Dat je je romandebuut publiceert en dat er dan een pandemie uitbreekt

Door Ronny Boogaart

Vorige maand schreef Lauren Fonteyn hier over internet memes met het onderschikkend voegwoord wanneer. In het commentaar op dat stuk suggereert Taaldokter dat het pad voor deze constructie gebaand zou kunnen zijn door ‘de socialemediaconstructie met dat’. Lauren op haar beurt zegt deze constructie niet te kennen, maar hij is behoorlijk frequent. Oké, die in de kop van dit stuk heb ik zelf bedacht (op die roman kom ik nog terug), maar juist gisterochtend verscheen er eentje bovenaan mijn homepage op LinkedIn  – de algoritmes van LinkedIn zijn nog ondoorgrondelijker dan ik al dacht:

  • Dat je een e-mail stuurt en vervolgens door de bomen het bos niet meer ziet (LinkedIn)

Ook andere recente voorbeelden zijn makkelijk te vinden:

Deze tweets beginnen allemaal met het onderschikkend voegwoord dat en ze leiden dus een bijzin in. Sterker nog, het is er meestal meer dan één, zoals in alle voorbeelden hierboven, waarin geheel in bijzinnen een kort verhaal wordt verteld. Maar een bijzin heet niet voor niets een bijzin: er hoort eigenlijk ook nog een hoofdzin bij (ervoor of erna). Nu is er de laatste jaren best veel geschreven over het fenomeen van zelfstandig gebruikte bijzinnen (insubordinatie), niet in de laatste plaats over die met het voegwoord dat, maar dit type ontbreekt in de literatuur. 

Laten we eens kijken welke soorten zelfstandige dat-zinnen er dan wel worden genoemd en of de ‘socialemediaconstructie’ daarin past. De meeste voorbeelden haal ik uit de roman uit de titel van dit stuk, De wensvader (disclaimer: geschreven door mijn partner, dat u het weet), waarin ‘ouderenconsulent’ Erik Poelman worstelt met nieuw leven en voltooid leven, zowel privé als in het verzorgingshuis waar hij werkt.

Drie bekende types

Er worden in de literatuur, bijvoorbeeld door Jean-Christophe Verstraete, Sarah D’Hertefelt en An Van linden, drie types losse dat-zinnen onderscheiden. De eerste soort fungeert als wens en het gebruik ervan is zo’n beetje beperkt tot situaties waarin mensen een glas in hun hand hebben: 

  • Dat het maar een succes (een mooi jaar, een grote meid…) mag worden!

De tweede soort dat-zinnen fungeert als uitroep van (al dan niet gespeelde) verbazing of verwondering. Ze kunnen positief of negatief zijn; je laat ermee zien dat je iets geweldig vindt (Wow, dat je dat durft!), of juist verschrikkelijk. In een gesprek over euthanasie zegt mevrouw Bosker in De wensvader tegen Erik Poelman:

  • ‘Je zegt dit alleen om me ervan af te helpen, hè. Je zegt dit om óók niets te hoeven doen. Dat ik op me ouwe dag zó in de steek word gelaten. Als mijn moeder mij dit had gevraagd, nou!’  (De wensvader, p.168)

Leuk aan dit fragment is trouwens dat er meteen na de dat-zin nóg een geval van insubordinatie volgt, maar dan met als. Ook daar blijft de hoofdzin weg, of hij wordt samengevat in het woordje nou! (zoals bij insubordinatie ook een geluid, een gebaar of een gezichtsuitdrukking als ‘hoofdzin’ kan fungeren – of een plaatje). 

De derde soort zelfstandige dat-zin is wat lastiger uit te leggen, maar ik verzeker u: nu u eenmaal weet dat dit type dat-zin bestaat, komt u er volop voorbeelden van tegen. In tegenstelling tot de vorige twee soorten kun je dit type, dat ‘discursief’ wordt genoemd, niet zonder voorafgaande context gebruiken. Hier introduceert dat namelijk een toelichting, een verdere uitwerking van iets dat in een vorige uiting is genoemd. Dus dat je bijvoorbeeld een voorbeeld geeft van een bepaald fenomeen dat je net hebt geïntroduceerd. Zo dus. Of zoals hier: 

‘Alle mensen krijgen kinderen, waarom jij en ik niet?’

