Wanneer we onze zinnen niet meer afmaken

Door Lauren Fonteyn

Als u denkt dat u weet hoe de dingen in elkaar zitten, en als u dat graag zo wil houden, dan gaat u beter niet het internet op.

Zelf dacht ik dat ik echt heel goed begreep hoe zinnen in elkaar zitten, en dat ik heel goed kon uitleggen wanneer een zin niet af is. Als talendocent moet ik het daar overigens vaak over hebben met mijn studenten. “Een zin,” zeg ik dan, “maak je niet door er een hoofdletter en een punt aan te plakken. Je kan dan wel iets geschreven hebben dat lijkt op een zin, omdat het de typische decoratie van een zin heeft, maar het is niet per se een zin.” Ik wil maar zeggen: u kan bijvoorbeeld ook alle meubels in huis een broek aandoen, maar daarom zijn het nog geen mensen.

Daar bedoel ik natuurlijk mee dat we met veel meer dingen rekening moeten houden als we zinnen schrijven. We moeten in de eerste plaats woorden gebruiken, en die woorden moeten we combineren op een manier die ‘werkt’ in de taal die we gebruiken – de grammaticale regels volgen dus. Om het dan verder goed te laten lopen, moeten we ook rekening houden met welke woorden er typisch samengaan in een taal – zo zeggen we bijvoorbeeld beter blond bier en niet, bijvoorbeeld, geel bier (want… ieuw) – en zo willen we, althans in de meeste gevallen, ook dat je iets zegt dat een beetje steekhoudt: met dingen als ‘De elliptische man is koriander’ of ‘Kleurloze groene ideeën slapen vurig’ kom je in het echte leven ook niet ver. 

Bijzin zkt. Hoofdzin

Maar zelfs als al die dingen goed gaan, dan kan het nog dat een zin niet helemaal af is. En dat voelen moedertaalsprekers normaal ook goed aan. Stel, in een gesprek over huisdieren, zegt uw gesprekspartner:

  • Wanneer ik mijn poedel uitlaat.

En verder volgt er helemaal niks. Daar staan jullie dan, gewoon een beetje naar elkaar te staren, met dat brokje informatie bengelend in de anderhalve meter afstand tussen jullie in. 

Laten we nu even aannemen dat u al weet dat je gesprekspartner een poedel heeft. Dan is de situatie nog altijd verwarrend en ongemakkelijk. Alsof iemand een stok aanbiedt zonder duidelijk te maken wat er met die stok moet gebeuren. Het is misschien al duidelijk waar dit naartoe gaat: de zin, of toch, wat ervan aangeboden wordt, is op zich wel grammaticaal, maar er ontbreekt duidelijk iets. Dat komt omdat uw gesprekspartner – laten we haar even Hilde noemen – de informatie presenteert alsof er ook een antwoord komt op de vraag wàt er dan gebeurt als Hilde die poedel uitlaat. Dat soort zinsconstructies, die we ondergeschikte zinnen of bijzinnen noemen (of in het Engels: subordinate clauses), maken we daarom idealiter ook af met een hoofdzin (of in het Engels: main clause). Bijvoorbeeld:

  •  Wanneer ik mijn poedel uitlaat, moet iedereen me gewoon met rust laten.

En dat, beste vrienden, is een sentence, of zoals we dat in het Nederlands zeggen: een zin.

Wanneer het allemaal toch niet zo simpel blijkt te zijn

En zo zou ik mezelf op de borst kloppen en trots zijn dat ik zo mooi kan uitleggen waarom bijzinnen altijd moeten aangevuld worden met een hoofdzin, moest het niet zo geweest zijn DAT HET INTERNET DUS VOLGEPLEURD IS MET BIJZINNEN ZONDER HOOFDZIN. Het gaat, om precies te zijn, over dit soort dingen:

credits: Mythische Miems voor de Makkelijke Mens

In beide voorbeelden zien we hetzelfde patroon terugkomen: het gaat om een bijzin die begint met wanneer, waar geen hoofdzin op volgt die verklaart wat er dan gebeurt. In plaats daarvan volgt er een afbeelding. Op die afbeelding, zo troostte ik mezelf eerst, staat er wel een soort van hoofdzin. Maar die loopt toch niet helemaal lekker:

  • Wanneer je naar de bioscoop gaat en popcorn en wat te drinken wilt: wat we nu gaan doen, kost heel veel geld.
  • Wanneer ze zegt dat de CD van haar is, maar je hebt ‘m gekregen van je moeder: hij is van mij.

