Het gewicht van een punt

Wonen in gedichten (12)

Door Judit Gera
Dit gedicht is geschikt voor beginners
en hoort bij de categorie Dood,

In de serie Wonen in gedichten bespreekt Judit Gera, hoogleraar in Boedapest, gedichten uit de Nederlandstalige literatuur, ten behoeve van het onderwijs in de Neerlandistiek extra muros (buiten het taalgebied). Vandaag: ‘ze kwam en ging soms’, van Mirjam Van hee (1952).

ze kwam en ging en soms
keek ze op, even alsof
het de wind was die dat
deed dan was er angst
verwarring blijdschap maar
misschien was het enkel
de wind die maakte
dat ze keek

en wij – onbillijk als we
waren – wij maar 
schrijven wuiven wachten
maar ze keek niet achterom

al die jaren had het iets
van een langzaam
afscheid nemen
als dit schrijven

tot het punt waar we
moesten laten gaan
wat we net dachten
te kunnen vatten, te verstaan

Uit: Ingesneeuwd 1984

De gedichten van de Vlaamse dichter, vertaler en Slavist Miriam Van hee (1952) zijn van melancholie en geheimzinnigheid doordrongen. Ze debuteerde in de tweede helft van de jaren zeventig van de twintigste eeuw. Ze hoorde bij de dichters die het etiket ‘neoromantiek’ opgeplakt kregen. Van hee maakte echter bezwaar tegen dit label. ‘Wel staan haar gedichten in het teken van existentieel onbehagen, het mislukken van relaties en van communicatie, gefnuikte illusies en de wanhoop daarover […]’, aldus Hugo Brems in zijn Altijd weer vogels die nesten beginnen. Geschiedenis van de Nederlandse literatuur 1945 – 2005 (2016, 478). Een verdere karaktertrek van haar poëzie is de sobere stijl en de eenvoudige woordenschat, zoals in dit gedicht. De nadruk wordt hier op de volzin gelegd. Tussen de volzinnen vindt men echter geen interpunctie behalve dan twee gedachtestreepjes en nog een bijzonder – want onopvallend – leesteken waarover later meer. Het ontbreken van komma’s en punten en de veelvoudige aanwezigheid van enjambementen en alliteraties versnellen het leesproces, terwijl de gedachtestreepjes door hun unieke aanwezigheid het snelle, hortende leesproces even laten stokken. Hierdoor benadrukken ze hun eigen functie: het belang van nadenken en zelfreflectie. Vanaf het tweede gedachtestreepje wordt het leestempo wat trager. Er zijn vier strofen waarvan de eerste uit acht, de andere drie uit vier regels bestaan. Soms zijn er jambische, soms trocheïsche regels, maar een vast metrum is er niet te vinden.

Zowel de ‘ze’ als de ‘wij’ die in het gedicht centraal staan, zijn niet nader geïdentificeerd. ‘Ze’ wordt in de eerste lange strofe voorgesteld via haar alledaagse handelingen: komen, gaan, opkijken. De eerste twee handelingen – ‘ze kwam en ging’ – kan heel eenvoudig betekenen dat deze ‘ze’ altijd druk bezig was, nooit rustte, nooit op dezelfde plek bleef. Vaag klinkt ook de uitdrukking mee: ‘Er is een tijd van komen en een tijd van gaan’, oftewel aan alles komt een einde. Hierdoor duikt de gedachte aan de dood op. Door de structuur van de uitdrukking doet het denken aan hoofdstuk 3: 1 – 8 in het bijbelboek Prediker. Daar komt ‘komen en gaan’ weliswaar niet letterlijk voor, maar wel wordt er dezelfde zinsstructuur in dezelfde betekenis – er is een tijd van alles in ons leven – meermalen herhaald. Zo krijgt een alledaagse handeling een tweede, allesbehalve alledaagse betekenis: het is een verwijzing naar de dood. Het voegwoord ‘en’ dat in de eerste regel twee keer herhaald wordt plus het enjambement versnellen het tempo van het lezen. ‘[S]oms keek ze op’ geeft aan dat ze nauwelijks tijd had om tijdens al dat komen en gaan even op te kijken. Interessant is de daaropvolgende vergelijking: ‘even alsof/het de wind was die dat/deed”.  De wind wordt gepersonifieerd, maar de hele constructie maakt dat het subject van de handeling opkijken opeens verdwijnt. De wind is onzichtbaar, maar toch zichtbaarder dan ‘ze’. De wind herinnert aan het opkijken van ‘ze’ die er niet meer is. Van de beschrijving van de buitenwereld in de eerste drie regels wordt overgegaan naar de beschrijving van innerlijke gemoedstoestanden: ‘dan was er angst/verwarring blijdschap’. Wie deze emoties beleeft, wordt vooralsnog niet prijsgegeven. Het kan net zo goed de ‘ze’ als iemand anders zijn, bijvoorbeeld de toeschouwer van hetgeen in de eerste drie regels gebeurt. Angst en verwarring passen goed in wat wordt beschreven: de blik van een mens – de uiterlijke essentie van iemands persoonlijkheid, de spiegel van de ziel – wordt overgenomen door de wind waardoor depersonificatie ontstaat. Depersonificatie kan angst en verwarring teweegbrengen. Om dit opkijken beter te verklaren, probeert het lyrische ik een andere uitleg te geven: ‘maar/misschien was het enkel de wind die maakte dat ze keek’: de blik van ‘ze’ is hier niet alsof de wind keek, maar de wind is de oorzaak van het opkijken. Dat is een logisch causaal verband. Opkijken omdat het waait is zeer gewoon, zo wordt de orde van de dag – zoals wij mensen het gewend zijn te ervaren – rechtgezet. Er is geen reden om angst en verwarring te voelen. Veeleer is blijdschap aan de orde: via het opkijken van ‘ze’ ontstaat mogelijkerwijs een elkaar vinden, een ontmoeting tussen haar en de toeschouwer. Opvallend dat er vele bijwoordelijke bepalingen in de eerste strofe voorkomen: soms, even, alsof, dan, maar, misschien, enkel. Ze drukken onzekerheid uit over de ontmoeting.