‘Niet alle mensen, dat weet je.’ 

We keken allebei, de armen over elkaars schouder, naar de appartementen aan de overkant. 

‘Zou ze nu iets met die Ton hebben? Ik dacht dat ze die niet aantrekkelijk vond, dat hij gewoon leuk voor één keer was?’

‘Niemand wil alleen zijn,’ zei Aad.

‘Misschien is ze inmiddels zwanger van hem, belde ze daarom? Ik neem aan dat het niet bij vingeren is gebleven.’ 

Zijn vingers krabbelden in mijn nek: ‘Niet bitter worden.’

‘Ik bén bitter. Straks zijn we oud en alleen, is er niemand die naar ons omkijkt.’

‘Jij weet toch beter dan ik dat een kind daartoe geen garantie is.’

Hij drukte me steviger tegen zich aan. Zijn krachtige hand en de warmte van zijn lijf maakten alles weer anders.

Dat je iets doorgeeft in het leven. Zoiets.’

Zijn gehum, dat eigenlijk tot mijn repertoire behoorde, klonk geduldig, waardoor ik durfde te zeggen: ‘En dat ik in dit bestaan niet alleen de Charon uithang die de levenden naar het schimmenrijk brengt.’

De hoofdpersoon in het boek probeert aan zijn partner uit te leggen wat hij precies bedoelt, waarom hij zo graag een kind wou. In zijn laatste twee uitingen doet hij dat met een dat-zin, maar het is niet goed mogelijk om in de vorige uitingen exact een zin aan te wijzen die de hoofdzin voor die bijzin is. Als je er een hoofdzin bij zou moeten bedenken, is dat eerder zoiets als ‘Ik bedoel’. In veel van die ‘discursieve’ gevallen, en trouwens ook in het romanfragment hierboven, gaat de betekenis van dat soms in de richting van zodat of opdat. Dat zie je ook als zo’n dat-zin volgt op een suggestie of een verzoek:

  • Zullen we het raam even open zetten? Dat we wat frisse lucht krijgen.

Zo opgeschreven ziet die er misschien gek uit, maar dat komt dan vooral doordat het een spreektaalfenomeen is. Je kunt die tweede zin natuurlijk ook weer ‘discursief’ opvatten, dus als een soort toelichting bij de suggestie om het raam open te zetten, maar deze geeft toch vooral een doel aan – dit is ook zo’n type dat-zin waarover je in de insubordinatie-literatuur niks leest, maar dat je in het dagelijks leven makkelijk tegenkomt. Dat u het weet. Dat u niet denkt dat dat heel uitzonderlijke gevallen zijn.

De Socialemediaconstructie

Maar hoe zit het nu met de socialemediaconstructie? Kunnen we die niet als een subtype van één van deze drie opvatten?  Om wensen gaat het zeker niet: de gebeurtenissen in die tweets hebben al plaatsgevonden en zijn vaak niet positief. Het zijn ook geen ‘discursieve’ gevallen omdat het nou juist typerend is voor de twitter-gevallen dat ze als volledig zelfstandige tweet kunnen fungeren; het zijn geen toelichtingen bij een eerdere tweet. 

Eigenlijk past dit type het beste in het tweede categorie omdat de twitteraar impliciet een oordeel geeft over de situaties in de dat-zin. Dat oordeel staat er niet maar de tweets gaan duidelijk over gebeurtenissen die de schrijver ervan heel opmerkelijk of heel toevallig vindt, en vaak ook heel irritant. Met de socialemediaconstructie vertel je niet zomaar een verhaaltje; je drukt er een gevoel mee uit en de lezer moet dat ‘meevoelen’.

