Rijm in de Reynaert

Door Marc van Oostendorp

Aan het begin van zijn vertaling van Reynaert de Vos geeft Ard Posthuma meteen zijn visitekaartje af ‘Willem, die Madocke schreef, / en er lang voor wakker bleef / hem zat dwars dat er op heden / van Reynaerts wederwaardigheden / in onze taal geen boek bestond’. Zijn taal is een tikkeltje archaïsch (‘op heden’ / ‘wederwaardigheden’), maar zonder dat het stoort, en soepel genoeg om in een middag door te lezen.

Oorspronkelijk verscheen de vertaling in 2008; de Groningse uitgever Kleine Uil heeft hem nu opnieuw uitgegeven, voor zover ik kan nagaan ongewijzigd, en met ook bijvoorbeeld een ongewijzigd voorwoord. In dat voorwoord zet Posthuma zeg af tegen de hertaling van Ernst van Alphen, die rijmen gebruikte als ‘slagzwaard’ / ‘gedagvaard’, ‘schandstuk’ / tand stuk’ of ‘bloot stond’ / ‘schootwond’. “Zelf heb ik een dergelijke taalacrobatiek gepoogd te vermijden”, schrijft Posthuma.

Het is een criterium waar geloof ik nog maar weinig literatuur over bestaat: in hoeverre dient de vertaler gebruik te maken van dezelfde rijmtechniek als de oorspronkelijke dichter?

Doet Posthuma dat zelf eigenlijk wel? Om dat te achterhalen, moet je eigenlijk meer weten over de rijmtechniek van Willem. Ook die is geloof ik nog niet uitgebreid onderzocht, al is er wel een inzichtelijk artikel van Rik van Daele. Opvallend aan de eerste regels van Posthuma’s vertaling is rijk rijm (heden / wederwaardigheden). vind je sporadisch (in totaal zo’n tien keer) ook wel bij Willem:

In spapen spijker een wulf ghevaen,
Die hem selven hadde ghevaen

Mijn scone liere ende dine hoghe.
Ghawi ende hanghene so hoghe

Aan de andere kant vind ik bij Willem geen equivalent van het volgende staaltje van ‘taalacrobatiek’:

Hier ligt Coppe, onze hen,
Die zo goed kon scharrelen,

Sowieso vind je bij Willem eigenlijk geen rijmwoorden die eindigen op twee sjwa’s, met één uitzondering, die meteen laat zien dat de dichter er niet veel raad mee wist:

Ende ghincker met al omme zwinghen.
Ludolf metten crommen vingheren

Feitelijk kende Willem maar twee soorten rijm: beklemtoonde lettergrepen aan het eind van de regel:

Ghi hebt hu anscoen afghedaen,
Ic wane ghi wilt zinghen gaen

of klemtoon met nog een sjwa-lettergreep (of in ieder geval een lettergreep met een gespelde e) na klemtoon). De laatste vorm heeft de meerderheid, waarschijnlijk omdat veel woorden in het middelnederlands nog op een sjwa eindigden:

Die eecke was ontdaen wel wijde.
Des was Reynaert arde blide.

Dit alles betekent dat Reynaert alleen een rijmwoord kon zijn omdat de klemtoon lag op aert:

‘Ghi secht waer,’ sprac Reynaerd,
‘Waeromme bem ic oec vervaert?

Omdat wij nu klemtoon leggen op Rey, en Posthuma zich niet wilde bezondigen op ‘taalacrobatiek’, kan hij Reynaert eigenlijk niet in rijmpositie gebruiken, al doet hij dat soms wel (zie hieronder). In plaats daarvan gebruikt hij een keer een verkorte vorm van de naam die bij Willem niet voorkomt:

‘Je hebt gelijk’, antwoordde Reyn,
‘waarom zou je daar bang voor zijn?’

Overigens permitteert Willem zich af en toe – slechts heel zelden – een net-niet-helemaal goed rijm, maar daar wil Posthuma niet aan:

Die pape liet den cruus staf
Ghestichte slaen, slach in slach

de paap met herderlijke staf
rammelde hem duchtig af

Es ghedaen mesdaet, men saelt zoenen.
Men sal den wulf enten beere doen comen

(Ik denk niet dat in Willems dialect staf toevallig rijmde op slag en dat later de spelling is aangepast: staf rijmt elders op gaf en slag op lach.)

Interessant in dit verband is dat de slot-n voor het rijm af en toe kon worden genegeerd:

Hets waer, ghi sout mi hebben ghedient
Van eere saken in den woude,
Daer ghi qualic in hebt ghehouden
Die eede die ic hadde ghezworen.’

Het geldt ook voor slot-s en slot-t:

Die een slouch, de ander warp.
Lamfroyt was hem alre scaerpst

Dat negeren van n, s en t (coronale slot-klanken) is nog steeds niet ongebruikelijk in bijvoorbeeld liedteksten, maar Posthuma waagt zich er nergens aan.

Twee keer wijkt Willem af van zijn strikt gepaard rijm, in beide gevallen om drie regels met hetzelfde rijm achter elkaar te zetten:

Al te langhe, sprac Reynaert,
Doe so namen si up die vaert
Tybeert ende zijn oem Reynaert

‘Getreuzel ligt niet in mijn aard.’
En ze vertrokken met een vaart,
Tybeert en zijn oom Reinaert.

Dit is dus tevens een voorbeeld van hoe Reinaart klemtoon krijgt op de laatste lettergreep. Ook in het andere voorbeeld neemt Posthuma de afwijking van het rijmschema over – dat kan overigens ook moeilijk anders, omdat hij duidelijk ook het aantal regels gelijk wil houden:

Pancer die bever, och Bruneel
Dat water var, dat butseel,
ende dat een coren heere Rosseel

verder de roerdomp Vreetteveel,
en de stijfkoppige Bruneel
en de eekhoorn, heer Rosseel,

Alles bij elkaar blijft Posthuma dus inderdaad dicht bij het rijm van Willem – zelfs als dat soms ten koste moet gaan van de klemtoon of de lengte van eigennamen. Alleen heeft hij af en toe het rijm wat ‘gefatsoeneerd’, een paar uitzonderingen die Willem zich toestond, daar waagt Posthuma zich niet aan.

Voor dit stukje heb ik een rijmwoordenboek gemaakt, waarin alle rijmparen in de Reynaert staan gedocumenteerd. Hier. (Ik gebruikte deze editie op de DBNL om dit automatisch te genereren.)