‘Het loon der gastvrijheid’ (1839)

Jeugdverhalen over joden (89)


Tot zijn verbijstering treft de Lijflandse visser Andries zijn zoon doodgewaande George levend aan in een herberg. George wordt liefdevol ondersteund door de joodse marskramer Ephraïm. Illustratie van Carel Christiaan Anthony Last (1808-1876) in Philarete, tijdschrift voor de jeugd (1837).

Door Ewoud Sanders

Auteur: onbekend
Moraal: wie goed doet, goed ontmoet
Waarschijnlijk vertaald uit het Duits

Herkomst en drukgeschiedenis

Het verhaal ‘Het loon der gastvrijheid’ is in 1839 gepubliceerd in Philarete, tijdschrift voor de jeugd. Dit weekblad werd toen uitgegeven door H. Nijgh in Rotterdam.

Samenvatting

Ephraïm is een joodse marskramer uit Warschau. Hij verkoopt onder meer textiel en tabak. Op een koude winteravond, kort voor kerst, raakt hij tijdens een sneeuwbui de weg kwijt in een afgelegen streek in het hertogdom Lijfland (een streek in het huidige Estland en Letland). Uitgeput knielt hij neer; hij bidt God om uitkomst. Op dat moment ziet hij in de verte licht fonkelen.

         Dat licht komt van een vuur dat zojuist is aangestoken door Andries. Andries is een arme visser die de wanhoop nabij is omdat hevige concurrentie het voor hem steeds moeilijker maakt om vis te verkopen. Zijn vrouw is ziek en zijn zes kinderen hebben niet genoeg te eten.

         Dit weerhoudt Andries er niet van om Ephraïm, nadat die heeft aangeklopt, warm te ontvangen. De joodse marskramer krijgt een kop thee en ‘Andries wierp nog een blok op het smeulend haardvuur en hing den verkleumden jood zijne eigen pij over de schouders, in plaats van den druipnatten mantel’.

         Andries bespreekt met Ephraïm de problemen in de vishandel. De marskramer adviseert hem om vis te gaan verkopen in Warschau. ‘Bedenk toch dat de menschen doorgaans de voorkeur geven aan hetgeen van verre komt.’ Als Ephraïm de volgende dag vertrekt, laat hij diverse geschenken achter, waaronder een warme omslagdoek voor de vrouw van Andries. Aan de visser geeft hij een ‘groot zilveren geldstuk’.

         Een week later vertrekt Andries met grote korven gevuld met vis naar Warschau. Zijn zoon George, een jongen van veertien, vergezelt hem. Maar de tocht is heel zwaar en onderweg blijkt de jongen dood achterin de wagen te liggen. Pogingen om hem bij te brengen zijn tevergeefs. Dit alles heeft plaats bij een herberg niet ver van Warschau.

         Na lang aarzelen besluit Andries zijn tocht naar Warschau voort te zetten. Hij wil niet én met een dood kind én met lege handen thuiskomen. Daarom begraaft hij George ‘onder het smartelijkste zielslijden’ aan de rand van een bos ‘diep in de sneeuw’.

         De verkoop in Warschau loopt voorspoedig: binnen enkele uren is alle vis verkocht.

         Als Andries op de terugweg zijn dode zoon wil opgraven, vindt hij een leeg graf. Hij ziet voetstappen in de sneeuw. In paniek rijdt Andries naar de herberg.

George blijkt slechts schijndood te zijn geweest. ‘Gods wonderkracht’ heeft ervoor gezorgd dat Ephraïm, slechts een uur nadat Andries zijn zoon heeft begraven, in de buurt van het sneeuwgraf halt houdt. Hij ziet in het maanlicht de omslagdoek liggen die hij een week geleden aan Andries’ vrouw heeft gegeven. Ook hoort hij van onder de sneeuw gezucht en gekreun. Hij brengt George zo snel mogelijk naar de herberg en stopt hem in bed.

         Juist op het moment dat de wanhopige Andries de herberg binnenstapt, opent George zijn ogen. ‘Hij staarde het wonder aan…. en vloog naar het bed, van waar de wedergevonden zoon de matte armen naar hem uit stak. De blijde vader drukte den knaap aan het dankbare hart, en zonk met het hoofd in de kussens. Men wist niet of hij weende, dan of hij bad.’ In zijn onschuld zegt George dat hij het jammer vindt dat hij Warschau heeft moeten missen.

         ‘Dat verlangen van den knaap bleef echter niet onbevredigd. Zoodra Andries een weinig bekomen was van de hevige schokken, die hij had doorgestaan, bragt hij zijn wedergevonden kind in het huis van den braven Ephraïm, en beval het verder aan de liefderijke verzorging van den jood aan, terwijl hij zelf huiswaarts keerde, God onophoudelijk prijzende voor de groote weldadigheid die hem bewezen was, en Zijnen zegen afbiddende over den edelen man, die hem eene geringe liefdedienst zoo ruim had vergolden.’

Doelgroep

Het tijdschrift Philarete was bestemd voor kinderen van twaalf tot zestien jaar.