Hans Robert Jauß: de maskerade van de provocatie

Door Peter J.I. Flaton 

In zijn bijdrage aan Sleutelwoorden. Kernbegrippen uit de hedendaagse literatuurwetenschap (o.r.v. W. van Peer en K. Dijkstra,  Leuven-Apeldoorn, 1991), “Receptie” (pp. 144-150), merkt J.J. Kloek terecht op, dat H.R. Jauss’ Literaturgeschichte als Provokation der Literaturwissenschaft (Frankfurt am Main, 1970) geen paradigma-‘switch’ veroorzaakt heeft in de zin althans van Thomas Kuhns befaamde The Structure of Scientific Revolutions uit 1962. Dat neemt niet weg, dat het verschijnen ervan ook in Nederland het nodige stof deed opwaaien. 

Zo herinner ik me, dat “Jauß” (‘men’ las toen nog vlekkeloos Duits) in en direct na 1970 in Utrecht, in zowel de vakgroep Nederlands (of: het ‘Instituut De Vooys voor Nederlandse taal en letterkunde’) als in die van de Algemene Literatuurwetenschap door docenten en studenten druk, om niet te zeggen: opgewonden bediscussieerd werd. 

Een resultaat daarvan was een gastcollege van Jauß’ collega proximus aan de universiteit van Konstanz, Wolfgang Iser, die met zijn ook in 1970 verschenen Die Appellstruktur der Texte een vergelijkbaar spoor gekozen had (dat moet ‘ergens’ in de winter van 1973 zijn geweest). Een en ander mondde uit in een stevig werkcollege waarin Mevrouw Dr. E. Ibsch ons door de relevante vakliteratuur leidde.

Wat ik ermee zeggen wil, is dat ‘de’ receptie-esthetica een belangrijke rol speelde in het vakgebied van de theoretische literatuurwetenschap zoals die in 1970-1974 in Utrecht beoefend en onderwezen werd (ik beperk me hier uiteraard tot mijn studiejaren).

Jauß’ provocatieve tekst (in feite het 4e  hoofdstuk van de zo-even genoemde publicatie, pp. 144-207) is in 1967 uitgesproken bij de opening van de in 1966 gestichte Universiteit van Konstanz. 

Die beoogde de hervorming van het academische onderwijs in Duitsland: i.p.v. de elders gebruikelijke instituten bood zij onderwijs aan in kleine vakgroepen in de vorm van ‘seminars’ of ‘tutorials’ waarin onderzoek en onderricht nauw op elkaar betrokken waren en traditionele grenzen tussen vakgebieden overschreden konden worden. Eenvoudig gezegd: geen hoorcolleges voor grote groepen studenten maar intensieve werkcolleges op kleine schaal (dat de doctoraalstudie in de Utrecht zo was opgezet, voeg ik hier ‘nebenbei’ toe). 

Op zoek naar een brisante opening van deze innovatieve universiteit kwam het college van bestuur uit bij Professor Doktor Hans Robert Jauß, een om o.a. zijn twee proefschriften hooggeachte romanist die zijn sporen aan andere universiteiten intussen verdiend had: op 13 april 1967 deed hij van zich horen in de inaugurale rede Was heißt man und zu welchem Ende studiert man Literaurgeschichte? (later hertiteld met het sleutelwoord ‘Provokation’). 

Jauß’ antwoord luidde, dat men zowel afscheid moest nemen van de traditionele tekstverklaring (in de jaren ’60 beoefend in de gestalte van de werkimmanente ‘close reading’-aanpak, c.q. voor Nederland: als in het tijdschrift Merlyn) als van het opdelven van universele waarden en waarheden in intussen gecanoniseerde meesterwerken (het ‘vondelen en dantelen’, om het te zeggen met Willem Paaps Vincent Haman). 

In Jauss’ ogen brengen die de literatuurwetenschap op dood spoor: die naar een door ‘de’ kenners ingericht museum waarin de toeschouwers  langs de tentoongestelde stukken mogen lopen, onder het motto ‘non toccare’. Wat zo’n object de huidige lezer nog te zeggen zou kunnen  hebben, wordt zo volledig genegeerd. Of om het te zeggen met Joost Kloek in zijn “Receptie” (p. 145): ‘De traditionele wetenschap, stelt Jauß, maakt de tekst daarmee monddood, terwijl het spannende van  literatuur juist is, dat er een dialoog tussen tekst en lezer plaats heeft: de lezer neemt (als het goed is) de tekst ter hand om aan het denken te worden gezet’. 

Jauß’ woordkeuze voor de publikatieversie van zijn rede mag dan een in de late jaren zestig een modieuze klank hebben gehad (we hoeven hier maar te denken aan de A’damse provo’s wier ‘contestatie’ nog altijd een mythische status heeft), een geëngageerde literatuurstudie in sociaal-economische zin (à la Bert Vanheste’s / Bert Brouwers’ Literatuur en revolutie, waarop hij in 1971 promoveerde aan de KUN) stond hem daarbij zeker niet voor ogen want -met voorbijzien aan de in zijn ogen a-historische marxistische literaire historiografie- zo’n benadering herleidt de tekst tot een louter sociaal document.