Dat laatste wordt ook versterkt door het gebruik van de tegenwoordige tijd en het onpersoonlijke ‘je’: het gaat meestal om gebeurtenissen die de schrijver van de tweet net zelf heeft meegemaakt maar je kan in deze specifieke constructie geen verleden tijd of ‘ik’ gebruiken. Je presenteert de gebeurtenissen als een algemener fenomeen (‘je weet wel’), iets dat misschien ook de lezer zelf kan overkomen. Die lezer moet eigenlijk reageren met: o ja, inderdaad, verschrikkelijk (of geweldig) is dat. Met dat o ja, inderdaad stemt de lezer dan in met een oordeel dat helemaal niet expliciet in die tweet staat maar blijkbaar wel heel sterk door de dat-constructie wordt opgeroepen. Of liever: door de constructie in combinatie met het medium. Je ziet hetzelfde verschijnsel – er wordt een mening of gevoel uitgedrukt zonder dat het expliciet genoemd wordt – namelijk ook terug in andere constructies die typisch zijn voor sociale media:

Dat je in dit medium ook dat-zinnen kan gebruiken om een gevoel of mening uit te drukken, is niet zo gek. Eigenlijk wordt de inhoud van een dat-zin bijna altijd vanuit een bepaald perspectief gepresenteerd: er is iemand die de gebeurtenis in de dat-zin waarneemt en/of er een mening over heeft. Dat geldt net zo goed voor de andere types zelfstandige dat-zinnen die we langs zagen komen. En eigenlijk geldt het ook voor de meeste dat-zinnen die wel gewoon een hoofdzin bij zich hebben: die hoofdzin specificeert dan namelijk het perspectief. Als de hoofdzin er niet staat moet je dat perspectief of die mening erbij denken maar daar hebben we meestal helemaal geen moeite mee. Veel van die socialemediaconstructies hebben een soort je-weet-wel-betekenis en inderdaad weten we meestal wel hoe geweldig, verschrikkelijk, irritant etc. ‘van die’ mensen of gebeurtenissen in de tweet zijn. Als je dat niet weet, bevind je je blijkbaar in een andere bubbel dan de twitteraar. 

Een toch niet zo gek geval

Op dit punt gekomen kunnen we nu ook het gebruik van deze losse dat-zin in De wensvader verklaren, die ik in eerste instantie nogal raadselachtig vond:

Waarheen liep ik? Zusters in uniform passeerden mij, een vage groet naar Kathy van activiteiten die bezig was in de grote zaal, daarna het trappenhuis, dat altijd koud was (…) en Birgit die net haar kantoor verliet voor een tandartsafspraak, vragend of alles goed was – en dat ik haar zei met een korte grinnik die de storm in mij tot bedaren moest brengen: ‘Ik ben slecht in afscheid nemen.’ 

(De wensvader, p.197)

Deze passage volgt als Erik Poelman afscheid heeft genomen van één van zijn vaste cliënten. Aan het eind ervan staat er ineens een dat-zin, maar er is in het hele fragment weer geen zin aan te wijzen die daarbij de hoofdzin zou zijn. Wat er wél aan de dat-zin voorafgaat is een soort opsomming van de mensen en dingen die Poelman ziet op zijn tocht door het verzorgingshuis waar hij werkt. Al die dingen worden dus vanuit het perspectief van een enigszins verdwaasd ronddwalende Poelman gepresenteerd en die ‘subjectieve’ weergave wordt door de dat-zin aan het eind volgehouden. Omdat die laatste zin gaat over iets wat hij zelf zegt, is dat best gek. Het effect ervan zou je expliciet kunnen maken in een hoofdzin als ‘en ik hoorde mezelf zeggen’. 

Hij zegt het zelf, maar tegelijk staat hij erbij en kijkt (en luistert) ernaar.  

De Wensvader verscheen bij Uitgeverij kleine Uil
Door Corona kon de boekpresentatie niet doorgaan