Redbad: het kruis als icoon

Een historische verbeelding van een hedendaagse boodschap: Deel 2

Fostedina gestraft met doornenkroon (illustratie van H.J. Horn in Gerdes 1897)
Screenshot uit Redbad : Fenne wordt geofferd aan Freya met een kroon van takjes op haar hoofd.

door Theo Meder

In deel 1 over de film Redbad ben ik vooral ingegaan op eigenaardigheden en anachronismen. In deel 2 wil ik ingaan op enkele inspiratiebronnen voor het scenario, en hoe (zoals wel vaker) hedendaagse ideeën en problemen worden teruggeprojecteerd in een historisch verleden.

Inspiratiebronnen

Om een hele speelfilm te vullen met avonturen van Redbad, moest scenarioschrijver Alex van Galen er van alles en nog wat bij verzinnen. Hij heeft één en ander over Redbad gelezen en daar zat Redbad, koning van Friesland van Arian de Goede uit 1937 ongetwijfeld tussen. In het interview op de bonus-DVD van Redbad zegt Van Galen namelijk:

“Het leuke was dat een oom van mijn moeder bleek een boek geschreven te hebben over Redbad. Mijn familie is ook half Fries. Dus die had zich er blijkbaar in de jaren dertig van de twintigste eeuw in verdiept. Dat boekje heb ik gebruikt als research-materiaal. En voor de rest hadden we eigenlijk helemaal niks.”

Aan dit boekje zal hij motieven hebben ontleend als: de boom-aanbidding, de aanzienlijke positie van de Friese vrouw, de priesteressen, de heidense goden, de vormgeving van het dorpsplein met de offersteen, maar bovenal ook de tegenstelling tussen de nobele Friese heidenen en de verachtelijke Frankische christenen, alhier onder geestelijke leiding van een agressieve Willibrord. Van Galen volgt De Goede tevens in zijn overtuiging dat Redbads weigerachtige doopverhaal geen sage is, maar werkelijk gebeurd: Redbads dramatische handelen zou verklaard moeten worden als een vorm van psychologische propaganda (De Goede 1946, p. 91-94). Redbad liet ostentatief zien dat een goede Fries heiden diende te blijven, trouw aan volk, vrijheid en traditie, en tegelijkertijd werden de christenen hierdoor belachelijk gemaakt.

Moderne historici beschouwen de hele doopsage overigens als een volksverhaal, zonder kern van waarheid (Meeder & Goosmann 2018, p. 9-17).

De scenarioschrijver zegt tevens kennis te hebben genomen van wat hij noemt “de legendes” – waarmee dan sagen zijn bedoeld. Maar afgezien van de doopsage, moet de oogst uiteindelijk mager zijn geweest. Dus motieven als de bungee jump, het offer aan de zee op een houtvlot, en de in zee verdrinkende Frankische cavalerie heeft de scenarioschrijver er bij moeten verzinnen.

Maansverduistering

Een ander opmerkelijk detail is de laatste veldslag, die ‘s nachts plaats vindt. Dat is in de krijgskunst hoogst onpraktisch want in het donker zie je niet goed op wie je inhakt. Voor dat je het weet breng je je eigen krijgsmakkers om zeep. Maar het nachtelijke gevecht maakt in de film deel uit van de psychologische oorlogsvoering door Redbad.

Door zijn kennis van zon, maan, planeten en sterren, die hij dankt aan Idwina, weet hij wat er die specifieke nacht staat te gebeuren: er vindt een maansverduistering plaats. Vlak vóór de veldslag schuift de aarde compleet tussen de zon en de maan en treedt er een nog diepere duisternis in. De heidense Friezen schrikken hier niet van – mogelijk begrijpen ze dit als een gunstig teken van Wodan. De Franken daarentegen raken gedemoraliseerd: met name de missionarissen en monniken storten zich angstig en weeklagend ter aarde. En mogelijk bezorgt de maansverduistering ook de Frankische krijgers wat knikkende knieën.

De slag wordt uiteindelijk gewonnen door de Friezen, met hulp van de Denen. Het zou me niets verbazen als dit motief van de cruciale maansverduistering regelrecht ontleend is aan Kuifje en de Zonnetempel (Hergé 1949). In dit stripalbum worden Kuifje, Haddock en Zonnebloem juist op tijd van de brandstapel gered omdat er een zonsverduistering plaats heeft, en Kuifje doet alsof hij de zonnegod gebiedend toespreekt, waarna de Inca’s de angst om het hart slaat.

