Helemaal terug naar de basis van het ontleden

Door Henk Wolf

Mijn stukje van vorige week over de ontleding van ‘De paus is in Nederland’ heeft heel wat oude discussies opgerakeld en nieuwe doen ontbranden, met de nodige emoties hier en daar. Zoals dat gaat op internet.

Omdat ik vermoed dat niet iedereen alles precies zo heeft begrepen als ik het bedoeld had, wil ik hier nog eens de basaalste basis van het ontleden bespreken en dan mijn overwegingen daaronder zetten. Hopelijk doe ik dat nu zo helder dat iedereen het kan volgen.

Wat is een zin?

De klassieke visie op zinnen is dat die in de grond allemaal een mededeling bevatten. Zo’n mededeling kan worden omgebouwd naar een vraag of een bevel en je kunt hem bewerken met allerlei modaliteiten, maar in wezen is het een mededeling. Vaak gaat die mededeling over iets of iemand, maar dat hoeft niet eens per se.

Zo’n mededeling kun je opsplitsen in drie stukken:
(1) de eigenlijke mededeling;
(2) extra stukken die bij die specifieke mededeling noodzakelijk zijn om de mededeling tot een zin te maken;
(3) extra stukken die niet noodzakelijk zijn, maar die nog extra informatie bevatten.

Naast die mededeling is er heel vaak (maar net niet altijd) een iets of iemand waarover de mededeling wordt gedaan.

Een voorbeeld: in de zin “De boer slaat de ezel met een stok”
is ‘de boer’ degene over wie een mededeling wordt gedaan.

De mededeling is dus de rest, namelijk ‘slaat de ezel met een stok’. Daarin is slaat de eigenlijke mededeling (1). Omdat je altijd iets of iemand slaat, moet ‘de ezel’ wel in de zin staan. Dat is dus zo’n noodzakelijk stuk extra informatie (2). Ten slotte is ‘met de stok’ extra informatie, die niet per se noodzakelijk is (3).

De precieze termen voor al het bovenstaande verschillen per traditie, school, land en taalgebied – en mensen kunnen eindeloos over definities harrewarren, net als over de vraag of een stuk informatie nou wel of niet noodzakelijk is, maar over die driedeling binnen de mededeling is volgens mij vrijwel iedereen die iets met taalkunde doet het wel eens.

De eigenlijke mededeling

Er is in de loop van de eeuwen een gewoonte ontstaan om die eigenlijke mededelingen te gaan benoemen naar de daarin gebruikte woordsoorten. Zo noemen we die mededeling in “de boer slaat de ezel” werkwoordelijk, omdat de eigenlijke mededeling – slaat – wordt gedaan met een werkwoord.

In het Latijn kun je zeggen: “Mors ultima ratio” – letterlijk ‘Dood laatste afrekening’, betekenis ‘De dood is de laatste afrekening’. De mededeling gaat over mors – ‘de dood’ en bevat alleen maar naamwoorden. Je kunt die mededeling daarom naamwoordelijk noemen.

Maar je kunt ook zeggen: “Mors ultima ratio est” – ‘Dood laatste afrekening is’. Dat woordje est (‘is’) is een werkwoord dat niet bij de eigenlijke mededeling hoort. Het betekent niets en kan zonder probleem worden weggelaten. We noemen het een koppelwerkwoord. Een koppelwerkwoord hoort dus typisch bij mededelingen die niet werkwoordelijk zijn.

Het Nederlandse gezegde

In de Nederlandse ontleedtraditie gebruiken we het woord gezegde voor de eigenlijke mededeling (1). We kunnen die eventueel nader benoemen als werkwoordelijk of naamwoordelijk. De eerste aanduiding is probleemloos: in elk werkwoordelijk gezegde zit een werkwoord.

De tweede heeft meer problemen: zo zit er in Nederlandse zinnen altijd een werkwoord. Zinnen als “Mors ultima ratio” hebben we in het Nederlands niet. Maar in “De dood is de laatste afrekening” beschouwen we is als een noodzakelijk maar betekenisloos koppelwerkwoord. Dat vormt samen met ‘de laatste afrekening’ het gezegde en omdat de betekenis helemaal in ‘de laatste afrekening’ zit, noemen we het gezegde naamwoordelijk.

Een ander wat problematisch aspect van de naam naamwoordelijk gezegde is dat die enorm breed wordt gebruikt: als je er een vorm van zijn als koppelwerkwoord bij kunt gebruiken, noemen we het gezegde naamwoordelijk, zelfs als er geen naamwoord in zit. Zo zitten er naamwoordelijke gezegdes in de zinnen: “De boer is in z’n sas”, “De boer is niet te genieten” en “De boer is weg”. Dat wordt verdedigd met de redenatie dat al die gezegdes evengoed met echte naamwoorden zouden kunnen worden gerealiseerd: ‘in z’n sas’ = vrolijk, ‘niet te genieten’ = chagrijnig, ‘weg’ = afwezig. Het naamwoordachtige karakter wordt ook zichtbaar als je de zinsdelen gaat bevragen: dat doe je altijd met wie of wat, dezelfde vraagwoorden die je ook voor naamwoorden gebruikt.

