‘Garrilus dinke mi wele bedieden someghe menistrele’

Jacob van Maerlant en Chrétien li gois

Afbeelding 1 : Parijs, Bibliothèque de l’Arsenal, MS 5069, f. 91 r.

Door Dirk Schoenaers

Rond 1317-1328 droeg een anonieme dichter een Franstalige bewerking van Ovidius’ Metamorfosen op aan Johanna van Bourgondië, koningin van Frankrijk. De auteur liet uitschijnen dat hij in deze Ovide moralisé een oudere Franse vertaling van het Philomenaverhaal had verwerkt. Op het einde van die me too-geschiedenis avant-la-lettre  veranderden Philomena, haar zus Procne en aanrander  Tereus, de koning van Thracië in een nachtegaal, een zwaluw en een hop. 

De oudere Philomenavertaling zou volgens de anonymus zijn gemaakt door een zekere Chrétien, die éénmaal het raadselachtige  attribuut ‘li gois’ krijgt toegedicht (OM, vv. 2949-2951 in de uitgave van C. de Boer). 

La meisons estoit an un bois
– ce conte Crestiiens li Gois –
loing de villes de totes parz

(Het huis stond in een woud – dat vertelt ons Chrétien li Gois – langs alle kanten ver van de bewoonde wereld verwijderd)

Hoewel er over de betekenis van de toenaam ‘li gois’, in de romanistiek al heel wat inkt is gevloeid, werd er nog geen eenduidige verklaring gevonden. ‘Gois’ zou kunnen verwijzen naar de afkomst van de auteur (een dorp in de Champagnestreek of ‘Ligois’: Luik), een kenmerkende eigenschap (‘vrolijk’ of ‘mankend’) of misschien betekende het wel dat de dichter een dwerg was of uit een joodse gemeenschap kwam. 

In een recent verschenen artikel stelt Eliza Zingesser (Assistant Professor of French, Columbia University) een nieuwe verklaring voor. Volgens haar, moet ‘gois’ gelezen worden als een variant voor ‘geai’ (gaai): Chrétien, de Gaai dus. En inderdaad, wie in het DMF de zoekopdracht ‘gois’ ingeeft, wordt keurig naar ‘geai’ doorverwezen. Daar vind je dan één veertiende-eeuws voorbeeld (uit Le ménagier de Paris) waarin de variant ‘goiz’ middenin een reeks vogelnamen verschijnt.  Dat in een aantal handschriften van de Ovide moralisé niet ‘gois’ maar ‘gais’ te lezen staat, biedt mogelijk verder vaste grond voor Zingessers hypothese of laat vermoeden dat latere kopiisten misschien dezelfde link hebben gelegd.

Uit Zingessers uiteenzetting blijkt verder dat het helemaal niet zo vreemd is dat een middeleeuws dichter zich het vederkleed van de gaai zou aanmeten of  dat iemand anders hem een dergelijke bijnaam gaf. In middeleeuwse naslagwerken stond de gaai immers bekend als een luidruchtige, praatzieke vogel (vandaar de Latijnse naam ‘garrulus’). Daarenboven was hij een uitstekend nabootser van het geluid van andere vogelsoorten. In de middeleeuwse retorica nam imitatio een belangrijke plaats in. Voeg daarbij het arsenaal aan stijlmiddelen en dichtvormen die berusten op de herhaling van klanken, woorden, verzen of refreinen en dan lijkt het inderdaad niet zo gek dat een auteur zich zou beroemen op de repetitieve eigenschappen van vogelgezang of de imitatiekunsten van de gaai. Dat de Ovidiusdichter aan het begin van de veertiende eeuw lijkt te spelen met verschillende vormen van nabootsing en herhaling, wijst erop dat hij deze literaire kneepjes (ook) bij vakgenoten kon waarderen als teken van meesterschap.

Bij wie zijn Middelnederlandse klassiekers een beetje kent, trad er ondertussen ongetwijfeld een luidruchtig Maerlant-alarm in werking. Zingesser maakt de veertiende-eeuwse connectie tussen gaai en dichtkunst enkel op basis van een (plausibele) veronderstelling. Jacob van Maerlant, daarentegen, verbond omstreeks 1270 de gaaiexpliciet met een bepaald type dichter of artiest. Door hen in Der naturen bloeme (vv. 6805-6844) te vergelijken met de garullus geeft hij de minstrelen een stevige veeg uit de pan. 

Afbeelding 2: Den Haag, Koninklijke Bibliotheek, MS 76 E 4, f. 51v

Ook bij Maerlant lezen we dat gaaien babbelziek zijn, spotters, lawaaimakers en meesters in het nabootsen van vogelgezang. Dwaze vogels zijn het, met een bont verenkleed. Net als gaaien, fladderen rondreizende kunstenaars van boom tot boom: ze maken praatjes, kletsen uit hun nek en verspreiden flagrante leugens. Onderwijl zetten ze typetjes neer uit alle lagen van de bevolking en plaveien zo hun pad naar de hel. In tegenstelling tot wat we mogen aannemen over de Franse Ovidiusdichter, toont Maerlant bitter weinig bewondering voor de kunsten van de gaai.