Fostedina en de doornenkroon

Dan zijn er nog die connectie met de Denen, de heimelijk bekeerde Deense prinses, en die vreemde takjes op het hoofd van de meisjes die geofferd gaan worden.

Rond 1860 schreef dominee Jan de Liefde een boekje onder de titel Fostedina: de Friesche Koningsdochter. of: De oorsprong der Friesche kap. Het verhaal is puur een 19e-eeuws verzinsel en is nadien meermaals in Friese volksverhalenboeken overgenomen, alhoewel dit verhaal in de mondelinge overlevering nooit gecirculeerd lijkt te hebben (Meder, Hudson & Van Zuijlen 2016, pp. 47-49). Het is overigens niet ondenkbaar dat de scenarioschrijver de Fostedina-versie bij J.P. Wiersma (1934) heeft gelezen.

Hoe dan ook, het verhaal begint in ieder geval bij dominee De Liefde, die in zijn boekje de Friese oudheid vanuit christelijk perspectief beschrijft:

De oude Friezen stamden af van dien talrijken teutonischen of Duitschen volksstam die in het begin onzer jaartelling zich bijna over geheel noord- en midden Europa uitstrekte. Zij waren van Deens, Saksisch en Scandinavisch bloed, daarbij een sterk, ruw, hardnekking en oorlogzuchtig volk, dat bijna niet te beteugelen of te overwinnen was. Hun grondgebied was dan ook veel uitgebreider dan thans, bestaande namelijk uit het tegenwoordige Noord-Holland, Friesland, Groningen, Drenthe en Overijssel. Hunne godsdienst was barbaars en afgodisch, zij knielden voor hout en steen, en aanbaden de goden Wodan, Thor en Forsitus, aan wien zij niet zelden hunne eigene kinderen offerden. De invoering des Christendoms was hier dan ook noodzakelijk en begeerlijk. (p. 1)

Even verder is het:

Adgilles I, Frieslands koning, zachter en vredelievender dan zijne voorgangers, nam de zendelingen onder zijne bescherming, begunstigde de prediking van het Evangelie, en verhinderde den opbouw van christelijke bedehuizen niet. Doch na den dood van Adgillus kwam er met zijnen zoon en opvolger Radboud weder een donkere nacht van ongeloof over dit arme land. Terwijl Radboud zijn rijk vergrootte van Denemarken tot aan den oevers van den Rijn, doorweekte hij de overwonnen landen met het bloed zijner onderdanen en liet niets onbeproefd, om de jonge Christengemeenten alom uit te roeien. (p. 1-2)

Willibrord trekt in die tijd als missionaris rond, zo vertelt De Liefde, die zich hier baseert op de Vita Sancti Willibrordi (ca. 795) van Alcuinus (Nijdam & Knottnerus 2019, pp. 89-90, Meeder & Goosmann 2018, pp. 80, 99-100). Willibrord belandt in Denemarken, waar hij een groep jonge Deense slaven vrijkoopt die zich willen bekeren tot het christendom. Als Willibrord op Fositeland (Helgoland) aankomt, doopt hij hen in een beek. Ze worden gevangen genomen door gewapende Friezen, die hun heilige land ontwijd zien. Er worden loten getrokken en één Deen wordt onthoofd.

Willibrord en de rest worden aan het hof van Redbad in Medemblik gevangen gezet, waar het geloof in Wodan nog volop beleden wordt. Nu neemt de fictie een aanvang in het verhaal: één prinses aan het hof, Fostedina genaamd, afkomstig uit Helgoland, heeft zich stiekem tot het christendom bekeerd, en ‘s nachts bevrijdt zij heimelijk de Denen. Als haar misdaad en gezindheid uitkomen, krijgt zij voor straf een doornenkroon op haar hoofd – net als haar geliefde Jezus. Het bloed stroomt langs haar gelaat. Daarna wordt zij verbannen, en Adgillus, de zoon van Redbad, die het voor haar opgenomen had, vertrekt eveneens. Na de dood van Redbad keert Adgillus terug en wordt de nieuwe koning. Hij trouwt met de eveneens teruggekeerde Fostedina, en het huwelijk wordt ingezegend door Willibrord. Omdat de littekens van de doornenkroon nog altijd zichtbaar zijn, krijgt Fostedina een speciale gouden kroon op, en dat is de oorsprong geweest van de Friese kap of het Friese oorijzer.

