‘Het is tijd’

Door Marc Kregting

In 2004 publiceerde Leen Huet de prachtige kleine encyclopedie Mijn België. Ze bevat uiteenlopende lemma’s die iets blootleggen over het titelland. Na daar bijna twee decennia te hebben doorgebracht ontsnapt me in coronatijd een suggestie voor een toevoeging aan dit boek: rolluik. Ik zie dat ding niet alleen dagelijks in de straten neergelaten worden, het geratel waarmee dit zich kenbaar maakt is een zogeheten wake-upcall. Het doet me langs mijn oren beseffen dat het schemert. 

Met een rolluik kan zonlicht worden geweerd. Aldus zouden Belgen vooruitlopen op de opwarming van de aarde, maar ik denk niet dat dit aan de orde is. Overdag blijven de rolluiken immers open. Hun functie schuilt in het zich hermetisch afsluiten van de wereld na werktijd; lantaarnlicht doet niet ter zake en de setting beperkt zich tot de bewoner(s) en eventuele genodigden. Dat ik zoiets opmerk, verklapt iets over mijn afkomst. Nederland is door Rudy Kousbroek een bewoond gordijn genoemd. Wie er ’s avonds door straten loopt, kan zonder moeite bij mensen binnenkijken. Het gordijn blijft open en de belichting vanuit huis zelf, inclusief aureool boven de eettafel en staande schemerlamp bij de bank, helpt een externe blik. Zo is de avond in Nederland het vervolg op een architecturaal specialisme dat zijn naam dankt aan een lichtverwelkomer: de doorzonwoning. Vervolgens valt transparantie te verbinden met botheid en commentaardrift die Nederlanders aankleven, terwijl in België het rolluikeffect de zegswijze ni vu ni connu opwekt.

Dat taal en woongeplogenheden kunnen samenhangen, bleek al uit het woord ‘Verkavelingsvlaams’. Daarmee muntte Geert van Istendael in 1989 tussentaal, gebezigd op de plaats van handeling die buitenstedelijk is en verder in vaagheid wordt gehuld. Voor een verkaveling die ooit landbouwgrond was of ‘groene zone’ ontbraken bestemmingsplannen. In het landschap konden zo vrijstaande huizen verschijnen, opgetrokken door sociaaleconomisch welgestelde stadsvluchtelingen. Inmiddels heten die mensen ‘geprivilegieerd’. Daarin verschillen ze van hen die mogelijk als hun Noord-Nederlandse evenknie gelden: sprekers van het Poldernederlands (Jan Stroop, 1998). Volgens Van Istendael ontbreekt het Verkavelingsvlamingen aan kennis van hun eigen taal. Ze zouden er veeleer een gevaar voor zijn en ontplooien een ‘nouveau-richeprovincialisme’. Wat daar ook van zij, tijdens fietstochten door het Vlaamse land, heden van overheidsdoping voorzien dankzij het coronavirus, is me aan de recentste architectuur op den buiten iets opgevallen wat woorden verdient.

Superisolerend

Zodra stadsstraten in België meer ruimte laten tussen stoep en huis, bijvoorbeeld voor een tuintje, wordt de publieke blik andermaal geblokkeerd. Er rijzen hekken op of heggen. De groene optie sneeft onder grint, zodat het wagenpark (niet zelden twee per huis) parallel aan de looprichting gestald kan worden. Pontificaal vóór deur en voorraam manen knorrende beesten tot eerbiedige afstand. Indien ik de blik omdraai en vanuit huis kijk, zou de Nederlander in mij protesteren dat zijn uitzicht wordt belemmerd. Maar wellicht is die hinder ingecalculeerd. Wat er op stoep en straat gebeurt, onttrekt zich aan het zicht. In haar roemruchte boek The Death and Life of Great American Cities (1961) wilde Jane Jacobs de volwassen blik opladen met ‘publieke verantwoordelijkheid’, voor spelende kinderen bijvoorbeeld, maar in België geldt dat als bemoeizucht die als ongewenst ervaren wordt. 

De ruimte tussen stoep en huis is een corridor, op afstand bestuurd door de eigenaar. Zelden ligt er niet-omheind gras waarover men het pand onbeschroomd zou kunnen naderen. Door verkavelingen wordt deze gedragslijn slechts benadrukt. Het huis ligt verder naar achteren, weg van de straat. Er is relatief uiteraard meer gras, maar dat getuigt van beperkingen omdat het gecultiveerd is, op het karikaturale af. Zacht geritmeerd en strak geschoren trekken boompjes en beeldjes de aandacht boven het groene oppervlak. En het gras is zo kort gemaaid dat het naar passanten lijkt te grommen en bij de eerste voetstap over de grens Nederlands ‘Van mijn erf!’ zou blaffen. Maar die kreet was bedoeld voor boerderijen, terwijl het hier een soortement vestingen betreft.

