De vijftiger in Nijmegen

Door Jos Joosten

In alle coronabeslommeringen was mij het overlijden, op 83-jarige leeftijd, van Mischa de Vreede ontgaan. Een eigenzinnige markante soevereine schrijfster. Ook De Vreede heeft een link met Nijmegen. In 1986 schreef zij in Maatstaf wat jeugdherinneringen op over haar Nijmeegse schooltijd.

Haar vader was predikant en werd in 1949 beroepen bij de Heldringstichting in Zetten. De Vreede ging vanaf datzelfde jaar in Nijmegen naar het Stedelijk Gymnasium . De school beviel haar slecht, maar ze hield er wel een vriendin voor het leven aan over: de vrijgevochten (latere) schrijfster Maartje Luccioni – toen nog Van der Made, dochter van de lokaal bekende huisarts dokter Van der Made. Die was woonachtig in een statige villa aan de Schependomlaan, in de paardenstallen van de vorige eigenaar had hij zijn praktijk. De familie Van der Made was – zeker voor Nijmeegse begrippen anno de jaren vijftig – ronduit mondain.

Haar vader, huisarts, was een fervent Vestdijklezer. Haar moeder leerde Russisch van de in bruine pij geklede pater Zacharias, schilderde zelf het interieur, – de deuren “kikkergroen” -en rookte sigaretten uit een pijpje wat haar niet stond want ze had een statig postuur en droeg lange japonnen.

[…]

Ook waren ze geabonneerd op de “Elle”: toen, begin vijftiger jaren, een zeer progressief blad. Maartje en ik leerden er Frans uit en dweepten met Juliette Gréco, Mouloudji en Yves Montand. En dan de Courrier du Coeur…

Omdat de laatste trein naar Zetten al tegen tienen vertrok werd de villa aan Schependomlaan De Vreedes vaste logeeradres als er iets te doen was in de stad. Ook nadat Maartje Luccioni (die drie jaar ouder was) eindexamen had gedaan, bleef de dokterswoning haar vaste logeerplek.

De Vreede werd na Luccioni’s vertrek erg teruggeworpen op zichzelf én op de nieuwste literatuur: Mulisch, Rodenko, de Vijftigers, van wie ze het werk las en kocht bij de fameuze boekhandel Ten Hoet, in de Burchtstraat naast het stadhuis.

Ten Hoet was de enige niet-katholieke boekhandel in Nijmegen, volgens de mythe ook de enige plek ter stede waar te koop was wat paus en bisschop verboden hadden. (En de zaak waarover ik uit de eerste hand de anekdote hoorde dat het er ergens in 1973 plots stormliep van de hoogleraren van de Katholieke Universiteit die allen op zoek waren naar romans van de Joodse lesbische auteur Andreas Burnier die namelijk naar verluidde een-en-dezelfde zou zijn als de zojuist benoemde collega hoogleraar criminologie prof. dr C.I. Dessaur.)

Boekhandel Ten Hoet was intussen ook mijn boekhandel geworden. Ik besteedde er niet veel geld, want dat had ik niet, maar wel erg veel tijd. De trein naar de Betuwe ging slechts om de twee uur en die miste ik makkelijk. Rechtsboven, op de galerij, lagen de Kunstboeken met foto’s van ballet of van beelden van Rodin en daaruit deed ik anatomische kennis op en liefde voor het menselijk lichaam. Er stond een stoeltje waarin ik ongezien en praktisch ongestoord kon zitten lezen en de boeken die ik niet uit kreeg mocht ik, zogenaamd op zicht, meenemen naar huis mits ik ze de volgende dag in ongeschonden staat weer terugbezorgde.

In de jaren vijftig was de boekhandel zeer actief in het organiseren van literaire avonden: de lijst van auteurs die Nijmegen bezochten is lang, van Simon Carmiggelt en Anton Coolen tot Hella Haasse. Ook traden regelmatig buitenlandse auteurs op (zoals de Deense auteur Karl Eskelund ‘vergezeld door zijn charmante Chinese vrouw Chi-yun’ zoals ‘de Gelderlander’ wist te melden (‘Eskelund zal zich van de Engelse taal bedienen’)).

Bijzonder voor De Vreede was de avond dat Ten Hoet een aantal jonge experimentele dichters had uitgenodigd. Vanuit het eenzame Zetten was zij eerder al in correspondentie geraakt met Lucebert en op nu zou zij de Keizer der Vijftigers in het echt ontmoeten.