Daarbij is het ook zo dat er op de afbeelding niet altijd tekst te bespeuren is:

credits: Mythische Miems voor de Makkelijke Mens

Insubordinatie: de bijzin die geen hoofdzin hoeft

Het is nu heel verleidelijk om nu op te springen en, dolenthousiast of razend kwaad, te schreeuwen: “Kijk dan toch wat het internet met onze taal doet!”. Alleen zijn noch het internet, noch zijn gebruikers, de ware bevrijders van de bijzin. Lang voor de hoofdzinloze wanneer-zinnen op het internet zich hoger begonnen opstapelen dan uw berg afwas in quarantaine, was er namelijk al sprake van – ik verzin het niet – ‘ongehoorzame bijzinnen’ (of, in het Engels: insubordinate clauses – vandaar…). Zulke insubordinate bijzinnen zien eruit alsof ze ondergeschikt hadden moeten zijn, maar daar hebben ze totaal lak aan. Neem bijvoorbeeld de volgende zinnen (die, bij wijze van continuïteit, opnieuw over poedels gaan):

  • Als u hier even met mijn poedel wil wachten.
  • Dat dit mijn poedel weer moet overkomen.
  •  Alsof ik niet van poedels hou!

Net zoals de zinnen die met wanneer beginnen, heb je in elk voorbeeld wel een woordje staan dat eigenlijk bedoeld is om deze zinnen ergens aan vast te knopen (Als u hier even met uw poedel wil wachten, dan kom ik zo bij u terug / Het is typisch dat dit mijn poedel weer moet overkomen. / Ze doen alsof ik niet van poedels hou!).

En toch kan Hilde deze losse bijzinnen vrij gebruiken een gesprek, zonder dat haar gesprekspartner zich hoeft af te vragen of ze middenin een zin een beroerte heeft gekregen. Dat komt omdat we ook zonder een hoofdzin al weten wat de boodschap is: Als u hier even met mijn poedel wil wachten is een verzoek, Dat dit mijn poedel weer moet overkomen is een verzuchting, en Alsof ik niet van poedels hou is een uitdrukking van verontwaardiging. 

Maar zoals we eerder al opmerkten, kan dat ook niet zomaar met alle bijzinnen in het Nederlands. Tenzij u al in een gesprek zit en ergens op antwoordt, of aan het sparren bent over intrigerende boektitels (shout out naar Ronny Boogaart, die het over bijzinnen als titels heeft in hoofdstuk 11 van Een Sprinter is een stoptrein zonder WC), kan u niet zomaar ineens een wanneer-zin zonder hoofdzin de wereld in gooien:

  • Wanneer ik mijn poedel uitlaat.
  • Wanneer we eindelijk weer naar buiten mogen.

Onsubordinatie

Hoofdzinloze wanneer-zinnen zijn dus eigenlijk geen voorbeelden van insubordinatie. Het ziet er allemaal wel heel stoer uit, zo zonder hoofdzin, maar diep vanbinnen functioneren ze als doodbrave ondergeschikte bijzinnen. Je kan ze eigenlijk vergelijken met een lege fotolijst die je bij de HEMA koopt: normale mensen gaan die dingen ook niet aan de muur hangen zonder er een foto in te steken. Een wanneer-zin zonder aanvullende afbeelding voelt net zo onvolledig aan. We mogen dus gerust ademhalen onder onze mondkapjes: het internet heeft dan toch de wanneer-zin nog niet ongehoorzaam gemaakt. Of, althans, nog niet.

Naast mijn kleine shout-out naar Ronny Boogaart wil ik ook nog even melding maken van het werk van een aantal andere taalkundigen. Insubordinatie is iets wat is veeeeel talen voorkomt. Dat kan je nagaan in het werk van Nick Evans, en ook aan de KU Leuven hebben heel wat onderzoekers het fenomeen beschreven. Ik verwijs naar het werk van bijvoorbeeld Maria Sol Sansiñena Pascual, Sarah D’Hertefelt, Jean-Christoph Verstraete en An van Linden.