Hoewel zowel Zingesser als Jacob van Maerlant hun analyse laten vertrekken bij de encyclopedische kennis van klassieke en middeleeuwse autoriteiten, leggen ze fundamenteel andere accenten. Terwijl Zingessers waardering spruit uit bewondering voor de kundige imitatie van de gaai, kan Maerlant zich er niet toe brengen om verder te kijken dan de dwaze inhoud van het vogelgekwetter. Dat Maerlant zijn vernietigende oordeel op inhoudelijke argumenten baseert, blijkt verder uit zijn Spiegel historiael. Omstreeks 1288 ging hij in de vierde partie hevig tekeer tegen de dichters van Karelepiek. Dat waren immers borderers en dwazendie leugens rondstrooiden over Karel de Grote en zijn naamgenoten. Eerder al, in de eerste en derde partie had hij duidelijk gemaakt dat hij zich niet zou laten meeslepen door leugens over de wraakacties die volgden op de dood van Alexander, de verhalen over Lancelot, Perceval en Agravain of fantasietjes over de Graal.  

Dat brengt ons netjes terug bij Chrétien, de Gaai. Er is immers wel geopperd dat de Crestiiens van de Philomena Chrétien de Troyes zou zijn, de geestelijke vader van Lancelot, Perceval en de Graal. In dit scenario zou het verhaal van Philomena aan het einde van de twaalfde eeuw in het Frans zijn vertaald,  niet in zelfstandig vorm zijn overgeleverd en ons enkel via de Ovide moralisé hebben bereikt. De twaalfde-eeuwse tekst en de taal waarin ze werd opgeschreven wijzigde onder de pen van de Ovidiusdichter en die van eerdere en latere kopiisten, wat stijlverschillen tussen Philomena en het werk van Chrétien de Troyes verklaart. Het smoking gun is misschien wel de verwijzing naar een vroeger werk in de proloog van Cligès: de metamorfose van hop, zwaluw en nachtegaal – Philomena dus.  Bovendien stelt de dichter zich in één van zijn liederen (‘Amors tençon et bataille’) voor als een vogel met veranderend vederkleed, een gaai misschien?

Aan het slot van deze bedenkingen, begeef ik me graag in het moeras van pure speculatie. Eventuele verwensingen van Jacob van Maerlant neem ik er graag bij. Zingessers verklaring voor het epitethon ‘li Gois’ in de veertiende-eeuwse Ovide moralisée lijkt me plausibel genoeg om te vermoeden dat Jacob van Maerlant niet de eerste of enige was die aan de gaai dacht als metafoor voor dichterlijke activiteit. Afhankelijk van de eigenschappen waarop wordt gefocust, kan dat zinnebeeld staan voor onkunde (Maerlant) of professionaliteit (Ovidiusdichter).  De vraag of Chrétien de Troyes de gaai al een eeuw vroeger als keurmerk of misschien wel geuzennaam (Chrétien de Kwetteraar) gebruikte, doet ons al wat verder wegzinken in de moerasgrond, maar ik acht het niet uitgesloten.  Hoewel we één stap verder alle vaste grond onder de voeten dreigen te verliezen, wil ik toch nog een laatste ballonnetje oplaten. Als Chrétien de Troyes en Crestiiens li Gois inderdaad één en dezelfde persoon zijn en als die laatste toenaam inderdaad verklaard mag worden als ‘de Gaai’, is het dan niet denkbaar dat Maerlants uitval in Der naturen bloeme op één erg specifieke gaai was gericht en dat Chrétien de Gaai een pars pro toto werd voor alle verhalenvertellers? De vraag of het wel geoorloofd is om Chrétien de Troyes als minstreel te bestempelen, doet hier niet ter zake. Als stamvader van een geletterde traditie op schrift, had Chrétien zelf het ook niet erg begrepen op de professionele verhalenvertellers uit het orale circuit. Volgens hem hadden ‘cil qui de conter vivre vuelent’ het verhaal van Eric, zoon van Lac, vakkundig in de soep gedraaid. Een eeuw later kon ook het oeuvre van Chrétien  niet beantwoorden aan Maerlants kwaliteitsstandaard. Of hij in de Spiegel nu dacht aan de Chevalier de la charette en de Conte du graal of aan het werk van Chrétiens navolgers of vertalers: de avonturen van Lancelot, Perceval en de Graal waren na zorgvuldig te zijn gewogen onverbiddelijk te licht bevonden. Hij kon deze verhalen onmogelijk waarderen als het werk van meesterlijke navertellers, maar hoorde enkel het gekwetter van incompetente leugenaars.

Wie het artikel ‘Chrétien the Jay: Avian Rhetoric in Philomena’ van Eliza Zingesser wil lezen, kan dat hier doen.