Niet voor niets is de literatuurgeschiedenis hier de provocatie: Jauß beoogt de oudere literatuur vanuit esthetisch perspectief te historiseren en te actualiseren. Lezen is per se dialogeren waarbij de lezer uit het betekenispotentieel van de tekst een keuze maakt op grond van zijn ‘Erwartungshorizont’ die hem noopt tot net de optie voor die specifieke betekenis: ‘receptie’ noemt Jauss deze dialoog. 

Vandaar de diachrone en synchrone verschuivingen in die receptie: op grond van veranderde en veranderende waarden lezen lezers-van-nu een oude(re) tekst anders dan die in het verleden en kijken lezers met van elkaar verschillende sociaal-culturele achtergronden anders naar dezelfde net gepubliceerde roman. De contemporaine lezers van Flauberts Madame Bovary accepteerden diens a-morele beschrijving van overspel niet, terwijl het nog maar de vraag is of Robert Vuijsje’s Alleen maar nette mensen vandaag de Gouden Uil (hem toegekend in 2009) zou winnen. 

Zo’n met een bepaalde tijd verbonden verwachtingshorizon en het spoor van verschuivingen doorheen de tijden (de ‘Horizontwandel’) te bestuderen en te volgen: ziehier Jauß’ provocatie. Daarbij -en dat is het esthetische aspect- gaat zijn belangstelling bijna uitsluitend uit naar strikt literaire facetten als thema, compositie en taalgebruik. 

De contouren van een dergelijke studie had Jauß zelf al geschetst in zijn ‘Habilitationsschrift’ (1957) Untersuchungen zur mittelalterlichen Tierdichtung. Daarin interpreteert hij de Oudfranse Roman de Renart vanuit de ‘Erwartungshorizont seines zeitgenössischen Publikums’ om zo de ‘Alterität’ (het “anders-zijn”) van een mensen-van-nu vreemd geworden esthetische ervaring te reconstrueren. 

Me ervan bewust dat er over Jauss’ (en Isers) receptie-esthetica meer, veel meer te zeggen valt, wil ik me hier beperken tot deze inderdaad ruwe schets (zie voor meer: het al genoemde artikel van Joost Kloek en de bundel Receptie-esthetika. Grondslagen, theorie en toepassing, onder redaktie van R.T. Segers, Amsterdam, 1978; en een heel mooi voorbeeld van toepassing is Kloeks eigen dissertatie: Over Werther geschreven… Nederlandse reacties op Goethes “Werther”, Utrecht, 1985). 

Wat ik in en met het voorgaande vooral heb willen laten zien, is dat Jauß’ provocatie een sprekend voorbeeld was van de vernieuwing die de Universiteit van Konstanz voor ogen stond en dat hij daarbij gezien werd als minstens een van de pioniers die de Romanistiek naar een nieuwe horizon zou gaan leiden. Immers, met Rimbaud: ‘Il faut être absolument moderne’, hetgeen Jauß zonder meer beamen zou. 

Of en zo ja in hoeverre hij daarin is geslaagd, valt buiten mijn blikveld  maar zeker is, dat deze Hans Robert Jauss een glanzende carrière voor zich heeft, een die hem het lidmaatschap van de Academia Europeae, de Accademia dei Lincei in Rome en dat van de Hongaarse academie van wetenschappen oplevert en hem gastdocentschappen aan resp. de universiteiten van Berlijn, Berkeley, Colombia, Leuven, Los Angelos, de Sorbonne, Princeton, Yale en Zürich bezorgt. En zo werkt hij voort tot aan zijn emeritering in 1997 als ‘Gründungsprofessor Ordinarius für Romanistik und Allgemeine Literaturwissenschaft’. Lang heeft hij niet van zijn pensionering kunnen genieten: op 1 maart van dat jaar overlijdt hij aan de gevolgen van een beroerte. 

Dat intussen aan de in Duitsland gevoerde discussie omtrent wie recht heeft op de eretitel ‘beste romanist van de 20e eeuw’ waarbij Jauß als favoriet gold, een einde is gekomen, is te wijten of te danken (het ligt er maar aan aan welke zijde men zich schaart) aan de ontdekking van zijn andere, vroegere leven. 

In de context van 75 jaar bevrijding en vooral herdenking de grote en intens treurige studie van David Cesarini –Endlösung. Het lot van de joden 1933-1949, Amsterdam, 2018, d.w.z. de Nederlandse vertaling lezend en vandaaruit op zoek naar nadere gegevens via het Internet stuitte ik op recensies van de studie van de in de SS gespecialiseerde historicus Jens Westemeier Hans Robert Jauß, 12.12.1921 Göppingen – 01.03-1997 Konstanz. Jugend, Krieg und Internierung, Konstanz, 2015, zijnde de ‘Wissenschaftliche Dokumentation’ als resultaat van een in 2014 gegeven opdracht van de Universiteit van Konstanz een nader onderzoek te doen naar de ‘Werdegang’ van de oud-hoogleraar Romanistiek in de jaren ’40 –’45 (de studie is bereikbaar via Internet: Dokumentation_Jauss_UniKN_20052015). 