Theoretisch is er niets dat ons verbiedt om nog andere soorten gezegden te benoemen, maar dat is in de schoolgrammatica ongebruikelijk. In wetenschappelijke grammatica’s nemen taalkundigen wel veel meer vrijheden.

Zijn, gaan

Nu is de discussie hoe je het gezegde – de eigenlijke mededeling dus – in de volgende zinnen specifieker kunt aanduiden:

a. “De paus is in Nederland.”
b. “De paus gaat naar huis.”

Een benoeming als werkwoordelijk lijkt onproblematisch: de eigenlijke mededeling zit in de werkwoorden zijn en gaan (1) en daar staan ‘in Nederland’ en ‘naar huis’ als verplichte stukken (2) bij.

Maar, kun je je afvragen, is het ook niet mogelijk om ‘in Nederland’ en ‘naar huis’ te zien als de eigenlijke mededeling (1) en de woorden is en gaat als noodzakelijke toevoegingen – niet helemaal de koppelwerkwoorden die we ze hierboven hebben besproken, maar wel iets vergelijkbaars.

Argumenten

Als de talige wereld alleen uit Nederlandse volzinnen met één mededeling erin zouden bestaan, dan zou de discussie snel doodlopen. Maar dat is niet zo. Op andere plaatsen zijn er namelijk wel aanwijzingen voor te vinden dat niet de werkwoorden zijn en gaan in zin a en b de eigenlijke mededeling bevatten, maar de voorzetselgroepen ‘in Nederland’ en ‘naar huis’.

Welke aanwijzingen zijn daarvoor?

a. Andere talen: in het Latijn kun je (letterlijk vertaald) “Paus in Nederland” als volzin gebruiken en in het Russisch moet dat zelfs, daar heb je helemaal geen koppelwerkwoord zijn. Voor die talen moet je wel aannemen dat zijn zo onbelangrijk is, dat het niet de eigenlijke mededeling (1) is. Voor een benoeming als eigenlijke mededeling (1) lijkt alleen de voorzetselgroep ‘in Nederland’ in aanmerking te komen. Uit het Fries kun je voor gaan een vergelijkbare redenatie halen.

b. Krantenkoppen: krantenkoppen hebben hun eigen syntactische regels. Heel veel woorden met geen of weinig (of makkelijk raadbare) betekenis zijn weglaatbaar. “Paus in Nederland” is typisch een krantenkop. Als je daarin geen vorm van zijn hoeft te gebruiken, is het dan niet voor de hand liggend om op z’n minst te overwegen dat de eigenlijke mededeling (1) met de voorzetselgroep ‘in Nederland’ wordt gedaan?

c. Mededelingen in zogenaamde AcI-constructies, zoals “Ik zag de boer de ezel slaan”. Daarin kun je het werkwoord zijn niet gebruiken: in “Ik zag onze hond bij de buren” is zijn niet alleen weglaatbaar, het _moet_ zelfs achterwege blijven.

d. Secundaire mededelingen: zinnen kunnen naast de hoofdmededeling ook nog secundaire, zijdelingse mededelingen bevatten. In wetenschappelijke publicaties worden die ook wel als gezegde benoemd, maar in de schoolgrammatica noemen we ze bepaling van gesteldheid of bijvoeglijke bepaling.
In werkwoordelijke secundaire mededelingen is het werkwoord verplicht aanwezig, zoals in “Fluitend sloeg de boer de ezel” en “De fluitende boer sloeg de ezel”. In niet-werkwoordelijke secundaire mededelingen kun je zijn niet gebruiken, kijk maar naar zinnen als “Boos sloeg de boer de ezel” en “De boze boer sloeg de ezel”.
Gebruik je ‘in Nederland (zijn)’ als secundaire mededeling, dan kun je het werkwoord zijn ook niet gebruiken. Je zegt immers: “De boeren in Nederland slaan hun ezels” en niet iets als “De boeren in Nederland zijnd, slaan hun ezels” of “De in Nederland zijnde boeren slaan hun ezels”. Dat is ook weer reden om te overwegen dat het werkwoord zijn niet de eigenlijke mededeling (1) vormt.

Is daarmee doorslaggevend bewezen dat de eigenlijke mededeling (1) niet in het werkwoord zit? Nee, je kunt ook aannemen dat het werkwoord zijn of gaan misschien niet gezegd, maar in elk geval wel gedacht wordt en dat ‘in Nederland’ of ‘naar Nederland’ bij dat onuitgesproken werkwoord een noodzakelijk extra stukje zin (2) is. Dat is in het Latijn en in Nederlandstalige krantenkoppen redelijk makkelijk voorstelbaar, want daar kun je zijn en gaan toevoegen, maar bij het Russisch, in AcI-constructies en in secundaire mededelingen vraagt het wat meer hersengymnastiek, omdat je het werkwoord daar niet _kunt_ bijplaatsen. Je kunt dan nog best beweren dat je een AcI-constructie en een secundaire mededeling eerst moet herformuleren als een gewone hoofd- of bijzin en dat je dan pas de onderdelen ervan kunt benoemen, maar je kunt net zo goed zeggen dat gewone hoofd- en bijzinnen toevallig vragen om toevoeging van een betekenisloos werkwoord.

