Zie! de dag komt aan: P.C. Boutens’ In de sluis

Door Peter J.I. Flaton 

In de na zijn dood gepubliceerde reeks essays, eerder afzonderlijk verschenen in Ons Erfdeel, getiteld Dichters die nog maar namen lijken (Amsterdam, 2003) portretteert A.L. Sötemann onder anderen P.C. Boutens: in het interbellum als meesterdichter gevierd door bv. Victor E. van Vriesland (die trouwens goed bevriend met hem was), Martinus Nijhoff en Simon Vestdijk is zijn poëzie wat woordkeus, stijl en thematiek betreft ‘vreemd aan de huidige tijd’ (p. 41) ‘en’ voegt Sötemann daaraan toe, ‘Nederland is, in tegenstelling tot de omringende naties, niet een land dat zijn literaire erfgoed pleegt te koesteren’. 

Het was dan ook een plezierige verrassing via Neerlandstiek het verschijnen op 12 juni van een bloemlezing-Boutens aangekondigd te zien: Glanzende geheimenis, een keuze uit de gedichten van P.C. Boutens. Gelet op de omvang (48 pagina’s) een bescheiden selectie (waarvoor Simon Mulder tekent) maar hoe dan ook de mogelijkheid van een (hernieuwde) kennismaking. 

Boutens’ reputatie is die van een moeilijk toegankelijk dichter, gelet op de vaak gecompliceerde syntaxis en vooral op de op het denken van Plato geënte thematiek wiens werk Boutens als classicus door en door kende en dat hij bovendien virtuoos vertaalde, o.a. en met name het Symposium als “Platoons drinkgelag”. 

Neem “Domburgsch uitzicht” waarvan het geheimenis pas dankzij de analyse en de interpretatie van Sötemann enigszins oplicht (zie: A.L. Sötemann, Over poëtica en poëzie. Een bundel beschouwingen, onder redactie van W.J. van den Akker en G.J. Dorleijn, Groningen, 1985, 217-228).  Wat dit aangaat, oogt een gedicht als “In de sluis” toegankelijker al was het maar, omdat het tafereel van geschutte schepen gemakkelijk voorstelbaar is. Niettemin geldt ook hier Nijhoffs ‘Lees maar, er staat niet wat er staat’. 

“In de sluis” is opgenomen in de bundel Carmina (1912) waarin het een markante plek heeft gekregen: het sluit de 2e afdeling af (waarop  een reeksje vertalingen van o.a. Sappho, Baudelaire en D.G. Rossetti  volgt) en krijgt daardoor alleen al de status van een conclusie. Over dit gedicht nu wat meer.  

In de sluis

Lief, ontwaak: de late sterren dooven
In den koelen morgenzucht,
En de leeuwrik uit onzichtbre hoven,
Voer al door de lage lucht.

Met het binnenstuwend water rijzen
We in alomme klaart:
Al de teekenen der heemlen wijzen
Op een gunstge vaart.

Moedeloos als ballingen vernachten, 
Meerden we in verlaten sluis –
Zie met welk ontwaken ons de goôn bedachten
Of wij sliepen bij hen thuis:

Zoveele andren met ons zijn hun gasten,
Makkers naar een nieuw verschiet:
Diep uit bosch van tuig en masten
Heft een jonge stem ons oude lied!

’t Water zwijgt. Ik hoor de winden loopen
Buiten langs de vrije reê –
Aanstonds gaan de donkre deuren open
Op de morgenlichte zee!  

In zijn bespreking van Carmina (in: Lexicon van literaire werken,  (…), september 2011) signaleert P. Kralt allereerst de tweevoudige betekenis van zijn titel: ‘liedjes’ (à la Catullus) en ‘oden’ (als die van Horatius) wijzen op een combinatie van eenvoud en verhevenheid.

Alleen al titels als “Wereldsch liedje” en “Simpel liedje” spreken hier voor zichzelf, terwijl lange lyrische gedichten als “Ourania” en “Amor vindex” Boutens’ verheven en tegelijk complexere kant laten zien. Vooral die accentueert Kralt, wijzend op de ingewikkelde syntaxis en de lastig te herkennen allusies op bijbels en klassiek, c.q. Platoons erfgoed. 

Wat dit betreft, houdt “In de sluis” het midden: de zinsbouw is beslist eenvoudig met twee rechttoe-rechtaan zinnen per strofe waarbij het de verwijzingen zijn die de aandacht trekken. Structureel gezien al bij al dus eerder een liedje dan een ode en als zodanig binnen Carmina een niet echt lastig gedicht. 

