Fonologie voor beginners: de hele cursus

Door Marc van Oostendorp

Fonologie is de tak van de taalwetenschap die de klanken van taal bestudeert: hoe zitten die in ons hoofd? Waarom veranderen klanken aan het eind van een woord makkelijker dan aan het begin (in plaats van ‘hond’ zeg je ‘hont’)? Hoeveel verschillende klinkers en medeklinkers zijn er?

De colleges die ik normaliter geef voor Nijmeegse studenten Nederlands en Taalwetenschap staan nu online. Hieronder staat de hele reeks (en hierboven de laatste aflevering). Ik maak gebruik van een zelfgeschreven Engelstalig boek dat – in een ruwe versie – ook online staat. Onder iedere video verwijs ik naar het hoofdstuk uit dat boek dat ik in het college behandel. Aan het eind van deze post geef ik ook een proeftentamen en het antwoordmodel, dat de studenten normaliter ook gebruiken.

Het is hopelijk bruikbaar voor zelfstudie, al ontbreekt ongeveer alles wat een college een college maakt: de interactie met de studenten, de werkcolleges, het bespreken van de opgaven in het boek.

College 1. Wat is fonologie?

Dit is het eerste college: een inleiding over de vraag wat de fonologie doet en wat eigenlijk de data zijn waar een fonoloog naar kijkt?

Hoofdstuk 1 van het boek.

College 2. Kenmerken

Wat zijn de kleinste bouwstenen van taal? Het zijn geen losse klinkers of medeklinkers, zoals a of t. Want die blijken te bestaan uit nog kleinere samenstellende delen, die we kenmerken noemen en die we kunnen begrijpen als instructies voor de uitspraak.

Hoofdstuk 2 t/m 2.3.

College 3. Het Nederlandse klinkersysteem

In het derde college bespreekt taalkunde Marc van Oostendorp (Radboud Universiteit) het Nederlandse klinkersysteem: wat zijn de verschillende klinkers van het Nederlands en hoe kunnen we deze begrijpen aan de hand van kenmerk- en van elemententheorie? En wat zegt die laatste theorie over klinkerreductie in het Witrussisch en het Catalaans?

Hoofdstuk 2, paragraaf 4

College 4. Toon in Afrikaanse talen en autosegmentele fonologie

Fonologische kenmerken worden niet (alleen) georganiseerd in klinkers en medeklinkers, ze leiden ook als het ware een eigen leven. Dat is de centrale gedachte achter autosegmentele fonologie, en dat kan goed geïllustreerd worden aan de hand van (Afrikaanse) toontalen, zoals in dit college.

Hoofdstuk 3, paragraaf 3.1

College 5. Contouren in Shona, Japans en meer

In allerlei talen is er een druk om niet twee keer achter elkaar hetzelfde fonologisch kenmerk te gebruiken. Je kunt dat bijvoorbeeld zien voor toon in het Shona, voor plaats in het Brabants en voor stemhebbendheid in het Japans. Ook behandel ik kort het ‘skelet’ in fonologische representaties, die bestaat uit eenheden die allen de relatieve tijd aanduiden.

Hoofdstuk 3 vanaf 3.2

College 6. Lettergrepen in het Nederlands en andere talen

Er zijn allerlei bewijzen dat mensen klanken in hun hoofd organiseren in lettergrepen, ook (of juist) als ze niet kunnen lezen of schrijven. Wat zijn die bewijzen? En hoe zitten de lettergrepen van het Nederlands in elkaar? Er blijkt allerlei structuur in aan te wijzen.

Hoofdstuk 5.

College 7. Klemtonen

In heel veel talen van de wereld – zoals het Nederlands – is één lettergreep in het woord gemiddeld wat langer, hoger en misschien luider dan de andere: de beklemtoonde lettergreep. Welke lettergreep dat is, verschilt per taal: soms de eerste, soms de een na laatste, soms de laatste. Bij nadere analyse blijkt er een betrekkelijk kleine hoeveelheid parameters te zijn die samen de ogenschijnlijk grote variatie in klemtoonsystemen tussen talen in de wereld inzichtelijk kan maken. Maar waar past het Nederlands in die typologie?

Hoofdstuk 7.

College 8. Boven het woord

In sommige talen maak je met klanken duidelijk wat woorden, zinsdelen en zinnen zijn, en wanneer je klaar bent met jouw bijdrage aan het gesprek. Dat zien we aan de hand van voorbeelden uit onder andere Italiaanse dialecten, het Chichewa, het Ilokano en het Engels!

Hoofdstuk 8.

College 9. Hoe zitten woorden in je hoofd?

Er zijn twee verschillende ideeën over hoe je de klank van woorden in je hoofd hebt. Volgens de ene heb je voor ieder woord één min of meer abstracte vorm in je hoofd; volgens de andere onthoud je van ieder woord alle keren dat iemand dat woord gezegd heeft. Ze zijn waarschijnlijk beide een beetje waar. Vervolgens gaan we op zoek naar de beste methode om vast te stellen wélke vorm van een woord de centrale is, en hoe sprekers van een taal dat weten

Hoofdstuk 4 (al staat daar nu nog niet veel in).

College 10. Optimaliteitstheorie

Hoewel de vormen die we uitspreken altijd wel lijken op de vormen zoals we die in ons hoofd hebben, zijn er ook verschillen. De optimaliteitstheorie beschrijft hoe we die verschillen kunnen berekenen: als een compromis tussen de wens om zo getrouw mogelijk te zijn aan de lexicale vorm en de wens om de vorm zoveel mogelijk te laten lijken op een ideale vorm, met ideale segmenten in een ideale lettergreepstructuur in een ideale prosodische structuur.

Hoofdstuk 6.

College 11

Alle aspecten van taal veranderen langzaam maar zeker – ook de manier waarop ze worden uitgesproken. Hoe gaat dat in zijn werk? En hoe kunnen we horen hoe oud een verandering precies is? En wat heeft de moderne uitspraak van ‘Els’ precies te maken met het feit dat wij ‘oud’ zeggen in plaats van (Engels) ‘old’ of (Duits) ‘alt’, ‘koud’ in plaats van ‘cold/kalt’, ‘goud’ in plaats van ‘gold’?

Hoofdstuk 9

Proeftentamen

Staat hier. Succes!