Als poedersneeuw ligt poëzie

De dichter Anton van Wilderode

Door Peter J.I. Flaton 

Wil zij het epitheton ‘modern’ verdienen, dan ‘moet’ de lyriek, aldus Hugo Friedrichs Struktur der modernen Lyrik,  minstens aan deze maatstaven voldoen: “(neutraler) Innerlichkeit statt Gemüt, Phantasie statt Wirklichkeit, Welttrümmer statt Welteinheit, Vermischung des Heterogenen, Chaos, Faszination durch Dunkelheit und Sprachmagie, aber auch ein in Analogie zur Mathematik gesetztes kühles Operieren, das Vetrautes entfremdet”. 

Me dunkt dat de poëzie van Lucebert een goed voorbeeld is van het eerste deel van de opsomming (dat er maar weinig analyses en  interpretaties van zijn poëzie bestaan, is m.i. geen toeval), terwijl die van Kouwenaar in haar uitgebeend minimum een specimen van onaangedane woordschikking is met inderdaad vervreemding als resultaat. 

Geen wonder dat Vasalis het in de vroege jaren vijftig waarin hun keizer en diens slippendragers het literaire speelveld domineerden, voor gezien hield en dat een klassiek georiënteerde dichteres als Ida Gerhardt lange tijd een ‘uphill battle’ moest leveren. Dat Achterberg aan deze stoelendans kon blijven meedoen, had te maken met het feit, dat hij voor zijn idioom (en nadrukkelijk niet voor zijn versbouw) van tot dan in de poëzie ongebruikelijk technisch-wetenschappelijk jargon gebruik maakte. En wee de dichter (Bertus Aafjes wist ervan mee te praten) die een pleidooi hield voor verstaanbaarheid vanuit het poëticale idee dat het gedicht op zoek is naar lezers die zich erdoor willen laten aanspreken i.p.v. ervan te worden vervreemd. 

Hoewel de Vijftigers -m.u.v. van Kouwenaar die het gered heeft dankzij toegankelijker later werk als totaal witte kamer– vandaag net zo passé zijn als de dichters op wie ze het gemunt hadden h.i. in  de jaren ’50 waren (retorisch vragenderwijs: wordt Lucebert nog echt  gelezen, als hij al ooit gelezen ís?), is de teneur in recensies (mijn ijkpunten zijn die van Janita Monna in Trouw) nog altijd die van Friedrich: poëzie doet er toe, als die onze ‘Lebenswelt’ minstens een tikje geeft maar liefst echt ontregelt: ‘Welttrümmer statt Welteinheit’. 

Dat geldt ook voor de literatuurgeschiedschrijving. Men sla er Hugo Brems, Altijd weer vogels die nesten beginnen, geschiedenis van de Nederlandse literatuur 1945-2005, Amsterdam, 2006 (alleen de titel al) maar op na: ‘vernieuwers’ krijgen daarin ruim baan (gelet op de hoeveelheid tekst), terwijl dichters van ‘poëzie van de oude grond’ (zoals K. Fens het oeuvre van een hunner typeerde) het moeten doen met ‘name dropping’. Is zo’n dichter bovendien een Vlaming), dan heeft hij het al helemaal moeilijk, althans in de ogen van Nederlandse literatuurbeschouwers, die zichzelf de rol van canonici hebben toebedeeld. 

In zijn De Nederlands poëzie van de 19e en 20e eeuw in duizend en enige gedichten (om maar dit ene voorbeeld te noemen) geeft Komrij hem één gedicht, terwijl Anton van Wilderode (over hem gaat het hier) toen al (de bloemlezing verscheen in 1979) een omvangrijk oeuvre (dat zou uitgroeien tot ruim 25 bundels) op zijn naam had staan dat bovendien door critici en lezers in het Vlaamse hogelijk werd gewaardeerd. 

Het gaat te ver hem er een ‘volksdichter’ om te noemen maar Anton van Wilderode deed ertoe en telt nog altijd mee, gelet op de publicatie  van zijn volledig dichtwerk ‘gebundelde gedichten’, Tielt, 1999, een jaar na zijn overlijden en het KANTL-colloquium van 14-11-2018, c.q. zijn Verslagen & mededelingen, 128, 2018, nr. 2: “Anton van Wilderode, leraar in de letteren” waarin vooral zijn rol als leraar Nederlands en Klassieken in het College van Sint-Niklaas (1946-1982, het jaar van zijn pensionering), zijn auteurschap van het in 1968 verschenen zeer succesvolle schoolboek De dubbelfluit en zijn vertalingen van Vergilius’ Aeneis, Bucolica en Georgica in  overigens kritische essays worden belicht. Een ervan is van Erik Spinoy, hoogleraar Nederlandse letterkunde aan de Université de Liège, dichter en vooral in dit verband: oud-leerling van Cyriel Coupé (V.W’s eigenlijke naam). 