Ook dit verhaal is grotendeels fictie, en Fostedina en de Friese kap komen als zodanig niet voor in de film. Maar dat de geofferde meisjes een kroon van takjes dragen lijkt wel degelijk aan dit verhaal ontleend te zijn. Ook het motief van de heimelijk bekeerde vrouw, de Deense connectie, het huwelijk met een christen, het offeren van de eigen kinderen, en zelfs het regelmatig aanroepen van Wodan lijken het verhaal van Fostedina als inspiratiebron te hebben. Eén kwestie is in de film echter volkomen omgedraaid: in de film Redbad zijn de heidenen de ‘good guys’ en de christenen de ‘bad guys’. Dit is een centraal gegeven voor een beter begrip van de film.

Hedendaagse boodschap

Natuurlijk kun je een speelfilm beoordelen op zijn historische betrouwbaarheid en dan vallen de meeste films al snel door de mand. Redbad is op bitter weinig feiten gebaseerd: ja, Redbad heeft bestaan, en ja, er was strijd tussen de Friezen en de Franken. De rest is fictie, en het doopverhaal is een sage. Als je historisch betrouwbare beelden wilt, kun je beter een documentaire maken. Maar dat was niet de bedoeling. Het was de bedoeling om een speelfilm te maken.

En speelfilms behoren per definitie tot de fictie, net als romans, novelles, strips, toneel en sprookjes. De speelfilm is een avonturenverhaal, een fictief heldenepos. Scenario-schrijver Alex van Galen en regisseur Roel Reiné wijzen in interviews ook allebei steeds weer op de meeslepende fictie en niet op de historiciteit van de film Redbad. Het is goed tegen kwaad, en wel in de vijfde versnelling. Vrijheid versus overheersing. Militaire overheersing, maar ook religieuze en culturele overheersing. Eén symbool komt de hele film voortdurend in beeld: het kruis of de crucifix. Het is ondoenlijk om de kruizen allemaal te tellen, omdat ze ook op alle Frankische schilden staan, maar het zullen er vele honderden zijn.

Nu naderen we de kern van de analyse. Een historiserende speelfilm is eigenlijk in hoge mate een projectie op het verleden van onze eigen moderne voorstellingen, van onze eigen gebruiken en opvattingen, van onze eigen normen en waarden (vgl. Meeder & Goosmann 2018, pp. 14-15). Dat loopt van haardracht, tattoos, paardrijden, gevechten en vrouwen die hun mannetje staan, tot aan opvattingen over religie, cultuur, identiteit, traditie en vrijheid. Dit zijn bij uitstek de steeds terugkerende motieven in de film.

Hier zijn enkele quotes uit het interview met scenario-schrijver Alex van Galen, acteur Jonathan Banks (Pepijn), designer Maikel Nijnhuis en acteur Gijs Naber (Redbad) op de bonus DVD van Redbad:

“Zoals wij nu eigenlijk leven in de nadagen van het christendom, leefde hij in de nadagen van het heidendom, en was het christendom het nieuwe geloof.”

“In zekere zin waren de christenen in het jaar 700 de jihad-strijders: de mensen die te vuur en te zwaard de Bijbel erin kwamen rammen.”

“The abberation of christianity. About: You believe! I mean: we can see radical muslims now and how insane it is. And who would definitely throw us back into the Dark Ages.”

“Er zijn heel veel iconen in de wereld die mensen herkennen. Met als voorbeeld: het kruis, wat we heel vaak gebruiken. Dat betekent iets bij mensen, dat brengt iets los bij mensen. En… wat ik heel gaaf vind aan deze film is dat je het haast als een nazi-kruis inzet. Geloof is niet heel erg, totdat het extreem wordt. En in die tijd was religie gewoon heel extreem.”

“Hoe fundamentalistischer, en orthodoxer, en fanatieker, hoe onbegrijpelijker ik het vind: een geloof.”

Deze citaten tonen een parallel met moderne tijden: hoe een vreemde macht van buiten zich laat gelden en tracht te overheersen, en een externe macht die culturele en religieuze waarden aan de autochtone bevolking opdringt waar het niet op zit te wachten. In de tijd van Redbad vond een clash plaats tussen natuurreligie en christendom, net zoals er in onze tijd ook een culturele en religieuze clash plaats vindt. De geschiedenis van Redbad, zoals verbeeld in de speelfilm, is eigenlijk een metafoor voor huidige ontwikkelingen. In een recent verleden waren het de nazi’s die ons probeerden te overheersen, nu is er die parallel met de radicale islam.