Het gedicht is geschreven in het metrum van de vijf- en viervoetige trochee (vijf in de slepend en vier in de staand rijmende regels). Het accent ligt zo op de eerste lettergreep (wat niet wil zeggen dat dat zo ook steeds gerealiseerd moet worden): dat alleen al zorgt voor een opwaartse beweging die past bij wat er inhoudelijk gaande is: het omhoog komen van het schip in de sluis. Het gekruiste rijm spoort daarmee omdat die beweging spiraalsgewijs verloopt: almaar wat hoger en dat geleidelijk aan. 

Versvoet en rijmschema krijgen zo een iconische status, iets wat a fortiori geldt voor de vele enjambementen (twee per strofe op strofe 3 en 4 na die er elk ‘maar’ een hebben): samen genomen maken zij de opwaartse stuwing hoorbaar die hoe dan ook een transcenderende is. 

In ‘Lief, ontwaak’ is er direct al een allusie bij wijze van echo van bijvoorbeeld P.C. Hoofts “Galathea siet den dach comt aen”: die op het zogenoemde dageraadsgedicht (de ‘alba’) waarin het licht van de vroege ochtend de gelieven die samen zo genoeglijk de nacht hebben doorgebracht wreed in hun zoete samenzijn stoort, terwijl een van de twee steevast probeert de partner nog wat langer bij zich te houden. 

In Hoofts gedicht wil Galathea haar minnaar ertoe verleiden nog wat te blijven onder het motto ‘die dekselse zon ook’ (naar John Donne’s alba, zo meesterlijk vertaald door Constantijn Huygens: ‘Busy, old fool’ – ‘Oud, besigh geck’).

Anders dan in de conventionele alba en er tegelijk op zinspelend draait Boutens het tafereel hier spiegelbeeldig om: de minnaar (‘ik’)  spoort de geliefde  juist aan te ontwaken om samen de komende dag te begroeten. Ook vanwege de aanwezigheid van de leeuwerik doet Boutens’ opmaat denken aan deze  strofe uit een 13e eeuwse Franse ballade: “’Minnaars, weg van hier! Maak haast!’/ Mijn geliefde zei heel zacht:/ ‘Heus, het is nog nacht. / Blijf maar liggen lieve schat. Ik zweer bij liefdes macht: die leeuwerik zegt maar wat’” (op p.40 van het hierna te noemen boek van Lemaire). 

En met die leeuwerik zijn we bij de vogel die bij uitstek de opwaartse vlucht de hemel in symboliseert (in wat volgt, baseer ik me op: T. Lemaire, De leeuwerik. Cultuurgeschiedenis van een lyrische vogel, Amsterdam, 2004).  Onopvallend, bijna saai qua uiterlijk en juist daarom mogelijk vriendelijk en zachtaardig (om het wat antropocentrisch te zeggen)  heeft de leeuwerik zich mogen verheugen in de bewondering, zelfs vervoering van o.a. Franciscus, Shelley, Eichendorff, Gezelle, Haydn, Schubert, Brahms en Vaughan Williams (wiens symfonische gedicht The Lark Ascending intussen een ‘evergreen’ is). Die reputatie heeft hij te danken aan zijn sprankelende zang die hij laat horen wanneer hij omhoog, tot recht in de hemel vliegt om daar bijna onzichtbaar voor het oog te blijven zweven waarna hij nog altijd zingend naar de aarde terugkeert. Geen wonder dat deze leeuwerik een synoniem geworden is van de enthousiaste zanger en dichter. Waar andere vogels zingend op hun tak blijven zitten, laat de leeuwerik zich in volle vlucht horen, 

in de woorden van Lemaire: ‘Daarom lijkt de leeuwerik een pure stem op vleugels te zijn die geestdriftig juicht om de schoonheid van de aarde’ (o.c., 14) en daarom tot in de hemel vliegt om de Schepper van dit alles te loven. En hoewel de hele dag actief wordt hij vooral gezien of beter: gehoord als heraut van de nieuwe dag waarvan het spoor in de literatuurgeschiedenis te volgen is en zo met recht een ‘topos’ dat zich vanaf Jacob van Maerlant tot en met P.C. Boutens in ook onze literatuur laat volgen. En zo kondigt de leeuwerik in strofe 1 van “In de sluis” de nieuwe dag aan die intussen al volop gaande is want hij ‘Voer al door de lage lucht’, zich nu bevindend dus in hoger streken. 

Misschien mogen we hier nog een stap verder gaan door de leeuwerik niet alleen te zien als de heraut van de nieuwe dag maar ook als beeld van de ziel. Bevleugeld lijkt zo’n vogel zich aan de zwaartekracht te onttrekken en hij is daarom bij uitstek geschikt een metafoor van de transcendentie te worden, zo stelt althans Plato het in zijn Phaedrus, een dialoog die Boutens uiteraard kende en die hij trouwens vertaald heeft.

