Literatuur in het centraal examen?

Een reactie op de reeks ‘Het ideale eindexamen’ (2)

Door Helge Bonset

Een mogelijkheid om de vakinhoudelijke component van het centraal examen Nederlands te vergroten is de opname van literatuur. Daarvoor hebben meerdere auteurs gepleit, waarvan Jongenelen zijn voorstel het meest heeft uitgewerkt. Ik bespreek zijn voorstel in vergelijking met de wijze waarop literatuur geëxamineerd wordt in het International Baccalaureate Dutch A Language and Literature en daarna bekijk ik de (on)mogelijkheden van beide vormen voor toetsing in het centraal examen.

De boekenlijst                                                                                                                                                          

Zowel bij Jongenelen’s centraal examen als bij het IB-examen is er een verplichte leeslijst.  In Jongenelen’s voorstel wordt die jaarlijks landelijk bepaald voor alle docenten en hun leerlingen. Wie de leeslijst dan bepaalt, blijft in het midden. In het IB-examen wordt de leeslijst bepaald door de docent, die de literaire werken kiest uit twee lijsten: een van voorgeschreven Nederlandse auteurs en een van voorgeschreven auteurs uit de wereldliteratuur.

Bij Jongenelen lezen de leerlingen 4 (vmbo), 5 (havo) of 6 (vwo) werken; in het IB lezen ze er 4 voor standard level en 6 voor higher level. Jongenelen noemt concrete werken en motiveert de keuze van die werken uitvoerig, waarvoor ik naar zijn voorstel verwijs. Het IB-examen geeft drie criteria voor het samenstellen van de lijst door de docent: (a) Drie periodes moeten gedekt zijn (b) Een Vlaamse roman moet op de lijst staan (c) Drie verschillende genres moeten op de lijst staan.

De werkwijze in de klas 

IB-docenten bespreken alle werken met de leerlingen in de klas. Ze geven informatie over de achtergrond van ieder werk, plaatsen het in een context, laten zien hoe je het werk literair analyseert en bespreken uitgebreid het taalgebruik. Ze geven ook opdrachten bij de werken om de leerlingen te laten oefenen met zelf analyseren en plaatsen in de context. Daarnaast oefenen de leerlingen in het schrijven van literaire essays, omdat dat de opdracht is die ze krijgen in het examen.

Jongenelen gaat niet in op de werkwijze in de klas, maar voor de hand ligt dat ook in zijn voorstel sprake is van klassikale behandeling van de werken, en oefening met het type vragen en opdrachten die in zijn examen aan de orde komen.

De vragen/opdrachten en de criteria                                                                                                                            

Hierover zegt Jongenelen: “Omdat de examenteksten ruim op tijd bekend zijn, kan iedereen mogelijke examenvragen insturen. Een commissie van docenten Nederlands (uit het VO, HBO en WO) en toetsdeskundigen zal uit de binnengekomen mogelijke examenvragen een selectie maken van min of meer schoolse vragen (over vertelperspectief, rijm, strofebouw et cetera) en min of meer academische vragen waar het vervolgonderwijs zich mee bezighoudt (bijvoorbeeld over de schrijver als intellectueel in het publieke debat).” Verdere informatie over de vragen geeft Jongenelen niet, maar ik neem aan dat het zal gaan om (ook) relatief open vragen, die een beroep doen op niet alleen het kennis- maar ook het vaardigheidsaspect van literaire competentie. 

In het IB-examen schrijven de leerlingen een essay over de gelezen werken. Ze kiezen éen opdracht uit 6 opdrachten; in de uitwerking van de opdracht moeten ze zich baseren op minstens twee van de gelezen werken en daarbij de taal en de context van de twee werken analyseren. Hiervoor krijgen ze twee uur de tijd. Een paar voorbeelden van opdrachten:

  • Het perspectief van waaruit een tekst geschreven is, heeft invloed op de manier waarop de lezer zich betrokken voelt bij de gebeurtenissen. Beschrijf voor minstens twee van de werken die je bestudeerd hebt in hoeverre het gekozen perspectief de betrokkenheid van de lezer bij het verhaal beïnvloedt (2014).
  • Soms ondergaan personen in een tekst een belangrijke omwenteling, die echt of symbolisch kan zijn. Bespreek voor minstens twee van de bestudeerde werken zo’n omwenteling en leg uit waarom de auteur hiervan gebruik maakt (2015).
  • In sommige teksten komen geestesgesteldheden voor die niet als normaal beschouwd kunnen worden. Bespreek voor minstens twee van de werken die je hebt bestudeerd, de betekenis en het belang hiervan voor de tekst in zijn geheel (2016).

De criteria waarop het essay wordt beoordeeld, zijn: 

  • A. Knowledge and understanding                                                                                                                            
  • B Response to the question                                                                                                                           
  • C Understanding of the use and effects of stylistic features                                                                                  
  • D Organizing                                                                                                                                                                    
  • E Using language

Deze criteria worden gehanteerd in de vorm van rubrics met een 5 puntschaal, en zijn daarin nog weer uitgewerkt in de vorm van subvragen. De eerste drie criteria hebben betrekking op de kwaliteit van het essay vanuit wat we literaire competentie noemen, de laatste twee op de adequaatheid van de structuur en het taalgebruik.

