Van een bijzin en een stijlfiguur: Neerlandici, let op u saeck

Via dbnl.nl

Door Siemon Reker

Minister Algera van Verkeer en Waterstaat maakte een grapje in 1955, toen hij een geachte afgevaardigde aanhaalde en op diens woorden varieerde door te zeggen, volgens de Handelingen: “Oh, Nederland; let op u saeck, want in het huidige Kabinet zitten drie Friezen.” Saeck, schreven de stenografen in overeenstemming met de gewoonte. Die veranderde in die parlementaire verslagen al snel bij de weergave van het bezittelijk voornaamwoord, want u werd uw, overeenkomstig de dan contemporaine regels van het Nederlands.

In 1955 was het nog heel gewoon als juristen een bepaalde redenering afdeden als een vreemde figuur. Wie op dat terrein afweek van de gangbare route van A naar B naar C handelde niet volgens de juridisch gangbare ‘manier waarop iets in zijn werk gaat’. Zo omschrijft Van Dale het woord figuur dat in dit verband passend is. Als variant op vreemde figuur kwam – afgaande op de Handelingen – laat in de vorige eeuw de combinatie rare figuur op:

  • Peter Lankhorst (GroenLinks 1993): “Het is toch een rare figuur om in december nog met deze staatssecretaris over de begroting te spreken, wetende dat hij een paar weken daarna weg is.”
  • Eimert van Middelkoop (GPV/CU 1994): “Dat lijkt mij juridisch gezien een rare figuur.”

Figuur is volgens Van Dale ook een verkorting van stijlfiguur ‘niet-rechtstreekse uitdrukkingswijze, beeldende omschrijving (…)’. Dan zitten we in een andere faculteit, Rechtsgeleerdheid is vervangen door Letteren. Soms gebruiken sprekers stijlfiguur in die letterkundige betekenis, maar dat is duidelijk op z’n retour. Nog net voor 2000 vind ik een citaat in de Handelingen van Femke Halsema (GroenLinks) waaruit duidelijk wordt dat stijlfiguur dat eerdere, juridische figuur kon vervangen: “Mijn fractie blijft het een vreemde stijlfiguur vinden dat (…)” (1999).

Camiel Eurlings (CDA) zegt volgens het verslag enkele jaren later: “Ik blijf het een vreemde stijlfiguur vinden dat wij (…)” (2002). Eurlings bleek ook als minister een liefhebber van de term stijlfiguur, zowel in oude als in nieuwe betekenis.

Maar in dat opzicht legt Camiel het af tegen Diederik. Ik citeer vrij lukraak:

  • “Nogmaals, ik vind het een rare stijlfiguur dat de staatssecretaris een reactie moet geven (…)” (Samsom 2006)
  • “(…) en nu creëert de heer Duyvendak de zeer merkwaardige stijlfiguur dat,(…)” (Samsom 2007)
  • “ (…) dat lijkt mij bovendien een ingewikkelde stijlfiguur.” (Samsom 2010)
  • “(…) is dat hele Catshuisberaad natuurlijk een rare stijlfiguur geworden.” (Samsom 2012)

Merkwaardige, rare, ingewikkelde – de term stijlfiguur is vroeg in de 21ste eeuw een negatief begrip geworden dat Van Dale in deze betekenis nog niet heeft ontdekt.
Het lijkt logisch, te veronderstellen dat de negatieve combinatie geen stijl die taalverandering heeft bevorderd. Minister De Gaay Fortman (Binnenlandse Zaken) helpt ons, te bepalen wanneer deze collocatie opkwam. In 1970 zegt hij: “Daarvan zei men terecht, dat het – laat ik het nu maar in woorden van deze tijd gebruiken – geen stijl was, dat (…)”.

Figuur als afkorting van stijlfiguurgeen stijl als negatieve aanduiding; naast het juridisch vreemde komen andere geringschattende kwalificaties zoals rare figuur en dat samen leidt tot het huidige gebruik van stijlfiguur in afwijzende, niet-literaire zin. Minister Hoekstra (Fiannciën) is dé grote gebruiker ervan.

We kenden al het negatieve gebruik van semantiek, voorheen neutraal een technische aanduiding voor een interessant deel van de taalkunde, nu in politicis ‘haarkloverij’. Zie een stukje daarover als onderdeel van het Woordenlijstje van Rutte semantiek = gezanik over de precieze inhoud, bah.

Wie bij Nederlands ontleding kreeg, leerde dat deze zin achtereenvolgens een BZ en een HZ bevatte. Voor de goede orde: een bijzin “Wie bij Nederlands ontleding kreeg” en de hoofdzin “leerde dat deze zin achtereenvolgens een BZ en een HZ bevatte”. Sterker, de hoofdzin is nog maar nauw begonnen of er volgt alweer een bijzin: “dat deze zin achtereenvolgens een BZ en een HZ bevatte”. Het is bijna éen lange bijzin.
Wie tegenwoordig luistert in de Tweede Kamer, komt er achter dat de technische term bijzin een negatief begrip is geworden in de sfeer van ‘er bijna achterbaks ertussen gefoefeld’. Neem Geert Wilders in het corona-debat van de vorige week: “Inderdaad, hij heeft gisteravond in een bijzin een paar keer gezegd — dat hebben 7 miljoen mensen ook wel gehoord — “als dat ook kan”.”

Hoe lang is het nog toeval als uit één vakgebied minstens drie technische begrippen een negatieve lading krijgen in politiek taalgebruik? Neerlandici,…

Dit stuk verscheen eerder op het blog van Siemon Reker