In weerwil van Benno Barnards ietwat ambigue ‘laudatio’ van Van Wilderode als “de Vlaamse Vergilius” in het Nieuw Wereldtijdschrift 4, 1984, 78-83 is de dichter in Nederland een vreemdeling met dien verstande dat hij in het Kritisch literatuur lexicon en in het Lexicon van literaire werken wel degelijk de nodige aandacht krijgt, in resp. Peter van Dycke, “Anton van Wilderode”, augustus 1999 en in Rudolf van Perre, “Anton van Wilderode. De Vlinderboom”, 24, nov. 1994. 

Of de keuze van net deze bundel Nederlandse lezers ertoe zal brengen diens werk te gaan lezen, is de vraag. De dichter immers identificeert zichzelf in 96 gedichten (118 pagina’s, inclusief het voorwerk en de aantekeningen) met Keizer Karel V die zijn laatste levensmaanden in een Spaans klooster (hij stierf er in 1558) slijt en zijn leven voor zijn geestesoog voorbij ziet gaan. 

Anders dan de priester-dichter Van Wilderode hebben Nederlanders weinig op met deze Karel, in hun ogen een reactionaire katholieke ketterjager, samen met zijn zoon Philips II verantwoordelijk voor de Opstand met alle eruit voortkomende ellende (al is die tegelijk zeker in reformatorische ogen een ‘Sternstunde’ waarin de Republiek als ‘planting Gods’ haar beslag kreeg).  

Priester-dichter in de traditie van Guido Gezelle en net daarom auteur van ‘poëzie van de oude grond’, aldus K. Fens in de Volkskrant van 19 juni 1998, omdat Van Wilderode bleef werken in een katholieke dichttraditie die in Vlaanderen nog leefde maar in Nederland sinds lang passé was. Tijd nu om de dichter zelf aan het woord te laten: 

Poëzie

Het oudste geluk is de jongen`
die zit aan de boord van een beek,`
op zijn hoofdhaar de vurige tongen
van wat op bezieling geleek
aanwezig, maar nog bedwongen. 

De woorden liggen als water
zo helder doorzichtig in mij.
Ik zie in de open krater 
van de hagendoorn hoe een bij
met honing is opgeladen

en zoemend wegvliegt van daar. 
Ik kijk in het onbekende.
Ik zit in een zonnige laar, 
een knaap nog en het is lente
met buit die ik gierig bewaar:

de zeem van verzonnen woorden
gepuurd uit de kelk der natuur
die ik rondom mij overal hoorde
in dat ene vorstelijk uur
waarin ik voorgoed word geboren. 

(volledig dichtwerk, 1424, c.q. de bundel “Het oudste geluk”, 1995). 

In dit poëticale gedicht wordt de bewustwording van het dichterschap  geëvoceerd en leert de ik zijn bestemming kennen. In een vormvast vers met zijn jambisch metrum met alle ruimte voor antimetrieën en zijn gekruiste rijm (met assonanties in r. 10, r. 14 en r. 20) schetst de ik in een terugblik (die trouwens in de o.t.t. staat: alsof het hier en nu in het gedicht gebeurt) wat hem als jongen is overkomen en dat is zo uniek dat het zijn ‘oudste geluk’ vormt. Via een perspectiefwisseling tussen strofe 1 en 2 waarin de hij (‘de jongen’) ‘ik’ wordt, schetst het gedicht het ontstaan van de inspiratie. 

Wel is die nog ingehouden en moet ze zich nog ten volle ontplooien, de ervaring van Pinksteren is er niet minder om waardoor de geest van de poëzie over hem vaardig wordt. Daarmee is in enen gezegd, dat deze poëzie een religieuze grondtoon heeft, een die overigens in het werk van Van Wilderode nadrukkelijk impliciet blijft (i.t.t. in dat van Gezelle). 

M.b.v. twee beelden beschrijft de ik zijn roeping: weliswaar zijn ze nog geen gedichten maar de woorden zijn er al, ‘helder als water’  (poëticaal gezien: die poëzie die eruit voortkomt, zal transparant zijn), terwijl de door een gat in de hagendoorn wegvliegende en van honing verzadigde bij (vanuit het nu de toekomst in) mogelijk een allusie is op Carmina IV, 2 van Horatius (door Van Wilderode vertaald) waarin de dichter quasi-bescheiden zijn dichterschap vergelijkt met de laag boven de aarde zwevende bij die zo kan gaan functioneren als beeld van de dichter die wat zijn poëzie zal worden, verzamelt als nectar. Merk op, dat de enjambementen in strofe 2 en de regel wit tussen 2 en 3 de vlucht van de bij ritmisch en visueel begeleiden. 

