Een klucht in meetkundige trant

Adriaan, , Geertruij, Hendrik, Lucia, Joost en Agniet op het frontispice van 1704

Door Ton Harmsen

Zoals ik in mijn vorige column schreef: in De wanhébbelyke liefde (1678) krijgt Hendrik te horen dat zijn meisje met zijn vader gaat trouwen en dat haar moeder op hem verliefd is. Hij is helemáál van zijn stuk als Agniet, de nicht van zijn meisje, hem aanraadt op de avances van zijn beoogde schoonmoeder in te gaan. Maar dat is een valstrik: 

[…] men zal niet toelaaten, dat een vader ’t kind
Van zyn zoons vrouw trouwt; men is niet ontzind,
Of dol in dit land, om dat te dulden: én veel minder
Dat een moeder haar schoonzoons zoon trouwt.
De wanhébbelyke liefde, vs. 387-390

En inderdaad, als de trouwplannen van het meisje met zijn vader en tegelijk die van de jongen met haar moeder bekend worden zijn de poppen aan het dansen: Lucia wordt de vrouw van Joost en daardoor de stiefmoeder van haar vrijer, die haar vader wordt, zodat zij ook zijn stiefdochter zal zijn. In spiegelbeeld gelden precies dezelfde complicaties voor Hendrik. Wie bedenkt zoiets? Deze duizelingwekkende constructie geeft meteen aanleiding tot heftige ruzie, die door Hendriks neef bezworen wordt:

Hoort eens vrinden, ik zie in der eeuwigheid geen vrêe
Tusschen u lieden, indien één van déze huuwelyken
Voortgang nam, want het schynt van de réden te wyken,
Dat men u alle vier aan malkander trouwen zou,
En dat een zoon zyn vaders schoonvader, óf een dóchter de vrouw
Van haar moeders schoonvader zou zyn. ’t Is tégen de wétten:
En om u de een tégen des anders huuwelyk te zétten,
Hebt gy allebeide éven groote réden. Dés zult gy zien,
Dat men u alle vier uw malle huuwelyken zal verbiên.
De wanhébbelyke liefde, vs. 592-600

De rede is het argument – de hartstocht zal het niet doen want tegen de liefde van Geertruij voor Hendrik is geen kruid gewassen. Zonder rede zaten we hier in een Griekse tragedie met Phaedra en Hippolytus. Het effectieve plan dat hier een oplossing biedt is duidelijk in elkaar gezet onder invloed het rationalisme, dat de menselijke hartstocht wil indammen met redelijkheid.

De klucht met zes personages zit in elkaar als een Zwitsers uurwerk, drie vrouwen aan de ene en drie mannen aan de andere kant, aan beide zijden dezelfde opbouw in leeftijd met jeugdig – bezonnen – oud en bijbehorende generatie: zoon/dochter – neef/nicht – vader/moeder. Het is een uitgewerkt schema, een fascinerend gedachtenspelletje, geconstrueerd op meetkundige wijze. Ordine geometrico! de ondertitel van Spinoza’s Ethica ordine geometrico demonstrata.

Lodewyk Meijer correspondeerde al vele jaren met de verbannen filosoof, publiceerde in diens trant en was hem behulpzaam zodat hij vanuit zijn ballingschap kon rekenen op goed geredigeerd drukwerk. Het was niet ongevaarlijk om Spinoza’s werk uit te geven, er kon alleen in besloten kring over gediscussieerd worden. Onder de dekmantel van ‘toneelkundig kunstgenootschap’ was de besloten vergadering van Nil Volentibus Arduum een vrijplaats voor discussies over Spinoza’s ideeën.

Diens Ethica verschijnt – door de zorgen van enkele geestverwanten, onder wie Lodewyk Meijer – in 1677, kort na het overlijden van de auteur en een jaar vóór de publicatie van de klucht. Het derde van de vijf delen waarin het boek is ingedeeld is gewijd aan de menselijke hartstochten, sinds Descartes een actueel filosofisch onderwerp, ook voor de leden van Nil. Hun poëtica, het Onderwys in de tooneel-poëzy, wijdt een aantal hoofdstukken, van wisselende kwaliteit, aan de uitbeelding van hartstochten op het toneel. Hoe belangrijk het toneel was voor Spinoza heb ik besproken in mijn column over de Philedonius van Van de Ende. Emotie is kenmerkend voor toneel van alle tijden en alle culturen, maar in het kielzog van Descartes en Spinoza krijgt dit thema vernieuwde belangstelling.

