Het Raadsel van de Drie Broers

Oude Folklore in het Oudfries, deel 7

Het begin van de Brokmerbrief, uit het Tweede Brokmer Handschrift. Bron: Wikimedia Commons

Door Arjan Sterken

Er is een zeer mysterieuze tekst, te vinden in de Eerste en Derde Emsinger Handschriften (Buma en Ebel 1967, p. 48-49, 202-205), de Hunsingoër Handschriften (Hoekstra 1950, p. 57, 141), en Codex Unia. Veel Oudfriesisten weten niet zo goed wat ze ermee aan moeten, en daarom heet de tekst het Erfrechtsraadsel van de Drie Broers. Het is een wat vreemde tekst zo midden in de Oudfriese rechtsbronnen. Het wordt een raadsel genoemd omdat de functie van de tekst niet wordt begrepen. Naar mijn idee is het geen raadsel in de klassieke zin, want er is geen antwoord dat gegeven zou moeten worden. Naar mijn idee is het wel een ander folkloristisch genre.

Voordat ik onthul wat voor genre het is, wil ik eerst eens met jullie kijken naar deze tekst. Het gaat in totaal om drie verschillende ‘raadsels’. De twee versies uit de Hunsingoër Handschriften zijn identiek aan elkaar, de twee uit de Emsinger Handschriften verschillen van elkaar in woordkeuze maar zijn qua verhaal identiek. De hier genoemde versies zijn ook allemaal qua verhaal gelijk aan elkaar, ook al wordt de volgorde van de ‘raadsels’ omgedraaid in de Hunsingoër Handschriften. Om de sfeer van deze teksten te proeven, zal ik het eerste ‘raadsel’ uit de versie van het Derde Emsinger Handschrift (Buma en Ebel 1967, p. 202-203) hier weergeven:

Ther weren thre brothere anda were nolle fulbrothere, tha nome thi iunxte hire feiders lawa anda tha aldere twam ne machte nenawt writhe bi asega dom and bi liude londriucht.”

“Er waren eens drie broers, die allen volle broers waren. De jongste nam het erfdeel van hun vader, en de oudere twee konden geen deelgenoot worden door het oordeel van de asega en het landrecht van de mensen.”

Het tweede (of derde) ‘raadsel’ gaat over dat de jongste broer hun vader of grootvader doodslaat, waarna de twee oudere broers voor de boete opdraaien. Het laatste ‘raadsel’ is het meest raadselachtig. Hoewel de drie broers volle broers van elkaar zijn, zijn ze toch van ongelijke geboorte. Desondanks delen ze de erfenis van hun ouders op gelijke wijze.

Wat naar mijn idee de sleutel is om deze drie ‘raadsels’ te begrijpen is het begin, dat vrijwel identiek is bij elk ‘raadsel’: ther weren …, er waren eens … . We kennen de formule ‘er was eens …’ uit een ander folkloristisch genre: het sprookje. Wat we hier zien, naar mijn idee, zijn sprookjes die op een jurisprudentie-wijze de Oudfriese rechtsbronnen zijn binnengeslopen.

Hoe werkt dat precies? Het Oudfriese recht is een vrij concreet rechtssysteem: op bepaalde vergrijpen, die specifiek gedefinieerd worden, staan specifieke straffen. Er zijn geen algemene en abstracte principes die het recht vormgeven, maar vrij concrete situaties die een judiciële reactie veroorzaken. Volgens Algra wordt deze jurisprudentie getransformeerd naar gegeneraliseerde regels, wat bekend staat als dingtaal (O’Donnell 1998, p. 247). Bij deze ‘raadsels’ zien we hetzelfde gebeuren: er is een oraal circulerend sprookje, wat door de rechtslieden als een echte rechtszaak wordt gezien, zoals ook mensen en politici (een duidelijk andere categorie van wezens) hun gedrag en beslissingen kunnen vormgeven door informatie ingegeven via moderne sagen. Deze rechtslieden veralgemeniseren deze ‘rechtszaken’ naar dingtaal, en zo zijn deze sprookjes in verschillende handschriften terecht gekomen.

