Gedicht: J.P. Hasebroek • Aniël

Aniël

Zie Aniël. Zij koelt haar blanke voeten
In ’t beekje, daar de zon haar blaakt.
Daar komt een zwaan ze met haar klacht ontmoeten:
‘Foei u, die ’t water troebel maakt!’

Maar Aniël spreekt met een traan in de oogen:
‘Wat vreest ge? O wees gerust, vriendin!
Straks wordt de beek weêr klaar en onbewogen,
En spiegelt zich ’t azuur er in.

‘Maar toen onlangs, in ’t lommer van gindsche elzen,
De jeugdige Erinn, vol van gloed,
Met vlammend oog, als wou hij mij omhelzen,
Mijn schuchtre blikken heeft ontmoet, –

‘O! hadt gij toen dien jongling toegesproken:
– “Ontrust de jonkvrouw niet zoozeer!” –
’t Bewogen hart, waar liefde in werd ontstoken,
Weêrkaatst den hemel nimmermeer.’

J.P. Hasebroek (1812-1896)
uit: Sneeuwklokjes (1878)


Abonnees van Laurens Jz. Coster ontvangen iedere werkdag een gedicht per mail.