In het eveneens in Carmina opgenomen gedicht “Leeuwerik” is die (dan ook) het beeld van de gevleugelde ziel en dat maakt het mogelijk  dat in ook “In de sluis” in te lezen. Dat Boutens zich hierbij mee liet inspireren door het magnifieke “Ode to a Skylark” van Shelley is het overwegen waard, juist vanwege de Platoonse dimensie erin. 

Heraut van de nieuwe dag, beeld van de opwaarts wiekende ziel: met dat beeld voor ogen stijgen de wij in strofe 2 eveneens naar het almaar helderder wordende licht. ‘Het daghet’ werkelijk ‘in den oosten’ en de‘teekenen der heemlen’ (de zon, de blauwe lucht en de gunstige wind)  garanderen een voorspoedige reis. 

Daar zag het, aldus strofe 3, gisterenavond niet naar uit: ‘Moedeloos als ballingen vernachten, / Meerden we in verlaten sluis’. De dichter vergelijkt de opvarenden hier met ballingen die op zoek zijn naar een slaapplaats en die vonden op een van alles en iedereen verlaten plek: in een in onbruik geraakte sluis waar ze konden schuilen in de nacht. 

Het leven hier op aarde als een ballingschap: het is een notie die we zowel in het christendom als in het denken van Plato tegenkomen: in de wereld maar niet van de wereld, verbannen uit waar we thuishoren (Gods nabijheid en het domein van de eeuwige ideeën van het ware en schone en goede), als pelgrims op de weg terug naar huis. Met Brahms  in zijn Deutsches Requiem (in de Willibrordvertaling): ‘Als de Heer doet keren de ballingen Sions zal het ons zijn of we dromen’ (Psalm 126). 

Die droom staat op het punt werkelijkheid te worden op deze stralende ochtend: wat de avond daarvoor begon als de slaap van vermoeide zwervers, blijkt een godsgeschenk, een vorm van genade als voorschot op wat ons te wachten staat: een gelukzalig verblijf in het alleen voor de ziel toegankelijke rijk van de immateriële, louter abstracte en juist daarin volmaakte ideeën want die te aanschouwen (naar het Griekse ‘theooria’ dat “schouwing” betekent), daarop zijn wij aangelegd. Zo bezien is de vaart omhoog van het schip een abstraheringsproces dat ons vanuit de materiële, aan verandering onderhevige realiteit waar de ‘doxa’ (de opinie) geldt, optilt naar het onstoffelijke domein van de absolute kennis (de ‘epistèmè’), onze boven-natuurlijke ‘habitat’. Dat is althans de strekking van Diotima’s tot Socrates gerichte betoog over het verlangen (‘eros’) van de ziel naar de schouwing van het absoluut schone, de climax van Plato’s Symposium dat Boutens als al gezegd vertaald heeft. Tegen deze achtergrond laat “In de sluis” zich lezen als de visualisatie van de in die dialoog beschreven opwaartse beweging  vanuit het stoffelijke naar het onstoffelijke Schone met de leeuwerik in de rol van heraut en voorafbeelding van de ziel, op weg terug naar huis. 

Dat die pelgrimage niet maar die van de ik en de geliefde is, blijkt uit strofe 4 waarin talloze andere, evenzeer door de eros bewogenen hun gezelschap blijken te zijn: zielsverwanten met hen op weg naar een ‘nieuw verschiet’. Daarop wijzen de vele zeilboten die zich intussen in de sluis verzameld hebben vanwaaruit een jonge stem ‘ons oude lied’ (dat van het verlangen, de eros) zingt, een echo ook van dat van de leeuwerik. 

Dat het water zwijgt (strofe 5), wijst erop dat de schepen het hoogste niveau in de sluis bereikt hebben. Onzichtbaar nog maar wel al in de winden hoorbaar wenkt de eeuwigheid vanuit het duister hier beneden(‘de donkre deuren’, een fraaie alliteratie) naar de open ruimte van het eeuwige licht. 

Zo laat “In de sluis” zich lezen als een opgang naar wat niet te zien is, een poging het onzienlijke te zien en dat in dit gedicht te visualiseren. De sluis is daarvan een metafoor dat een spiritueel proces verbeeldt en in die zin symbolistisch is (aldus Marco Goud in zijn P.C. Boutens, in: Kritisch literatuur lexicon, augustus 2000). 

Om met Sötemann te eindigen: ‘Intussen is het niet onbegrijpelijk dat in een haast volstrekt ametafysische tijd als de onze Boutens’ verzen geen direct appèl doen op heel wat lezers’ (in Dichters die nog maar namen lijken, p. 47). Maar wie weet, opent Glanzende geheimenis (…) nieuwe perspectieven zoals “In de sluis” dat doet. 

Afbeelding: Kuifleeuwerik. Artemy VoikhanskyWikimedia.