen versamen, Want zy sullen warachtelijck u herten af keeren, om haer Goden te volgen. Aldus is Salomon aen desen vrouwen gecoppelt geweest met seer heete liefden.
3. Ende hy hadde seven hondert huysvrouwen als Coninginnen, ende dry hondert concubinen, ende de vrouwen hebben zijn herte omme gekeert.
4. Ende als hy nu out was, doen is zijn herte verargert door de vrouwen, dat hy volchde die vremde goden: ende zijn herte en was niet volcomen met den Heere zijnen God, gelijc Davids zijns vaders herte.
5. Maer Salomon eerde Astarthen de goddinne der Sidoniters […]
11. Aldus heeft de Heere tot Salomon geseyt: Om dat ghy dit by u hebt gehadt, ende mijn verbont niet en hebt bewaert, ende mijn geboden die ic u bevolen hebbe, zo sal ick scheurende u Conincrijck in tween snijden, ende ic sal dat uwen knecht geven.

Salomon zelf heeft de scheuring van zijn Israël niet mee hoeven maken, maar zijn incompetente zoon Rehabeam kon de opstanden niet bedwingen. Alles wat David en Salomon hadden opgebouwd ging verloren.

Dat levert Vondel de ideale stof voor een tragedie: een held die een fout maakt, waar een storm van onheil uit voortkomt: volksopstand die het machtige koninkrijk versnippert. Dat was voor de dichter nog niet alles: omdat van Salomons duizend vrouwen er niet één in de Bijbel met name genoemd wordt heeft hij de volledige vrijheid om een van hen uit te werken tot een levensecht personage. Zo schept hij Salomons favoriete, een prinses uit Sidon, die Vondel Sidonia noemt; zij wordt een personage dat de ondergang van Salomon stap voor stap op een uiterst intelligente manier te weeg brengt. Zij mag minder bekend zijn dan haar naamgenote bij Willy Vandersteen, het beeld dat Vondel van haar schept is zo sterk dat hij daarmee een van zijn spannendste tragedies kon componeren. 

Interessant is het begin van de Salomon: jaren geleden heeft de koningin van Sheba Salomon bezocht om zijn wijsheid mee te maken, en nu komt een landgenoot van haar kijken, nieuwsgierig gemaakt door haar enthousiasme – maar wat hij constateert is afbrokkeling, degeneratie en verloedering. Zijn reactie krijgen we niet te horen, zwijgend laat hij zich rondleiden door de wetgeleerde. Zelf heeft hij in de tempel offers gebracht aan de god van Israël en nu gaan ze op zijn verzoek, maar tegen de wil van de wetgeleerde, kijken bij de nieuw-gebouwde tempel van Astarte. Die is ontworpen door Sidonia, op wie Salomon smoorverliefd is. Deze dag zal zij haar tempel feestelijk inwijden, er staan al Astarte-vereerders met bloemen en wierook, terwijl op een afstand het leger in de weer is. Zogenaamd voor een spiegelgevecht, maar in feite omdat bij de rituele initiatie van de heidense godsdienst ongeregeldheden gevreesd worden.

Dan spreekt Sidonia met haar hofpriester. Hij dringt er op aan dat zij Salomon zal meenemen naar de inwijdingsplechtigheid. Dat durft zij niet aan, ze heeft ontzag voor de macht van de koning en de wil van zijn volk dat de verering van Astarte als idolatrie beschouwt. Maar hij overtuigt haar van het nut van zijn voorstel, en van dat moment af is Sidonia de zelfbewuste, nooit haperende motor van het toneelstuk. Salomon komt op, verklaart haar in hoofse termen zijn liefde. Zij ziet haar kans om  hem te vragen haar te vergezellen bij de inwijdingsrituelen van Astarte’s tempel.

    Hoe wenschte ick nu dat ghy, ter eere van de Goden,
    De staetsi vieren holpt, en me ten offer gingt,
    Daer Sidon in het koor hun lof verheft, en zingt.
                (Vondel, Salomon, vs. 547-549)

Salomon kronkelt als een slang: dit kan zij toch niet van hem vragen. Aan het inleidende feestbanket kan hij wel deelnemen, maar het aanbidden van een afgod zou zijn gezag bij zijn volk ondermijnen.

En terwijl het banket plaatsvindt spreekt Sabud, de rechterhand van de koning, met een delegatie van het Sanhedrin, de hoge raad, die zijn zorgen uitspreekt over de koning die zich afgeeft met een afgodendienares.