Hoewel er al langer geruchten rondgingen over Jauß’ oorlogstijd, zoals blijkt uit twee lange artikelen van Earl Jeffrey Richards, een in Wuppertal werkzame romanist (“La conscience Européenne chez Curtius et chez ses détracteurs” uit 1995 -onder wie Jauß- en “Vergangenheitsbewältigung nach dem Kalten Krieg, Der Fall Hans Robert Jauß und das Verstehen” uit 1997), heeft het nog lang geduurd, vooraleer de Universiteit de waarheid omtrent een van haar coryfeeën aan de openbaarheid durfde prijsgeven. En die liegt er niet om. 

Op de eerste plaats blijkt eruit, hoe geraffineerd Jauß te werk is gegaan bij het verbloemen van zijn oorlogsverleden dat (aspect 2) er een bij de Waffen SS is geweest. 

Daarvan maakte Jauß met succes het Duitse leger in de rijen waarvan hij als soldaat niet meer dan zijn dienstplicht zou hebben verricht en deed hij het voorkomen dat zijn internering (in 1945-1948) in een speciaal voor SS’ers bedoeld ‘Internment Camp’ in Recklinghausen een gewoon krijgsgevangenkamp was. Een zo men wil navrant detail hierbij is, dat er in dat kamp heel wat te studeren viel en dat Jauß daar gretig gebruik van heeft gemaakt: bij zijn inschrijving als student in Heidelberg krijgt hij daarom twee studiesemesters cadeau (overigens erkent hij daarbij wel SS’er te zijn geweest omdat -ook dat is onjuist- het niet mogelijk was je als vrijwilliger voor het leger te melden en hij impliceert daarmee, dat hij niet meer dan een ‘Mitläufer’ is geweest). 

Nu, uit de studie van Westemeier blijkt, dat Jauß een bliksemcarrière doorheen de SS-rijen heeft gemaakt: van gemeen soldaat in 1939 via onderofficiers- in 1940 en 1941 en officiersrangen in 1941-1943 tot de promotie tot Hauptsturmführer in 1944, vergelijkbaar met kapitein in het leger, in de functie van compagniescommandant (een 100 à 150 man sterke eenheid). Zijn taak was niet-Duitse SS’ers uit Franstalige gebieden te scholen: romanist ook toen al. 

In oktober-november 1943 was Jauß betrokken bij de afrekening met partizanen in Kroatië (de ‘Bandenkampf’). Daarbij maakte de pantser-grenadierbrigade ‘Nederland’ (!) zich schuldig aan deportatie, moord, brandstichting en plundering. 

Hoewel Jauss’ actieve betrokkenheid daarbij niet te bewijzen is, acht Westemeier het ondenkbaar dat hij er niet(s) van geweten zou hebben. Als bevelvoerend officier was hij er mee verantwoordelijk voor en het is moeilijk voorstelbaar dat hij niet heeft gezien wat zijn mannen aan het doen waren. Lid van een criminele organisatie was hij hoe dan ook aldus de kwalificatie van de SS tijdens de processen in Neurenberg. 

Zijn superieuren waren zonder meer met hem ingenomen gelet op de onderscheidingen die hem werden toegekend: het ijzeren kruis eerste en tweede klasse en het door Hitler persoonlijk ingestelde Duitse kruis in goud. 

Zonder verder in details te treden (wie meer wil weten, leze de studie van Westemeier) meen ik, dat het alleen al op grond van bovenstaande gerechtvaardigd is in Hans Robert Jauß een toegewijde, om niet te zeggen fanatieke nazi te zien, een die Hitlers zaak, inclusief het er onlosmakelijk mee verbonden antisemitisme, con amore toegedaan was want anders laat zich niet verklaren, dat zo iemand op zijn 23e volledig is geïntegreerd in de SS. 

Het is dan ook hoogst verbazend, dat Jauß voor zijn eerste dissertatie (1952) Marcel Prousts À la recherche (…) als onderwerp kiest: Zeit und Erinnerung in Marcel Prousts ‘À la recherche du temps perdu’. Eine Untersuchung zur Struktur des modernen Romans’ (een briljant boek volgens Fokkema en Ibsch die het dan ook een sleutelrol laten spelen in hun Het modernisme in de Europese letterkunde dat in 1984 voor allereerst een Nederlands publiek verscheen: zonder Jauß zou het er heel anders hebben uitgezien). 

De jaren ’60 waren niet alleen die van de provocatie, ze waren ook het decennium waarin Nederlanders, onder wie talloze jongere, dankzij de uitzendingen van Lou de Jong (De bezetting) het oorlogsverleden echt leerden kennen en met name de shoah, hetgeen tot allerlei klemmende vragen leidde: ook dat herinner ik me heel goed. 

De vraag is, of Hans Robert Jauß met zijn provocatie dezelfde’impact’  gehad zou hebben als we van zijn SS-verleden toen al geweten zouden hebben.