Is er zijn beurt doorslaggevend bewijs voor het bestaan van een weggelaten werkwoord zijn of gaan? In elk geval niet als je een zin intuïtief wilt benoemen.

Het probleem van de naamgeving

Er is wel een naamgevingsprobleem: als die gezegden als ‘in Nederland (zijn)’ en ‘naar huis (gaan)’ niet werkwoordelijk zijn, wat zijn ze dan wel? De schoolgrammatica kent maar twee smaken: werkwoordelijk en naamwoordelijk. Er pleit dus het een en ander voor een andere benoeming dan werkwoordelijk, maar naamwoordelijk is ook niet helemaal wat we zoeken. Immers, je kunt ‘in Nederland’ en ‘naar huis’ niet door naamwoorden vervangen en je kunt ze ook niet bevragen met de voor naamwoorden typische vraagwoorden wat en wie. En de overbodige werkwoorden zijn en gaan gedragen zich ook in veel opzichten niet als de koppelwerkwoorden waaraan we bij het naamwoordelijk gezegde gewend zijn.

Dat zou een reden kunnen zijn om meer typen gezegden te onderscheiden. Peter-Arno Coppen noemde bijvoorbeeld plaatsgezegde als verdedigbare term.

Is het onproblematisch om zo te redeneren? Nee, dat zeker niet. Ik zie in elk geval drie problemen:
a. Je gooit terminologisch nogal wat overhoop als je plaatsbepalingen als gezegdes gaat behandelen. Het betekent dat je bij het benoemen van plaatsbepalingen in de zin moet gaan kijken waar ze de plaats van bepalen. Is dat van het onderwerp, dan moet je ze gaan benoemen als bepaling van gesteldheid, of ze een ander etiket opplakken dat duidelijk maakt dat ze bij het onderwerp horen. Bovendien kun je het niet laten bij plaatsbepalingen: ook in zinnen als “Die tas is van mij”, “De jongens waren met z’n vieren” en “Ze was terug” moet je dan niet-werkwoordelijke gezegdes gaan onderscheiden.
b. Je zou verschillende typen gezegdes moeten gaan onderscheiden in “De paus is in Nederland” en “De paus blijft in Nederland” en de vraag is hoe intuïtief of dat is.
c. Je moet gaan nadenken over de benoeming van zinnen als “De paus bevindt zich in Nederland” en “De paus reist naar Nederland”. Daarin lijken zich bevinden en reizen immers uitwisselbaar met respectievelijk zijn en gaan. Het wordt dan niet zo makkelijk om uit te maken of zulke gezegdes nou werkwoordelijk of plaatsbepalend zijn.

Dat laatste is trouwens geen nieuw probleem. In “De paus is een relikt” noemen we het gezegde immers doorgaans naamwoordelijk, maar in het synonieme “De paus vormt een relikt” noemen we het werkwoordelijk. Dat onderscheid is net zo arbitrair.

Liever ‘predikaat’ dan ‘gezegde’?

Misschien moeten we gewoon constateren dat het niet altijd uit te maken is of de eigenlijke mededeling (1) nu in het werkwoord zit of in iets anders, zoals een voorzetselgroep, een bijwoord of een naamwoordgroep.

De Nederlandse schoolgrammatica benoemt alleen de eigenlijke mededeling (1) met een vakterm, namelijk gezegde. In de wetenschappelijke grammatica’s worden de eigenlijke mededeling (1) en de verplichte stukken (2) vaak samen benoemd en wel als predikaat. Als wij dat ook zouden gaan doen, dan zouden mensen veel makkelijker over hun talige intuïties kunnen praten, zonder dat ze precies hoeven aan te geven of ze in hun zin nu een mededeling doen die hangt aan een werkwoord, dan wel aan iets anders.

Waarom eigenlijk?

Waarom eigenlijk? Waarom zouden we afwijken van de gebruikelijke manier van redeneren op school? Ik denk omdat die vaak niet meer is dan het leren en weer doorgeven van een trucje, zonder dat daar inzicht uit volgt. Leerlingen benoemen zinsdelen als ‘is in Nederland’ vaak als gezegde. Wij straffen dat af, maar zien over het hoofd dat ze door die benoeming laten zien dat ze in de gaten hebben dat er met die woorden een mededeling over het onderwerp van de zin wordt gedaan. En dat inzicht kan worden verstoord als we te rigoureus vasthouden aan één vorm van benoemen, eigenlijk alleen maar omdat we ooit hebben geleerd “dat het zo hoort”. Dan leren leerlingen een canonieke manier van denken aan in plaats van dat ze een instrument leren gebruiken om te praten over taal. En dat laatste lijkt mij een stuk zinvoller.