Spinoza behandelt natuurlijk ook de liefde, en zelfs de ‘wanhebbelijke’ en onbeantwoorde liefde. Hij schrijft daarover (hij Latijn – ik Nederlands):

Qui in aliquem – wie aan iemand – amore aut spe gloriae motus – uit liefde of door hoop op aanzien gedreven – beneficium contulit – een weldaad bewijst, – contristabitur – zal bedroefd worden – si viderit – als blijkt dat – beneficium – zijn weldaad – ingrato animo – met een ondankbaar gemoed – accipi – aanvaard wordt (Ethica III, Stelling 42).

Dat is precies wat Meijer en zijn vrienden als onderwerp kiezen: de liefdesrelaties in dit spel kunnen alleen maar droefheid brengen. En, zoals Spinoza in de Ethica ook herhaaldelijk zegt: droefheid is een negatieve hartstocht die de wijze mens hardhandig moet bestrijden. Je kan de Spinozistische filosofie prima demonstreren met een asymmetrische en wanhebbelijke liefdesverhouding die door ingrijpen van verstandige mensen ongedaan wordt gemaakt. Hier geldt wat Spinoza zegt in stelling 40 van het vierde deel: medelijden is nutteloos – rationeel denken impliceert dat we niet treuren maar ingrijpen. Dat is ook wat in De wanhébbelyke liefde gebeurt: vrienden bekokstoven dat de ongepaste verhoudingen in absurdum worden uitgevoerd om zo te kunnen bewerkstelligen dat de trouwplannen helemaal verdwijnen. En ook dat zegt Spinoza in de Ethica: onbeantwoorde liefde is vruchteloos.

Dat deze klucht is ontstaan in de vergaderingen van Nil Volentibus Arduum blijkt uit de notulen die vermelden dat Andries Pels op 2 december 1670 zijn spel ‘De onbetamelyke liefde’ aan de vergadering heeft voorgelegd, en dat daarna verschillende leden zich over dit stuk hebben gebogen, totdat ze het in 1678 als De wanhébbelyke liefde lieten drukken.

Ysbrand Vincent

Een nieuwe versie van het stuk verscheen in 1704. Nieuw is hier een groot woord: de versie van 1678 is nauwelijks merkbaar opgepoetst door het taalgebuik wat netter te maken en een onzorgvuldigheid in het rijm te corrigeren. Het belangrijkste verschil is dat er een voorwoord aan is toegevoegd. Dat is geschreven door Ysbrand Vincent, 35 jaar eerder een van de oprichters van Nil. Daarna maakte hij in Angoulême fortuin  in de papierindustrie. Teruggekeerd in Amsterdam krijgt hij de beschikking over het archief van het kunstgenootschap; in de eerste twee decennia van de achttiende eeuw geeft hij de verzamelde werken van Nil uit in een editie op mooi papier en met professionele frontispices. Daar laat hij ook wat werk van anderen tussen slippen, wat hem zijn reputatie heeft gekost. In elk geval waren de werken van Nil nu beschikbaar in een bibliofiele editie.

Het nadeel is wel dat Vincent roomser is dan de paus: hij kende de regels van het Frans-klassicisme en hij paste ze rigoureus toe. De slechte naam die het kunstgenootschap heeft als betweters is voor een deel aan hem te danken. In de inleidingen bij zijn uitgaves legt hij uit welke voorschriften van Pels en Corneille hij heeft toegepast om de stukken nog ‘beter’ te maken dan ze al waren. En hij vertelt over de discussies uit de beginjaren van het kunstgenootschap. Zo begint hij zijn inleiding op De wanhébbelyke liefde:

La mere coquette, óf de vryerzieke moeder, een geestig Blyspél van den Heer Quinault, in de Fransche taal, mitsgaders twé ongemeene, én ongehoorde huuwelyken van twé beroemde Néderduitsche Tooneelspeelders, wélke zeer gaerne een Kluchtspél van diergelyk een geval, wénschten te zien, én zélve te vertoonen, hebben voor ruim twintig jaaren, aanleiding tót het opstellen van de Wanhebbelyke Liefde, gegeeven, zonder dat wy échter ons aan ééne deezer Geschiedenissen, zeer stip hebben gebonden.

Deze zin heeft geleid tot een ellendig misverstand. Vincent beweert dat hun conversatie over een Franstalig blijspel over een trouwlustige weduwe, en over twee oude toneelspelers die ieder een schandaalhuwelijk hadden gesloten, aanleiding heeft gegeven tot het bedenken van dit spel – de intrige van het spel heeft noch met de trouwlustige Franse weduwe noch met de trouwlustige Nederlandse komedianten iets te maken. Maar in zijn bloemlezing uit de kluchtliteratuur is dat verband door Wim Ornée wel gelegd, en nog ingevuld ook:

De wanhebbelyke liefde is in 1678 in Amsterdam gedrukt. De kluchtschrijvers en acteurs Jan Baptist van Fornenbergh en Gillis Nooseman hebben dit stuk bewerkt n.a.v. het Franse blijspel Les amans brouillés, ou la mére coquette (1665) van Ph. Quinault.
Het kunstgenootschap ‘Nil Volentibus Arduum’ heeft in 1704 deze klucht in een verbeterde versie uitgegeven.
Van Bredero tot Langendijk (1985), p. 203).