Intussen is de ruimte een andere: in strofe 1 zit de jongen ‘aan de boord van een beek’ die in 3 een open plek in het bos is geworden met behoud overigens van de notie ‘openheid’, zoals ook in ‘Ik kijk in het onbekende’ (r. 12). Het jaargetijde is ernaar: de lente is bij uitstek het seizoen van het nieuwe leven waarvan de ik de zaden of kiemen nauwgezet bewaart, ‘gierig’ zelfs: bang die kwijt te raken want zijn dichterschap is in het geding. 

In strofe 5 keert het beeld van de honing via ‘zeem’ terug: de dichter-in-spe heeft zijn materiaal bijeen verzameld uit de natuur die hij op dat ‘ene vorstelijk uur’ (zijn “Sternstunde”) hoorde (nu is er wel de o.v.t.) in het stromen van het water en het zoemen van de bij. Daarmee is gezegd dat de inspiratie niet alleen een zaak van zien maar ook van horen is en dat de natuur de bron ervan is. 

Veelzeggend is de slotregel: ‘waarin ik voorgoed word geboren’. Het dichterschap is definitief, onherroepelijk en vooral iets wat nooit af is en steeds weer begint en daarom ‘word’ i.p.v. ‘werd’.  Het resultaat ervan is een oeuvre dat enerzijds gestempeld wordt door het schrijnende besef om wat ‘Voorbij, voorbij, o en voorgoed voorbij is’ (de natuur, het landschap van zijn jeugd) en anderzijds het inzicht dat de kunstenaar ‘verplicht (is) tot dienst’. Twee citaten spreken hier duidelijke taal, een waarin het verlies van het jeugdgeluk, van ouders en vrienden en stilaan van het leven zelf wordt verwoord en een ander waarin een duidelijk pastorale dienstbaarheid wordt gethematiseerd,  resp. uit Dorp zonder ouders (1978) en Onverwachts onderweg (1974) 

Alles groeit langzaam dicht, geringe dingen
en droefheden ontelbaar. Onbewogen 
verwelkt als hooi het landschap voor mijn ogen. 

en 

Rechterhand zijn, een heel leven: 
(…)
Altijd als een slinger bewegen, 
uur worden, dag en tijd, 
groet zijn, vriendschap of zegen, 
zonlicht verdragen en regen, 
bevolen worden altijd
slaaf zijn, gehoorzaamheid. 

Die dienstbaarheid spoort trouwens met zijn poëtica die inhoudt ‘dat poëzie hoe dan ook mededeling is’: dwars tegen de keer van Friedrich in houdt Van Wilderode staande, dat gedichten pas echt poëzie zijn als ze gelezen, lees: begrepen kunnen worden. Vandaar de transparantie mede mogelijk gemaakt door de keuze voor een vormvaste versificatie die de lezer houvast biedt. 

Lyrische hogeborstzetterij is de dichter intussen vreemd, ook in die zin is de verwijzing naar Horatius’ bij relevant. In het broze, bij het beeld van de sneeuw passende eerste kwatrijn van het drietal Ars Poëtica-verzen zegt Van Wilderode het in Poedersneeuw, 1991, zo: 

Als poedersneeuw ligt poëzie. Eén uur
niet langer ach, zo onvoorstelbaar puur
als niets daarná stuifmeel en vogelveertjes.
Al wat op aarde valt verliest zijn duur. 

Het lezen van een gedicht mag dan voor korte tijd een gelukservaring zijn (wie raakt er niet ontroerd door zo’n dun laagje sneeuw?), in dat uur u valt alles op zijn plek. verzoenen we ons met het bestaan en is er het besef van ‘Welteinheit’. 

I.p.v. de lezer te vervreemden van zichzelf en de wereld om hem heen, is het Anton van Wilderode begonnen om harmonie en balans zoals in het gedicht “Efese” uit Apostel na de twaalf (uit 1992) waarin hij het leven van Paulus lyrisch-episch beschrijft. Uit de eerste regel ervan blijkt wie de erflaters zijn die hem niet alleen als dichter maar ook als leraar en priester op zijn levensweg vergezeld hebben: 

Het rietveld van Homeros en Gezelle
ruist om en om de opgedekte dis
vlak bij de branding, die van zilver is
met spog van rondgeblazen waterbellen. 

De dauw van schuimsneeuw valt over wit brood
en kraalt in korrels op de helle glazen.
Er lopen poezen, slome, ongehaaste, 
rond kinderen in pralerij van rood. 

Een open raam laat in de nevenstraat
de notenrist van een piano tinken. 
De middag, die wij ademen en drinken
duurt als een feest dat onvoorzien ontstaat.  

Afbeelding: Monument voor Anton van Wilderode, Bert Kaufmann, Flickr.