Eene ontzettende misdaad

Door Marita Mathijsen

Hoe vaak zou het voorkomen dat een 84-jarige grijsaard een moord beraamt met een vergiftigde worst? Dat is wat er in 1859 in Den Haag gebeurde. Het werd een mediaspektakel waar zelfs een van de domineedichters over schreef.

Wat was er aan de hand? Luitenant-generaal Carel August Gunkel, een militair met een indrukwekkende loopbaan, had Louisa Estra, de vrouw met wie hij sinds een flink aantal jaren ‘in verdachte betrekking leefde’ een leverworst aangeboden, met de woorden ‘die moet je nu eens proeven, die heb ik in een net winkeltje gehaald’. Gunkel zelf wilde er niet van eten, Louisa nam maar een klein stuk, voerde een deel aan haar hond, en gaf haar broer en haar naaister de rest mee. De naaister sneed er schijfjes vanaf voor haar kinderen, maar die spuugden ze uit, omdat ze de worst niet lekker vonden. Eerst werd de hond ziek, toen de naaister, vervolgens voelde Louisa zich niet goed, en toen werd haar broer doodziek, en stierf. Arsenicum, constateerde de arts. Louisa herinnerde zich dat ze al eens rare soep had gekregen van de generaal, en een andere keer jenever met suiker en dat ze beide keren er ziek van geworden was, zelfs gedeeltelijk verlamd was geraakt. Gunkel werd in beschuldiging van moord gesteld, en vervolgens kwam ook nog uit dat hij obligaties van Louisa opgesoepeerd had. De politie vond in zijn huis nog een voorraad rattenkruid. Na een geruchtmakend proces werd de bejaarde man, die in de hoogste Haagse kringen verkeerd had en hoge militaire onderscheidingen had gekregen, ter dood veroordeeld door ophanging.

De kranten stonden stampvol over deze zaak. Het Algemeen Handelsblad gaf paginalange verslagen, en er kwamen brochures over uit. De gehele rechtsgang met alle beschuldigingen en tegenwerpingen kon nagelezen worden in Regtsgeding tegen C.A. Gunkel, ter zake van vergiftiging. Ook verscheen er een verslag van het scheikundig onderzoek naar de vergiftiging. De mensen smulden van de zaak, en bij de openbare zittingen van de rechtbank zaten de banken vol publiek. In 2014, ruim anderhalve eeuw na dato, rakelde Atte Jongstra de macabere geschiedenis op in zijn absurdistische roman Worst.

De Haagse domineedichter C.E. van Koetsveld liet een preek erover drukken onder de titel Moorman en luipaard. Een hoogst ernstig woord tot mijne Gemeentena eene ontzettende misdaad. Het boekje moest meteen herdrukt worden. Volgens Van Koetsveld sprak jong en oud in Den Haag er al dagen over: ‘Er is in de afgeloopene week een gerucht van gruwelen door onze stad gegaan, – gruwelen, die men in een verhaal al te onwaarschijnlijk vinden zou, – gelijk wel eens meer, niets zoo onwaarschijnlijk is, als juist de waarheid zelve!’

Hij baseerde zijn preek op de Bijbeltekst Jeremia XIII:23: : ‘Zal ook een moorman zijne huid veranderen, of een luipaard zijne vlekken? Zoo zult gijlieden ook kunnen goed doen, die geleerd zijt kwaad te doen.’. Dus: een moorman kan niet blank worden, een luipaard zijn vlekken niet kwijtraken, evenmin kan iemand die tot het kwade geneigd is in een goed mens veranderen. Van Koetsvelds preek staat bol van racistische opmerkingen over moormannen die zwart blijven, allemaal om de toehoorders te doordringen van het onomkeerbare van het kwaad. Was Van Koetsveld een roomse pastoor geweest, zou hij anders gepreekt hebben: dan zou hij de generaal voorgehouden hebben dat vergeving van zonden altijd mogelijk is – als men maar op tijd berouw toont en boete doet. Maar Van Koetsveld ziet onomkeerbare zondaars ‘die [..] met de koelbloedigheid van den ouderdom de onreine driften der jeugd najagen; het hoofd met de kroon der grijsheid gedekt en den éénen voet in het graf, en toch nog even verhard in het kwaad, het geweten als met een brandijzer toegeschroeid’. Den Haag barst van de ‘wellust en dronkenschap, verkwisting en geldbejag’, men aapt het buitenland na en ‘hoererij en zelfs overspel [wordt] schaamteloos bedreven’en ‘de grooten’ geven daarin het voorbeeld. Als hij daarmee op koning Willem III doelt, heeft hij gelijk.

Als het doodsvonnis eenmaal uitgesproken is, op 16 april 1859, verschijnt er een anoniem gedicht  Het prerogatief der kroon, ingeroepen voor den gepensioneerden luitenant-generaal. De koning wordt opgeroepen om gebruik te maken van zijn recht op gratieverlening:  

U, Heerscher op den Troon! U is de magt geschonken,

Den zondaar die in ’t net der misdaad is gezonken,

Van wereldlijke straf te ontslaan…

O! Plaatsbekleeder Gods! ga, ga met God te rade!

En fluistert Zijne stem U liefd’rijk toe: “Genade!”

Wees dan met ’s grijsaards lot begaan!

Dat deed de koning: de doodstraf werd omgezet in 20 jaar tuchthuisstraf. Die straf duurde niet lang. Gunkel stierf op 5 december van dat jaar in de kerker.