Petofilologie

Door Marc Kregting

In coronatijd verscheen Grondtonen. Als muzikanten schrijvers wordenDeze bundel onder redactie van Francis Mus bevat maar liefst dertig artikelen over literatuur bij zangvogels met een divers pluimage.

Ik schreef een stuk over de taal van Herman Brood, met de nadruk op zijn complexe Nederlands. Na verschijning stuitte ik, zoals dat gaat, op informatie die ik beter had vermeld. Ditmaal is de aanleiding Broods antiautoritaire imperatief uit 1979: ‘Maak van jouw scheet een donderslag’. Daar valt sowieso meer over te zeggen dan ik me in het bestek van een artikel kon permitteren.

In Nederland was het levensadvies misschien niet helemaal, zoals dat heet, viraal gegaan, maar het was minstens een standaarduitdrukking geworden. Historisch bekrachtigde het een decennium waarin men eindelijk zichzelf mocht zijn, bevrijd van sociale codes en al dan niet metafysische beloningen voor een toekomst. Iedereen gelijk. In de kindertelevisie De stratemakeropzeeshow, bekend van het ‘Poep- en piesmenuet’ (1972), tetterde uitgerekend de Deftige Dame voortdurend uit haar hol, en vlak voor de jaren tachtig vatte Brood dus samen: ‘Maak van jouw scheet een donderslag / Spaar ze toch niet op voor je ouwe dag’.

Het boek Grondtonen leert dat Brood ook internationaal niet alleen stond. In Frankrijk, het land dat natuurlijk al de lichaamsholtedeskundige auteur Rabelais had voortgebracht, betoonde Serge Gainsbourg zich tezelfdertijd een petomanoloog van allure. Hij had diverse scheetliedjes op zijn naam staan toen Gallimard in maart 1980 een roman van hem uitgaf: Evguénie Sokolov. De titelheld, door Gainsbourg later op muziek gezet, is een abstract schilder wiens penseel seismografisch zijn non-stopwinderigheid registreert.

In literatuur bleek Broods adagium winstgevend. Men kon zich er desnoods tegen afzetten, als zijnde achterhaald of narcistisch. Het diende als poëticaal argument in ‘Uitzicht van de allesvrezer’ (1999). In dat gedicht nam Ingmar Heytze wankelmoedig afstand van een rap & poetry-strominkje in de Noord-Nederlandse poëzie, afkomstig van ‘de firma Scheet en Donderslag’.

Broods adagium was zelfs de grens overgestoken en bereikte de roman De vliegende monnik (2004) van Peter Holvoet-Hanssen. Eerst was daar nog sprake van een ‘scheet in een donderfles’, waarin de Vlaamse uitdrukking ‘een scheet in een fles’ doorklinkt, maar vervolgens is er een kat die ‘van een donderslag geen scheet’ maakt, klinkt er in een café te Marseille muziek van Gainsbourg en meldt de slotzin: ‘uiteindelijk was oom Herman lang de slechtste niet’.
Een Google-operatie leert verder dat ook Huisje boompje beest (2017) van Roos Schlikker met het adagium doorrookt werd.

Behalve de liefhebber vindt de schoolmeester in mij het daarom vreemd dat ‘Maak van jouw scheet een donderslag’ ontbreekt in zowel Vic van de Reijts Het land van Maas en Waal. De twintigste eeuw in 400 en enige liedteksten als in Peter van Dyks Watskebeurt, Lage Landen? Een eigenzinnige canon van het Nederlandse lied. Fijne naslagwerken die zich wel bekreunen om ’Als je wint’ waaraan Brood, uit zijn populariteit gevallen, een paar jaar later meedeed.

Ook in coronatijden is het scheetadvies actueel. Omdat het rechtstreeks verband houdt met sociale conditionering, zou het voor een semi-quarantaine zelfs de maatstaf kunnen zijn. Geen nobele, hoger geplaatste onbekenden meer in de nabijheid voor wie men zich fatsoenlijkjes hoeft te gedragen! Hoewel door de geringe mobiliteit in onze nog altijd luxe omstandigheden de CO2-uitstoot drastisch is gedaald, kan het N2-gehalte boven bewoonde gebieden wel eens zijn gestegen.

Aan Brood zal het niet hebben gelegen. Maar is hem historisch ook recht gedaan? Soms dook zijn imperatief op bij derden in combinatie met het slot van het voorafgaande couplet: ‘ik zie alleen de zon zij geen ellende om me heen’ (de spatie tussen ‘zij’ en ‘zon’ kan, afhankelijk van de interpretatie, desgewenst weg). Zo belandde ze in Autobiografie van een polemist (1990) van Erik Bindervoet en Robbert-Jan Henkes. Dat duo signaleerde een jaar later in De intocht van Christus in Amsterdam een ‘broedbekkikker’. In De revue (1999) reveleerde Kees ‘t Hart dan weer een ‘breedbek’, terwijl Harry Potter in de vertaling door Wiebe Buddingh’ het dreigement krijgt bij Zwerkbal te worden vervangen door een ‘breedbekkikker’.

Eindelijk was de bron benoemd. Brood had zijn imperatief oorspronkelijk immers geoutsourcet aan de Breedbekkikkers. Hun carnavalsliedje bevat veel meer quasi-rijmende uitroepen waartussen het verband niet steeds duidelijk is:

Hete tranen visservet
Nymfomanen een goudrenet
Pedomanen een frietje met
Pedofielen vroeg naar bed
Melodrama narcotica
Hopeloos in Appelscha
Kop met pukkels aan het gas
Wees de beste van de klas

De laatste regel hult antiautoriteit in een ander jasje, waaraan Brood in 1979 spoedig een apart nummer wijdde: ‘Nooit meer terug naar die rotschool’. Grappig dat zijn Nederlands daar evenmin heel erg verstaanbaar is, zoals zijn allerminst effen uitspraak – dictie heet dat in België, waar het op de muziekschool een vak is – steeds een levendige rol speelt. Ook bleek uit een documentaire dat de frase ‘melodrama narcotica’ Broods vaste repliek was op verwijten van zijn toenmalige muze Dorien van der Valk dat drugs alles in zijn, hun leven kapot maakten.

Weinig in dat nummer is, anders gezegd, helemaal origineel en logisch. Dat was in zijn succesjaren sowieso de werkwijze van Brood, die voor zijn Engelse songteksten een verzameling zinnetjes bij zich droeg, te schikken en herschikken. Wie er de genius van was, bleef duister. Zo breidde hij zijn carrière als kleine crimineel doodgemoedereerd uit naar kunst.
Toch vond ik het afgelopen week sensationeel om door een vreemd toeval te horen dat de scheet al in 1975 was veranderd in een donderslag. In het folkliedje ‘De potsenmaker’, van een andere Herman, wiens achternaam spiegelbeeldig Erbé luidt.

Dit stuk verscheen eerder op De honingpot.