Gedicht: J.C. Bloem • Rotterdam

Rotterdam

Hoe vreemd ligt deze stad nu open,
Hoe is zij wonderlijk en licht:
De huizenlooze straten loopen
Van niets naar niets – toch niet ontwricht.

De hemel straalt als nooit te voren
Op waar der eeuwen bouw verdween –
De zomer heeft geen glans verloren,
De zon schijnt zooals ze altijd scheen.

Men gaat in innerlijke afzondering,
Herdenken hoe het is geweest,
En vindt zichzelf tot zijn verwondring
Geschokt veel minder dan bedeesd.

Klaag niet. Steeds bloesemen de tuinen
Boven verganklijkheid en wee:
Een herder rust thans op de puinen
Van Babylon en Niniveh.

J.C. Bloem (1887-1966)


Abonnees van Laurens Jz. Coster ontvangen iedere werkdag een gedicht per mail.