Ik roep de toespraak van Redbad vlak voor de veldslag nog eens in herinnering: “Dit is het land van vrije mensen, die buigen voor niemand […] En dat pakt niemand van ons af”. Dat woord “afpakken” wordt tegenwoordig ook regelmatig gebruikt. Hoe vaak wordt tegenwoordig niet gezegd: ze willen ons onze cultuur afpakken? Voor een land of een regio, voor autochtone witte Nederlanders lijkt het gevaar tegenwoordig wel van alle kanten te komen: hun eigenheid, hun identiteit, hun cultuur, hun privileges komen van alle kanten onder druk te staan.

De Europese Unie is een bedreiging, het linkse Westen met z’n windmolens en genderneutrale wc’s is een bedreiging, het verbod op ‘negerzoenen’, op vreugdevuren en vuurwerk met Oud en Nieuw is een aanval op het erfgoed, net als de opvatting dat Zwarte Piet een uiting van racisme is en dat een blackface eigenlijk niet langer kan… De homeopatische verdunning van de eigen cultuur. En het kan nog erger: het gevaar van immigratie, van islamisering van de samenleving, de terreurdreiging, aanslagen, haat-imams, jihad-propaganda op islamitische scholen, Al-Qaida, Islamitische Staat, het kalifaat, IS-bruiden…

Meeder en Goosmann (2018, pp. 179 en 190) schreven nog voordat de film was verschenen al:

“De film lijkt hiermee een bijdrage te willen leveren aan het maatschappelijke debat over immigratie en vluchtelingenpolitiek en neemt daar bovendien een duidelijke stelling in. Deze boodschap zal impliciet doorklinken in de film, wellicht zonder dat de bioscoopbezoeker zich daar direkt bewust van is. Het toont een verfijnde, maar effectieve vorm van ‘gebruik van de geschiedenis’. Daarmee staat de film in een lange traditie waarin het verleden gebruikt wordt, niet om het beter te begrijpen, maar om een eigentijdse boodschap te verkondigen.” (Cursivering TM)

“Het verleden blijft namelijk een dankbaar podium om nieuwe ideeën van een oud jasje te voorzien en – eenmaal voorzien van het keurmerk ‘traditie’ – te legitimeren.”

In de optiek van bepaalde mensen is op zeker moment de maat vol. In 754 werd Bonifacius bij Dokkum vermoord, in 2017 werden anti-Zwarte Piet demonstranten uit Amsterdam op weg naar Dokkum op de snelweg tegengehouden. Ook al stond het scenario voor Redbad in 2017 al deels in de steigers, het verhaal van Redbads Friezen is ook het verhaal van de Blokkeerfriezen: tot hier en niet verder! Het is het verhaal van verzet tegen invloeden van buitenaf die ingrijpen in de eigen cultuur en het eigen erfgoed.

Bronnen

Gerdes, E.: Het gouden oorijzer der Friezen. 4e druk. Leiden [1897].

Goede, Arian de: Redbad, koning van Friesland. Enkhuizen 1946. Oorspronkelijk verschenen in Enkhuizen 1937, en bewerkt heruitgegeven Utrecht 2018.

Hergé: Kuifje en de Zonnetempel. Brussel 1949.

Liefde, Jan de: Fostedina: de Friesche Koningsdochter. of: De oorsprong der Friesche kap. Amsterdam [1860].

Meder, Theo, Genevieve Hudson & Marianne van Zuijlen: ‘In het kielzog van Hans Brinker: Dutch Fairy Tales (1918) van William Elliot Griffis’, in: Nieuw Letterkundig Magazijn 33 (2016) 2, pp. 41-50.

Meeder, Sven & Erik Goosmann: Redbad. Koning in de marge van de geschiedenis. Houten 2018.

Nijdam, Han & Otto S. Knottnerus: ‘Redbad, the Once van Future King of the Frisians’, in: M. Baar & S. Halink: Northern Myths, Modern Identities. Leiden, Brill, 2019, p. 87-114.

Redbad 2018. DVD (Collector’s Edition)

Wiersma, J.P.: Friesche sagen. Zutphen 1934.