De beoordelingsprocedure                                                                                                                                        

Het essay in het IB-examen wordt nagekeken door éen examinator, die niet verbonden mag zijn met de leerlingen van wie hij het werk nakijkt. De schil van examinatoren staat dus los van de docenten. Examinatoren doen vooraf een korte onlinecursus die vooral bestaat uit het beoordelen van oude examens. Als het toegekende cijfer de docent tegenvalt, in vergelijking met hoe hij eerder werk van de leerling heeft beoordeeld, kan deze het werk (tegen betaling!) opvragen en een verzoek indienen voor een ‘second opinion’. Het werk wordt dan opnieuw nagekeken door een andere examinator. Het dan toegekende cijfer is bindend.  

Jongenelen gaat in zijn voorstel niet in op de beoordelingsprocedure.

Haalbaar en wenselijk?                                                                                                                                               

Is het haalbaar en wenselijk om literatuur te gaan toetsen in het centraal examen op (ongeveer) de hierboven beschreven manier?                                                                                                               

Er zijn duidelijke voordelen. Het centraal examen geeft een betere dekking van het vak Nederlands als twee belangrijke domeinen daarvan erin opgenomen zijn, en niet zoals nu alleen Leesvaardigheid (inclusief argumentatieve vaardigheden). Het betekent ook een vergroting van de vakinhoudelijke component van het centraal examen, belangrijk voor de mensen die dat noodzakelijk vinden.

Opname van literatuur in het centraal examen betekent een flinke opsteker voor het literatuuronderwijs qua status, wat waarschijnlijk resulteert in meer aandacht ervoor in de klas en in methoden.

Maar er zijn even duidelijke nadelen, in de vorm van problemen.                                                                        

Het grootste probleem is de verplichte leeslijst. Die staat haaks op een wat mij betreft belangrijke doelstelling van het literatuuronderwijs:  dat leerlingen zelf literaire werken leren kiezen en daarbij hun eigen smaak ontwikkelen. Zowel het voorstel van Jongenelen als het IB-examen laten daarvoor geen ruimte; keuzevrijheid is er in het IB-examen alleen voor de docent. 

Over een verplichte leeslijst kan ook veel nationale commotie ontstaan. Jongenelen is daarover tamelijk optimistisch: “Betrokkenen, bijvoorbeeld ouders en docenten in het vervolgonderwijs, kunnen meelezen en meediscussiëren. Zo wordt het examen Nederlands een nationaal onderwerp en daarmee wordt het vak Nederlands maatschappelijk relevant. Alsof de poëzieweek, boekenweek en Nederland leest samengebald worden tot een fenomeen dat ertoe doet.” Ik zie zelf eerder een eindeloze reeks talkshows voor me met schrijvers, journalisten en docenten die de willekeur en onrechtvaardigheid van de gemaakte keuzes aan de kaak stellen, en hoog opgeven van de onwenselijkheid van gecanoniseerd literatuuronderwijs.                       

Een tweede probleem, dat met de verplichte leeslijst samenhangt, is de uitsluitend klassikale behandeling van de literaire werken. (Aangenomen dat er geen tijd en ruimte is om leerlingen daarnaast nog individueel boeken te laten lezen). Ik vrees dat het ook de beste docent niet mee zal vallen om hierbij recht te doen aan een andere belangrijke doelstelling van het literatuuronderwijs: aansluiten bij de leeservaringen van (alle) leerlingen, en vergroten van hun plezier in lezen. Maar misschien onderschat ik de mogelijkheden van zo’n exemplarische introductie in de Nederlandse literatuur; het zou interessant zijn IB-docenten naar hun ervaringen te vragen.

Een derde probleem is de beoordelingsprocedure. Als gekozen wordt voor relatief open vragen over de gelezen werken zoals bij Jongenelen, ligt het conflict tussen validiteit en betrouwbaarheid op de loer. Hoe interessanter en uitdagender de vragen, hoe minder mogelijkheden tot een betrouwbare beoordeling, en vice versa. 

Een essay schrijven over de gelezen werken zoals in het IB, is een mooie, optimaal uitdagende opdracht, maar beoordeling door éen beoordelaar levert natuurlijk een volstrekt subjectieve uitkomst, ook al is het een externe beoordelaar en zijn er criteria vastgelegd. Een ander lastig punt is het aanzienlijke beroep op schrijfvaardigheid dat een essay doet, zodat niet voldoende duidelijk is in welke mate literaire competentie wordt getoetst dan wel schrijfvaardigheid. Klaarblijkelijk wegen deze problemen voor het IB niet zwaar, maar ze lijken me lastig oplosbaar in de praktijk van ons centraal examen.

Literatuur in het centraal examen? Alles afwegend zeg ik nee. Literatuuronderwijs gedijt beter in de context van het schoolexamen, waar leerlingen een individuele leeslijst kunnen samenstellen, en waar meer mogelijkheden voor toetsing zijn (ook die van het essay), omdat aan de in het schoolexamen getoetste domeinen minder zware (want geen landelijke centrale) betrouwbaarheidseisen gesteld hoeven te worden.

Met dank aan Inge Jansen en Job Mager voor hun achtergrondinformatie over het IB Dutch A Language and Literature.