Als de rei verslag doet van Sidonia’s sterrendans op het feest is het duidelijk dat hier alarm moet worden geslagen. Salomon geeft Sidonia haar zin en zij – Vondel kan het zo mooi zeggen – ‘heeft op deze luim geloert’:

Rey. De dertle tafel was noch naulijcks opgenomen,
    Of Salomon, bekranst met haren roozekrans,
    Ging zitten op een’ troon, belust den starredans
    Te zien, waer van zy zich beroemt had onder ’t eten.
    Na datze eerbiedighlijck, daer hy was neêrgezeten,
    Zich driemael nederboogh, en lachende oorlof nam,
    Begonze, en maelde allengs met trippelen een vlam,
    Gelijck een avondstar, dat d’aengename zwieren
    Hem raeckten aen het hart. Hy kan zich niet bestieren,
    En springt van zijnen stoel, omhelstze, en roept: mijn Bruit,
    Wel aen nu kies de bloem van al uw wenschen uit,
    En eisch wat ghy begeert: het is u ongeweigert.
    Men dencke of haer het hart in ’t lijf van blyschap steigert,
    En opspringt: want zy had op deze luim geloert,
    En hem van langer hant in haren strick vervoert.
    Zy antwoort: Bie met ons het wieroock aen Astarte.
    Hy stemt het reuckloos toe. Waer bergh ick my van smerte!
    De Koning stapt vooruit: zy volght op zijnen tret.
    Aartspriester, keer den Vorst, en hanthaef Moses Wet.
Sadock. Hoe kan dit Heidensch wijf den Koning ringelooren!
    Zoo zalze dien Monarch, ter heerschappy geboren,
    Beheerschen, als een kint, en zetten zich parmant
    En prachtigh op den troon, aen zijne rechte hant.
    Zy zal de kroon des Rijcks, ten trots van alle wetten,
    Hem nemen van den hoofde, en op haer hulsel zetten.
             (Vondel, Salomon, vs. 1117-1141)

Dus alles is verloren, maar de aartspriester Sadock doet toch nog een poging het tij te keren. Hij vertelt Salomon een parabel:

Sadock. De goutvloot, lang om gout naer Ofir heengevaren,
    En entlijck, na verloop van drie geheele jaren,
    Met smerte en angst verwacht, genaeckte vast het strant
    Der roode zee. Men riep: de vloot is onder lant.
                (Vondel, Salomon, vs. 1184-1187)

Natuurlijk reageert Salomon bezorgd, en des te sterker komt de slag bij hem aan als Sadock onthult dat de kostbare vloot die hij bedoelt de ziel van de koning is. Want door zich in te laten met Sidonia heeft hij zijn ziel in een storm van gevaren gebracht. Een situatie waar hij zelf voor gewaarschuwd had – Sadock verwijst fijntjes naar Salomons eigen Spreuken 6:27.

    Wie kan een gloeiend vier in zijnen boezem dragen?
    Wie treet op kolen, en verbrant de voeten niet?
    Zoo luidt uw eige les, uw gulde spreuck. Zoo riedt
    De Koning onze jeught, en zonen, die nu schreien,
    En hem, gelijck een os, naer bijl en banck zien leien;
    Gelijck een vogel blint zien vliegen naer den strick.
    Uw leven en uw doot verscheelt een oogenblick.
    Ontwaeck, o Salomon: ontwaeck uit uwe droomen.
    Ontwaeck, of ’t is met u en Juda omgekomen.
    Ghy staet in top van eere, en die u storten zal
    Dicht achter u, en lacht alreede in uwen val.
                (Vondel, Salomon, vs. 1221-1231)

Een heftige discussie volgt, en aan het eind is Salomon… overtuigd:

Salomon. Helaes, ick voel een’ storm, een onweêr door mijn zinnen.
    Hier buiten dreightme Godt, Sidonia daer binnen,
    En ’t vrouwetimmer, dat zoo veel op my vermagh.
    Aertspriester, spaer uw’ rouw, en tranen, en beklagh.
    Ga hene, stil de stadt, en stel mijn volck te vrede.
    Ick zal Sidonia (betrouw het my) haer bede
    Ontzeggen. Zijt gerust: ick wil in plaets van Godt
    Noch Ammons Moloch, noch Sidonische Astaroth,
    Noch Moabs Chamos hier in woudt of tempel vieren.
    Ick wil geen heiloos beelt van marmersteen, of dieren
    Aenbidden. Wegh met dit blancketsel, en bedrogh.
          (Vondel, Salomon, vs. 1348-1358)

Met die boodschap – ‘ik heb me bedacht’ – komt hij bij Sidonia, die weg is geweest om haar sterrendanskostuum te verwisselen voor een priestergewaad.