In strofe twee komt een wending: ‘en wij’. ‘Wij’ is net zomin bepaald als ‘ze’. In ieder geval kan men nu stellen dat een ‘wij’ de toeschouwer is, degene die ‘ze’ gadeslaat. Nu komt weer een menselijke eigenschap naar voren: ‘onbillijk als we waren’ tussen twee gedachtestreepjes. Het is een parenthese die de daaropvolgende handelingen wil verduidelijken. Ook de omgekeerde woordvolgorde benadrukt deze functie. Om de draad van de zin weer op te pakken wordt ‘wij’ herhaald: ‘wij maar/schrijven wuiven wachten’. Hier ontstaat een apostrofische relatie tussen ‘wij’ en ‘ze’. ‘Wij’ beschouwt ‘ze’ als een levende persoon terwijl door de tweede ‘maar’ in de strofe duidelijk wordt dat al die handelingen zoals schrijven, wuiven, wachten vergeefs zijn. De aangeschreven, de toegewuifde, de opgewachte persoon ‘keek nooit achterom’. De aanstalten om contact te leggen lopen spaak. In deze context wordt de betekenis ‘koppig’ van de bijwoordelijke bepaling ‘onbillijk’ geactiveerd. ‘Wij’ wil zich er niet bij neerleggen dat het contact met ‘ze’ niet gelegd kan worden.

De derde strofe maakt duidelijk waarom dit vergeefse schrijven, wuiven, wachten ‘al die jaren’ gaande was. De zin van al deze handelingen was om afscheid te nemen net zoals ‘dit schrijven’, dit gedicht dus. Er is kennelijk sprake van rouwwerk. Rouwwerk komt neer op afscheid nemen. Het is een lang proces (‘langzaam afscheid nemen’). Een van de fases van rouwwerk is het afwijzen van het feit dat iemand van wie we hielden dood is. Vandaar de pogingen om te blijven schrijven, wuiven, wachten. Of een gedicht maken (‘als dit schrijven’).

De vierde strofe beschrijft een volgende fase van het afscheid nemen: het moeten laten gaan. In het leven van alledag betekent dat: de dode loslaten. In de eerste regel komt een derde ‘leesteken’ naast de gedachtestreepjes in de tweede strofe, met name een ‘punt’. Het wordt niet als leesteken geschreven met een stipje, maar het wordt als woord uitgeschreven waardoor de betekenis van het leesteken onzichtbaar wordt gemaakt. Het betekent tijdstip. We lezen als het ware over de leesteken-betekenis heen terwijl de betekenis ‘leesteken’ toch op de achtergrond blijft schemeren. Bovendien staat ‘punt’ in het midden van de zin. Deze uitzonderlijke positie kan aanduiden dat een (rouw)proces tot een einde komt, maar tegelijk blijft duren. Het gaat over de onmogelijkheid van de cognitie: de dood vatten en verstaan. In die zin kan geen punt gezet worden. ‘Juist op het moment (op het ‘punt’) dat de rouwende dit begrijpt, lijkt het rouwproces voltooid. Het is echter een paradox: de dood blijft onbegrepen, maar juist de wetenschap van dit onbegrip is nodig voor het verwerken ervan, om ‘een punt te zetten’ achter de rouw. Maar ‘het’ punt is geen echte punt en hij staat niet aan het eind van een zin. Hij is er en hij is er niet. Net als de dode. Een punt zetten achter rouw is (soms) een niet waar te maken mogelijkheid.

Coda (met dank aan Jos Kleemans)

De bundel staat in het teken van twee citaten van Christa Wolf. ‘Eens in je leven, op het juiste ogenblik, moet je aan iets onmogelijks hebben geloofd.’ Dit gedicht ‘ze kwam en ging’ staat in de tweede helft van de bundel, die de titel ‘Misverstand’ heeft. Dit deel krijgt het motto mee: ‘Er moet een misverstand zijn. Die moeite om van onszelf een ander te maken alleen om daar weer los van te moeten komen.’ 

Christa Wolf schrijft in Nachdenken über Christa T. (1968) over de moeizaam tot stand gekomen vriendschap, met de uiterst gereserveerde Christa T. Deze schoolvriendin sterft langzaam en veel te jong aan leukemie. De schrijver krijgt de persoonlijke correspondentie van de overledene in handen en denkt na over de vriendschap met deze vrouw. Daarbij leert ze al schrijvende ook zichzelf beter kennen, ook al blijft er een altijd niet begrepen ‘rest’ en vreemdheid.

Het gedicht in de bundel Ingesneeuwd van Van hee zou misschien als een tot de kern teruggebracht Nachdenken über Christa T. gelezen kunnen worden.

Illustratie: Robert Kruzdlo