Wat we hier dus hebben is een soort samenvatting van drie sprookjes. Veel narratieve elementen zijn verwijderd, omdat ze overbodig waren in de dingtaal. Het is echter de vraag of men nog doorhad dat dit sprookjes waren. Misschien zwierven deze sprookjes oraal rond, maar werden ze niet als fictie door de samenstellers van deze manuscripten gezien, maar als waarlijk gebeurde rechtszaken. Vervolgens zijn dan deze concrete rechtspraken naar een soort gegeneraliseerde versie teruggebracht: de betrokkenen, de daad, en het oordeel worden kort maar krachtig medegedeeld.

Naast de formule ther weren is er nog een clou die mij aan een sprookje doet denken. Alle drie de sprookjes hebben het over drie broers. Deze verdriedubbeling is een bekend fenomeen in allerlei sprookjes: er zijn inderdaad drie broers, of drie verschillende opdrachten, drie borden havermout enzovoorts. Het is daarom ook één van Thompson’s folklore-motieven: P251.6.1 Three brothers. In het eerste sprookje vinden we daarnaast een ander bekend motief: H1242 Youngest brother alone succeeds on quest. In veel sprookjes met drie broers lukt het de twee ouderen niet om de queeste te volbrengen, maar de jongste wel. Hier speelt hetzelfde: het lukt de jongste broer wel om het erfdeel van de vader te krijgen, terwijl de oudste twee achter het net vissen. In het tweede sprookje zien we ongeveer hetzelfde: hier is de jongste broer een soort trickster, wiens wangedrag (het doodslaan van zijn vader of grootvader) geen consequenties voor hemzelf heeft, maar waar zijn twee oudere broers voor moeten opdraaien.

Bij de drievoudige associatie tussen sprookjes, rechters, en raadsels kan men aan nog iets denken hier: het rechterraadsel. Dit subtype van het sprookje gaat over iemand die schuldig wordt bevonden van een misdaad. Om de straf te ontkomen wordt aan de rechters een raadsel voorgelegd. Weten de rechters dit raadsel niet op te lossen, dan kan de beschuldigde vrijuit gaan. Dit sprookje krijgt het verhaaltype-nummer ATU 927 Out-riddling the Judge mee, en is ook in het huidige Fryslân bekend (zie hier of hier of hier of hier of hier). Er wordt in deze teksten echter nergens vermeld dat de jongste broer vrijuit gaat door een raadsel. Dat dit rechterraadsels zijn lijkt mij onwaarschijnlijk. Of, in elk geval, wat betreft de eerste twee verhaaltjes. Het derde ‘raadsel’ blijft ook voor mij echt een raadsel. Er zijn drie volle broers; ondanks dat zijn ze van ongelijke geboorte, en toch weten ze de erfenis op gelijke wijze te verdelen. Hoe kan dat? Het zou zo kunnen zijn dat dit wel echt een raadsel is. Ik weet het niet, zowel of dit dan wel een raadsel is alsook wat dan het antwoord zou moeten zijn. Ontstond de ongelijke status simpelweg doordat één de oudste is, en de andere twee jonger zijn? Of moeten we denken in de richting van lichamelijke variëteit, zoals lengte of een handicap? Dit blijft een raadsel, en op die wijze hebben de oude Oudfriesisten deze tekst toch een goede titel gegeven. Laat een reactie achter als je een poging wilt wagen, maar er is geen garantie dat je vrijuit gaat als je het antwoord raadt!

Referenties

Primaire bronnen

Buma, Wybren Jan, en Wilhelm Ebel, vert. 1967. Das Emsiger Recht. Göttingen: Vandenhoeck und Ruprecht.

Hoekstra, J., red. 1950. De Eerste En de Tweede Hunsinger Codex. Den Haag: Martinus Nijhoff.

Secundaire literatuur

O’Donnell, Daniel. 1998. ‘The Spirit and the Letter: Literary Embellishment in Old Frisian Legal Texts’. In Approaches to Old Frisian Philology, geredigeerd door Rolf Bremmer, Thomas Johnston, en Oebele Vries, 245–56. Amsterdam: GA.

Thompson, Stith. 1958. Motif-Index of Folk-Literature: A Classification of Narrative Elements in Folktales, Ballads, Myths, Fables, Mediaeval Romances, Exempla, Fabliaux, Jest-Books, and Local Legends. Revised and Enlarged Edition. Bloomington: Indiana University Press. http://www.ruthenia.ru/folklore/thompson/.