Sidonia. Bedencken? Hoe mijn Heer? is ’t nu bedenckens tijt?
    Ghy gaeftme flus uw woort: ick schelde u zoo niet quijt.
                (Vondel, Salomon, vs. 1382-1383)

Ook hier ontspint zich een lange discussie, maar Salomon geeft geen krimp. Totdat Sidonia haar scherpste wapen in de strijd gooit. W.A.P. Smit schrijft in Van Pascha tot Noah hier één keer iets dat ik betwijfel. Hij zegt dat Sidonia diep gekwetst is in haar vrouwelijke trots en als uiterste redmiddel haar positie op het spel zet. Ik vermoed dat zij er juist van overtuigd is dat zij hem in de houdgreep heeft: als jij met mij niet meegaat naar het inwijdingsritueel ga ik met jou niet meer mee naar de slaapkamer. 

Sidonia. Volhardt dan by uw Wet, in leven, en in sterven.
    Ghy kunt mijn offer, ick uw bedgenootschap derven,
    En sta bereit het Rijck te ruimen met mijn’ stoet.
                (Vondel, Salomon, vs. 1436-1438)

Schaakmat, ze geeft hem nog een genadeklap door te wijzen op de rijkdom van Sidon die hem grote welvaart heeft gebracht en hand in hand gaan ze naar het altaar van Astarte.

De onmiddellijke tragische gevolgen van Salomons val zien we in het vijfde bedrijf: bliksem en donder, volksoproer, heftige spijt en wanhoop. De aangekondigde scheuring van het rijk valt buiten de eenheid van tijd. De sombere voorspelling van de profeet Nathan verwijst daarnaar:

    Wie Godt verlaet, en eert den Wellust boven Godt,
    Verbeurt zijn kroon, en wort zijn vyants schimp, en spot.
          (Vondel, Salomon, vs. 1929-1930)

Guilliam van Nieuwelandt wilde het complete leven van Salomon uitbeelden, maar het ontluisterende einde in I Koningen 11 kon hij niet vertonen. Hij beperkt zich tot een allusie door Salomons slachtoffer Joab een vervloeking te laten uitspreken: laat de koning zijn waardigheid verliezen, en door afgoderij zich van God afwenden.

    Maeckt dat des Koninckx hert, verkeert in Tyranny,
    Oock keer van sijnen Godt, en doe Afgodery.
        (Guilliam van Nieuwelandt, Salomon 1628, vs. 2047-2048)

Maar die kwade wens van Joab werkt hij op het toneel niet uit. Diametraal tegenover de tragedie van Vondel staat zijn concluderende vers over het rijk van Salomon:

    Dat eeuwich blijven sal, en noyt en sal vergaen.
        (Guilliam van Nieuwelandt, Salomon 1628, vs. 2084)

Rest nog de vraag wat Vondel hiertoe gebracht heeft. Ik denk dat er twee motieven voor hem speelden: de ondergang van een van de grootste zielen uit de geschiedenis is aantrekkelijk voor een tragedie; Vondel is bij het schrijven van de Salomon al aan de research voor zijn Lucifer, de tragedie van de verschrikkelijkst denkbare val. Onachtzaamheid die leidt tot een ramp die enorme verwoestingen aanricht ziet hij als een ideaal structuurelement voor een aristotelische tragedie. Daarnaast zal hij zich ook – misschien naar aanleiding van de tragedie van zijn bijna-stad-en-leeftijdgenoot Van Nieuwelandt, drie jaar voor hem geboren in de stad die zijn ouders moesten ontvluchten – hebben gestoord aan bijbelverhalen die geen melding maken van de ijzeren hand van Salomon, die zijn rivalen en zijn vijanden genadeloos uitroeide. Enkele jaren later zal Vondel een tragedie schrijven over Adonias, de broer die Salomon uit de weg liet ruimen omdat hij zijn koningstroon bedreigde. Het Oude Testament fascineert hem, maar christelijke naastenliefde is daar soms ver te zoeken.

Vondels Salomon is te lezen bij Ceneton: http://www.hum2.leidenuniv.nl/Dutch/Ceneton/VondelSalomon1648.html