Het waren er vijf: Gerrit Kouwenaar, – “Ik draag een waarschuwing bloedjas/en ik sta op elba.” -; Jan Elburg, die ik al een beetje meende te kennen uit de aan hem gerichte en door mij gretig verslonden heimwee-brieven van Koos Schuur: “En de kookaburra lacht”; de in zijn schuchterheid zo beminnelijk overkomende Remco Campert en Bert Schierbeek, door Lucebert in zijn eerste brief omschreven als: “… een gewiekste waterrat met klompen aan en een goddelijke misthoorn in het achterhoofd”.
Ze waren in twee auto’s uit Amsterdam gekomen, hun uitgevers achter het stuur.
[…]
Lucebert zelf zag er precies zo uit als hij eruit moest zien: hij had een bleek gezicht, een apostelbaardje en hij droeg een zwarte trui met hoge boord en een zwarte cape om de schouders. Hij las prachtig voor; hij zong zijn gedichten op een manier die ik onmiddellijk in verband bracht met jazzmuziek. Zoals hij ‘pop’ zei, of ‘Lilith’…

Na afloop van de literaire avond besluit het gezelschap nog wat te drinken in Nijmegen.

Maar waar? In het Carlton. Waar was dat precies? En wie zou in welke auto gaan zitten? Lucebert vroeg me of het ver was. “Nee hoor, ongeveer tien minuten.” “Laten we dan maar vast vooruitgaan.” Buiten sloeg hij zijn lange, wollen cape om me heen en zo liepen we samen door nachtelijk Nijmegen.
In het Carlton was het halfdonker en stil. Tafeltjes met pluchen kleedjes waaraan hier en daar een paar mensen gedempt zaten te praten. Ik was nog nooit in zo’n gelegenheid geweest. “Waar zullen we gaan zitten?” vroeg Lucebert. Ik wou aan een tafeltje bij het raam.
[…]
Toen kwam die lange uitgever naar ons toe: het liep tegen twaalven en ze hadden nog een lange rit voor de boeg.
Zo laat al? Ik hoopte dat er nog een tram zou rijden.
De uitgever vroeg me waar ik woonde.
“In Zetten, in de Betuwe. Maar ik slaap bij de ouders van mijn vriendin.” Of ze me daar dan even zouden afzetten? “O nee, dat hoeft helemaal niet. Het is een heel eind om.” Maar voor ik het wist zat ik op de achterbank, naast Lucebert en daarnaast zat de stewardess. Voorin, naast de uitgever die stuurde, zat Bert Schierbeek. Men sprak over de zo geslaagde avond en toen we langs een etablissement kwamen dat tot grote vreugde van mijn medepassagiers “De Apendans” heette, ondervroeg men mij over het nachtleven in Nijmegen. Tevergeefs, want daarover wist ik niets te melden.

Toen waren we er. Kijkend met de ogen van de anderen zag ik een burgerlijke maar indrukwekkende villa staan, Willink-achtig verlicht door de maan. Lucebert ging met mij de auto uit en over het grindpad bracht hij me tot aan de voordeur waarna hij me op mijn mond kuste en ik weet nog hoe vreemd dat voelde, met die baard.

De Vreede spreidt veel oog voor detail tentoon, in haar hele artikel. ‘De Apendans’ bestond inderdaad, dat was een lunchroom aan de Augustijnenstraat (vlak bij de Grote Markt), de tram reed ook (nog net) in Nijmegen. Alleen is er in de stad, voor zover mij bekend, nooit een Carlton-hotel geweest (ook navraag bij het levende stadsgeheugen dat de Facebook-site ‘Oud Nijmegen’ is, leverde niets op).

Met even zoeken in het digitale archief van ‘De Gelderlander’ is nu ook vast te stellen wanneer de bewuste avond geweest is: op 23 maart 1954. Het ‘kleine bovenzaaltje’ waarover De Vreede spreekt, was in ‘Huize Ditsel’, op de hoek van de Canisiussingel en de Van der Brugghenstraat (waar de ingang was). Het gebouw, eigenlijk dansschool, werd in die tijd voor allerlei culturele en literaire evenementen gebruikt.

In de lokale pers is geen verslag verschenen over het verloop van de literaire avond met deze groep later zo prominente dichters (van wie er drie zowel de PC Hooftprijs als Prijs der Nederlandse Letteren zouden krijgen). Zo opzienbarend als een paar jaar eerder in het Amsterdamse Stedelijk museum zal het allemaal niet geweest zijn.

Maar we weten nu in elk geval wel precies wanneer de Vijftigers Nijmegen bezochten en waar dat was. Omgerekend naar nu is de toegangsprijs 1,80€ – da’s toch een koopje voor zoveel talent.