Omdat ik ook nogal geprivilegieerd ben, kom ik daar soms. Dan ben ik na al die jaren als immigrant in België nog verbaasd en voel mijn Nederlandse inborst kloppen. Naarmate ik namelijk verder in die vestingen doordring, verdwijnt de schemer – tot ik ter achterzijde in hel licht vertoef, waar de tuin organisch aansluit. Mijn stelling is dat aan deze natransparantie een technologische ontwikkeling ten grondslag ligt. Ramen kunnen inmiddels zo geluids- en warmtedicht zijn, dat hun superisolerend glas geen enkele barrière meer hoeft op te werpen. Maar alleen ver verwijderd van de voorkant, zoals de bouwtraditie wil. Het centrale woongenot heet hier te schuilen in koterijen, aanbouwelementen ter achterzijde. Volgens Van Istendael zou België geen België zijn zonder deze curiositeiten die worden omgeven door chaos en wetteloosheid, terwijl de saaie orde in Nederland heet gedomineerd door schoonheidscommissies. Koterijen groeien praktisch mee met de behoeften. De moderne glasvariant mag dan wel esthetischer zijn, blatant modernistisch desgewenst, nog steeds kunnen bewoners er in hun allerindividueelste privacy niet worden gezien.

Over verkavelingspopulaties in de staat Suburbia bestaan nogal wat opinies. Mensen zouden er niet echt getuigen van een goede smaak. Het aan hen toegeschreven huistype van de fermette moet dat bewijzen. Het is quasi-authentiek en vals nostalgisch, omdat het verwijst naar een arcadisme dat nu juist vernietigd is. Verdwenen zijn bijvoorbeeld open ruimte en grondwater, verschenen zijn asfalt en rioleringen. Wel wordt deze kritiek vooral geventileerd door bewoners van grote steden die zich kosmopolitisch wanen, waardoor verkavelingsbewoners helemaal de vacature van het provincialisme invullen. Ook verklaart de glasvariant in elk geval uiterlijk de oorlog aan arcadisme. 

Toch hebben verkavelingsbewoners in tijden van corona een voordeel dat schandalig is: na publieke ruimte te hebben geannexeerd kunnen juist zij en hun kinderen, anders dan in de grote stad, tijdens de lockdown genieten van privéoppervlak. Dát wil ik pas een privilege noemen. Bovendien bestendigt hun volhardende onzichtbaarheid een vigerende politieke reputatie. Ofschoon zij op verkavelingen de buitenwereld niet ontmoeten, zouden ze er de vreemdste vooroordelen over verspreiden. Notoir zijn Schoten en Brasschaat, boven Antwerpen waar veel aanhang is voor het Vlaams Belang – de partij die zich kant tegen ‘allochtonen’ die er amper te vinden zijn. Vanuit dat perspectief citeerde ik in mijn boek De ware marsrichting dit gedicht van Charles Ducal, getiteld ‘Ook in dit dorp’:

Het is tijd, de tekenen zijn overduidelijk,
zelfs hier in het dorp waar de vijand niet komt.
De kleinsten worden huilend wakker
uit dromen die zij uit de groten hun mond

hebben opgeraapt. Nog blijft het ver, maar niet
zo ver dat de grens van de huidskleur 
nog telt. Ook witte steden kunnen geraakt,
terwijl men een dessert of koffie bestelt

of in de rij staat voor een concert. Het is tijd,
ook in dit dorp, dat men de wereld begrijpt.
’s Avonds als men in de velden gaat wandelen
met zijn hond. Of het vlees grilt op zijn gazon.

De vijand kuiert niet door de velden 
en drinkt geen cava op het gazon.
Hij verplaatst het geweld van elders 
naar hier, bijna hier. Het is tijd, hoog tijd

te begrijpen waarom.

Ik vond dit destijds bijna een uitnodiging voor een jij-bak. Sinds mijn fietstochten zijn geïntensiveerd, weet ik het niet meer zo goed. De recentste verkavelingsarchitectuur verwart me. Om te beginnen dragen de meeste nieuwe huizen een afstotend donkere kleur, van diepgrijs tot zwart. Gelet op de verwachte stijging van de temperatuur onbegrijpelijk. In dezelfde kleur zijn aan de voorkant garages geschilderd, op exact dezelfde diepte in het perceel. Ik zag er onlangs drie op een rij, waarvan de uniformiteit slechts onderbroken werd door twee verboden-te-parkeren-stickers. De vraag drong zich op waarom iemand het risico zou nemen daar weggesleept te worden. Zo ver van de stad en van de straat – zo peilloos in een privédomein.

Misschien fungeerden de garages veeleer als alternatief voor een voorraam, waarvan niets van enige omvang aan moderne verkavelingswoningen te bespeuren is. De garages vertellen een passant nu expliciet dat ze iets hermetisch hebben afgesloten. Zo ontstaat er een breed front. Die belligerente sfeer wordt soms versterkt door camera’s. Wie het perceel dus betreedt met kwade bedoelingen zal dat weten: het bewijs voor ongewenste aanwezigheid kan digitaal worden aangeleverd. Vóór een schijnbaar riante verkavelingswoning zag ik zelfs scheef geplaatste blokken beton, alsof er elk ieder moment tanks konden binnendenderen. Waarschijnlijk zat de voordeur aan de zijkant.

