Inferno

Wonen in gedichten (10)

Door Judit Gera
Dit gedicht is geschikt voor lichtgevorderde studenten
en hoort bij de categorie Mens en maatschappij,

In de serie Wonen in gedichten bespreekt Judit Gera, hoogleraar in Boedapest, gedichten uit de Nederlandstalige literatuur, ten behoeve van het onderwijs in de Neerlandistiek extra muros. (buiten het taalgebied. Vandaag: ‘Meeuwen’, van Judith Herzberg (1934).

Meeuwen

Het krijsen van meeuwen wees de weg naar de zee;
een nauwe steeg, steil naar beneden, daar was de haven
maar niets dan boten, trage kranen, ijzerwaren. Geen vogel
vloog of liep te pikken of deinde op een golf.
Toch, het geluid hield aan; het geweld van machines
werd overstemd door het schreeuwen.
De kranen hevelden lichte, niet helemaal dichte kisten.
Tussen de brede spleten leefde opeens de lading: vlerken
en veren. Zo werden de meeuwen het ruim in gehesen.

Uit: Dagrest, 1984

Dit gedicht is summier: het bestaat uit een negenregelige strofe, een novet. Er is geen vast rijmschema. Assonanties en alliteraties komen voor. Voorbeelden van assonantie zijn: wees – zee, naar – daar, haven – trage – kranen – ijzerwaren, vloog – golf – toch, lichte – dichte – kisten, spleten – leefde. De volgende woorden allitereren: wees – weg, steeg – steil, vogel – vloog, geluid – geweld, leefde – lading, vlerken – veren. Assonantie en alliteratie zorgen voor sterke samenhang. Het gedicht vertoont hierdoor een zekere cohesie alsof er een pakket wordt dichtgesnoerd.

Een andere karakteristiek is de sterke visualiteit van het gedicht. Er valt ook veel te horen. De scène speelt zich af bij de zee, waar een nauwe steeg en een haven te zien zijn. Er zijn geen mensen, alleen boten, kranen, ijzerwaren, machines en kisten. Het wekt de indruk van een industrieel landschap, misschien een werf. De ruimte straalt angst, verlatenheid, leegheid uit. Het is surrealistisch vanwege de afwezigheid van mensen en de pregnante aanwezigheid van machines en hijskranen.

Het gedicht heeft verder een beschrijvend karakter. Het begint met een dissonant geluidseffect: het krijsen van meeuwen. Op grond van wat volgt kan men veronderstellen dat het lyrisch subject de meeuwen zelf niet ziet. Hun geluid wijst de weg naar de zee via een nauwe steeg, steil naar beneden, naar de haven. Het krijsen van de meeuwen doet onheilspellend aan. Tegelijkertijd is er geen vogel te zien die doet wat vogels bij een zeehaven gewoonlijk doen: vliegen, lopen, pikken en deinen op het water. 

De betekenis van ijzerwaren is volgens het woordenboek: ‘Grote en kleine items die nodig zijn om materialen en onderdelen van bouwwerken, meubelen en andere objecten te bevestigen, verankeren, vast te houden, of aan te sluiten.’ ‘Verankeren’ en ‘vasthouden’ laten weinig te raden over. Aan het geluid te horen worden de vogels in hun bewegingsvrijheid beknot.

Na de beschrijving van de ruimte met zijn vervreemdende en beangstigende sfeer, komt er met het bijwoord ‘toch’ – precies in het midden van het gedicht – een wending. Ook al vlogen, pikten of deinden er geen vogels, hun krijsen bleef aanwezig. Dat maakt de situatie des te benauwender. Waar komt dat krijsen dan vandaan? Het krijsen is schreeuwen geworden, het overstemt het geweld van de machines. Er treedt een verschuiving op in de semantische relatie. Bij schreeuwen denk je onwillekeurig aan mensen en niet direct of alleen maar aan dieren. Machines doen hier denken aan geweren of een lopende band, bestemd voor het afmaken van levende wezens. 

In de laatste drie regels komen de kranen in beeld. Ze hevelen ‘lichte, niet helemaal dichte kisten.’ De vele i-klanken bootsen het krijsen van de vogels na. Hier is sprake van klanksymboliek. Bij kisten denkt men in eerste instantie aan een voorwerp waarin appels of gereedschap gehouden kunnen worden. Maar een kist kan ook als doodskist dienen. Door de vele assonanties krijgt de voorlaatste regel een opvallende cadans. Deze doet denken aan het deinen van golven. Het woord ‘opeens’ wijst op een wending. Een door spleten zichtbare lading blijkt leven te vertonen. 

Vlerken en veren zijn indexen, een woord uit de semiotiek (tekenleer), ze hebben een verwijsfunctie naar de levende meeuwen uit de titel. Een index is een teken waarbij de relatie tussen teken en betekenis door nabijheid (contiguïteit) gemotiveerd is. Hier doen vlerken en veren meteen aan vogels denken: er is sprake van het noemen van een deel voor het geheel, met de Latijnse term pars pro toto aangeduid. De vervreemding die al vanaf het begin van het gedicht aanwezig is, bereikt hier zijn hoogtepunt. Na de versbreking in de laatste regel komt dan de catastrofe, de ontknoping: ‘Zo werden de meeuwen het ruim in gehesen.’

Het gedicht werkt als één grote index, één grote verwijzing naar een gebeurtenis in de twintigste- eeuwse geschiedenis waarbij levende wezens als dieren volstrekt machteloos van hun vrijheid werden beroofd om daarna in een specifiek voor dit doel ingerichte ruimte samengedrongen en massaal op industriële wijze gewelddadig vernietigd te worden. Er is weinig voorstellingsvermogen voor nodig om de met precisie uitgevoerde technische handeling van het hevelen en hijsen van levende wezens met de kampen en de gaskamers in verband te brengen. 

‘Meeuwen’ doet onwillekeurig denken aan het werk van de Hongaarse schilderes en overlevende van de Holocaust: Margit Anna (1913–1991). Net zoals Judith Herzberg moest ze onderduiken; haar familie en haar man – de eveneens beroemde schilder Imre Ámos (1907–1944) – werden in concentratiekampen vermoord. Haar doek Inferno 1944 toont een opvallende gelijkenis met het gedicht van Judith Herzberg. Het laat twee op elkaar geplaatste kisten zien met afrastering van ijzergaas. Via de afrastering ziet de toeschouwer dode en nog levende, maar doodgeschrokken, krijsende vogels. Op de bovenste kist staat het opschrift: Endlösung. De onderste is gesloten met een hangslot waarop een hakenkruis geschilderd is. De ruimte is een kamer of een ruim met donkere muren. Op de achtergrond is een klein raam met tralies te zien, achter het raam de blauwe lucht of het water. Dit schilderij met 39 andere van Margit Anna werd in 1989 in Dachau tentoongesteld; ter herinnering aan alle slachtoffers van de Holocaust. 

Is deze overeenkomst tussen schilderij en gedicht puur toeval? We weten het niet. Het gedicht van Judith Herzberg – zijzelf eveneens Holocaustoverlevende – is in 1984 geschreven, het schilderij van Margit Anna is in 1981 gemaakt. Ze hebben bijna op hetzelfde tijdstip hun trauma via een kunstwerk present gesteld. Zou Herzberg het schilderij ergens in Hongarije of elders op een tentoonstelling of in een boek gezien kunnen hebben? Het doet niet ter zake. Maar met deze twee aangrijpende kunstwerken hebben de Hongaarse schilder en de Nederlandse dichter elkaar de hand gereikt. 

Illustratie: Robert Kruzdlo