Deze opeenstapeling van onjuistheden klinkt door in de Nederlandse literatuurgeschiedenis en in de laatste papieren uitgave van het spel. Arjan van Leuvensteijn maakt in zijn teksteditie zelfs een uitvoerige studie over de Franse bron. Wat is de zin daarvan, als bij doorlezing blijkt dat er met die ‘bron’ geen enkel verband is?

Er is geen enkele reden om aan het auteurschap van Nil te twijfelen. Daar hoeft geen stylometrische auteursherkenning aan te pas te komen. De kluchten van Van Fornenbergh en Noozeman (ik schreef hier eerder over Lichte Klaertje, Krijn Onverstant en de Beroyde student) gaan over machtsspelletjes, huiselijk geweld en gebruikmaking van andermans domheid. Van Fornenbergh schreef Duifje en Snaphaan (1680), over een vader die zijn dochter opdraagt te trouwen met Jan Hen, een rijke oude man. De dranklustige huisknecht krijgt opdracht het meisje te bewaken, en van die taak kwijt hij zich ook wanneer Snaphaan, de jonge levenslustige vrijer van Duifje, hem probeert om te kopen; van Snaphaan krijgt hij beloftes terwijl Jan Hen hem al maandenlang grote sommen geld geeft:

Zo lang als hy my geld zal schenken,
Zo zal ik aan Jan hen gedenken,
Die schoone klank verstrekt, voorwaar,
Op aard’ de grootste Tovenaar,
Ja zelf de Liefde, die voor dezen
De grootste Dwingland scheen te wezen,
Is wind, by al het glinst’rend goud,
Dit maakt hem jong al is hy oud:
En in ons oogh een schoone paerel;
Maar Snaphaan is veel braver Kaerel;
En dat ik was in Duifjes steê,
’k Had zeper liever Snaphaan meê;
Maar ziet de Jonker heeft geen schijven;
Die dat niet heeft kan niet bedrijven.
Duifje en Snaphaan, vs. 241-254

Maar Snaphaan weet hem weg te lokken, vermomt zich als dokter en ontmaagdt het zogenaamd zieke meisje.

Juriaan. O bloed! hier is ’et heel verkurven.
Mijn Heer, ’k zou naauw’lijx zeggen durven
’t Geen nochtans noodigh dient verklaard.
Govert. Wat is ’t? Juriaan. De Dokter het geen baard,
En hy is hier gebaard gekoomen.
Govert. Al weer van deze neske droomen.
Nu spreek, wat is ’et dat u deerd?
Juriaan. De Dokter is getransformeert:
Ik vind zen rok en baard daar leggen.
(Duifje en Snaphaan, vs. 401-409)

Het is wel duidelijk wat er zich in Duifjes slaapkamer afspeelt. De oude Jan Hen reageert onthutst:

Ik sta verbaast in dezen handel;
’t Is of ik in visibel wandel;
Zo wonderlijk komt my hier voor
’t Geen ik van dezen Dokter hoor.
Heeft hy mijn Lief zo haast genezen,
En zou die Man geen Dokter wezen?
O! ’k vrees voor loze schelmery;
(Duifje en Snaphaan, vs. 413-420)

Komisch is dat hij, nu zijn huwelijk daarmee van de baan is, van de knecht de ruime fooien terug eist.

Het motief van de verstekeling in de slaapkamer is bekend uit het Moortje van Bredero en uit De springende dokter van Pieter Elzevier – het is het zoveelste voortborduursel op wat in de theaters bekende stof is. Lichte Klaertje en Duifje en Snaphaan zijn traditionele producten van de toneelpraktijk. De wanhébbelyke liefde is een innovatieve meetkundig-rationele constructie, uitgedacht achter het bureau. Het is academische hersengymnastiek.

Met het pesterig traineren van Adriaan, de tomeloze verliefdheid van Geertruij, de uitbarsting van Joost als hij hoort dat zijn zoon met een knechtsdochter wil trouwen, de onbegrijpelijke sprong in het duister die Lucia maakt, de braafheid van Hendrik en de inventieve intelligentie van Agniet is het ook een heerlijk stuk om te spelen. Ruim een eeuw is het op de planken vertoond en zelfs in 1789 werd het nog herdrukt. Als letterkundig product (de intrige, de opbouw, de stijl) steekt het met kop en schouders uit boven het werk van Noozeman en Van Fornenbergh.

De genoemde toneelstukken zijn te lezen bij Ceneton.