Lust for life

Eén detail maakt deze nieuwe woningen voor mij pas echt unheimisch. Dat er geen serieus raam aan de voorkant zit, kan ik toelichten. Sinds ik erop ben gaan letten zie ik namelijk steeds vaker wel een lichtuitsparing. Ze is smal en hoog en presenteert zich verticaal. Waarschijnlijk is daarachter een trappenhuis, een wervelkolom die bewoners op de diverse verdiepingen met elkaar verbindt. Maar van de buitenkant heeft deze spleet een ander effect, zeker in combinatie met de omringende kleur én met het dak dat veelal plat is. Passanten als ik krijgen uiteindelijk een associatie met een bunker. Het huis valt niet te penetreren terwijl door de lichtspleet een wapen kan worden gericht en geleegd op vreemdelingen. Overdrijf ik? Minstens worden de kansen op uitbraak verlegd naar, wederom, de andere kant van het huis. Dan krijgt de taalmaniak in mij hapklare brokken. Voor geniepigheid en gekonkel bevat Van Dale althans de woorden ‘achterkamertjescultuur’, ‘achterkamertjesoverleg’ en ‘achterkamertjespolitiek’.

Even weinig lucht geeft een alternatieve redenatie over deze dure bunkerbouw. Misschien is daar de buitenwereld simpelweg onbelangrijk, en geeft het voldoening onder elkaar te zijn. In ‘verkaveling’ hoort de gymnasiast in mij, grootgebracht in een tijd zonder camera’s in het straatbeeld, zeker ook Cave canem. Wacht u voor de hond, voor gij mijn have betreedt! En zo niet, dan zult gij in de hel voortleven. Dat brengt me dan weer bij een dialoogje uit de roman High Key van Pol Hoste

‘How do you translate verkaveling?’ 
‘Caves for the people.’
‘They bury themselves, don’t they?’

Dit boek dateert van 1995 en sindsdien zijn er besloten ruimtes populair geworden waar uitgerekend afzondering de basis voor vermaak vormt: mancaves. Ik stel me voor dat het leven daar het meest draaglijk is onder gelijkgezinden, waarna het verder louter nog bidden wordt voor verlossing. Daarbij groeit mijn vermoeden dat geld erg goed van pas komt, en dat denk ik mede door nog een associatie die het smalle verticale raam in mij aanricht: met de gleuf van een spaarpot. Het mag dan wel zo zijn dat een Belg spreekwoordelijk geboren wordt met een baksteen in de maag, voor het bouwen van een eigen huis heeft bepaald niet iedereen (meer) het kapitaal. Dan selecteert het raam misschien zelfs passanten tartenderwijs uit: ‘Jullie ook? Of niet? Wij lekker wel!’

Onsmakelijker is het laatste betekenisveld dat ik wil ontginnen en waarschijnlijk vooral iets zegt over mijn eigen dirty mind. Tot overmaat van ramp werd ik bovendien geïnspireerd door mijn jongste filologie van Herman Broods carnavalslied ‘Maak van je scheet een donderslag’. De zanger vertolkte daarmee in de jaren zeventig de revolutiedrang van dat decennium, met het advies schaamte af te leggen, en fatsoen en meningen van de gevestigde orde tot en met de kerk ernstig te relativeren. Het verzaligd laten wegfloepen van een scheet was een teken van lust for life én van emancipatiedrift. Ongenoemd liet ik een aangrenzend, zowaar rijmend stripverhaaltje waarin Brood onbekommerd dezelfde boodschap verkondigt: ‘Zeg kerel wat zie je pips, ja dat komt m’n wangen zijn m’n bips, maar ik heb alles bij de vleet, want ik woon nu in m’n reet’. Dit exempel is onder Baarle-Nassau in de huidige tijd meer dan ter harte genomen – het is er geradicaliseerd. Bij navolging ervan kon in Broods dagen onbekommerd contact ontstaan, omdat eindelijk iedereen gelijk was. Maar nu? 

Voor ik het laatste betekenisveld daadwerkelijk benoem, herhaal ik in België een vreemdeling te zijn die ongeveer dezelfde taal spreekt. Zoals Kousbroek bij zijn signalement (dat er in Holland dan wel gordijnen waren maar dat ze niet dichtgingen) besefte te kijken vanuit zijn Nederlands-Indische achtergrond. Vervolgens giet ik het schematische verschil tussen Nederlandse en Belgische woningen in lichamelijke termen. In het eerste type kijken we vanaf straat in iemands gezicht, in het tweede type ontwaren we de rug. Dan symboliseert het smalle verticale raam aan de voorzijde van recente verkavelingsarchitectuur, meer dan koterijen ooit konden, pas echt de keerzijde van Belgisch wonen. Als bilspleet die aan de wereld meedeelt: ‘Krijg het schijt!’ 

Of raakte ik begoocheld en ontwaarde ik op de fiets passiefbouw? In dat geval verwijs ik stante pede door naar Leen Huets Mijn België, lemma ‘Glazeniers’.