Koning Redbad en het Riepster Licht

Oude Folklore in het Oudfries Deel 2

Illustratie: de leginde fan it rypster ljocht in glas-in-lood voorstelling in de Aulazaal van het Academiegebouw van de Rijksuniversiteit Groningen. Bron: Wikimedia Commons

Door Arjan Sterken

Bij de Magnuslegende, die we de vorige keer hebben bekeken, lijkt op het eerste gezicht mogelijk te zijn dat het een historische gebeurtenis betreft. Deze wijdverspreide Oudfriese legende lijkt te zijn ontdaan van allerlei elementen die we tegenwoordig als fantasie zouden afdoen. Dit gaat niet altijd op, zoals bij de tekst die we vandaag bekijken: Fan dae koningen Kaerle ende Redbad.

Dit is een tekst die alleen in Westerlauwerse bronnen (dus uit het huidige Fryslân) te vinden is, namelijk Druk, Jus Municipale Frisonum (Buma en Ebel 1977, p. 126-131), en Codex Unia (Vries 2007, p. 74-77). Het is dus een tekst met een kleine verspreiding in een vrij beperkt gebied. Daarnaast zijn alle overgeleverde versies relatief jong, en zijn opgetekend aan het eind van de 15e eeuw. Waarom dit verhaal juist op dat moment in de bronnen opduikt is de vraag. Misschien is het verhaal pas rond deze tijd ontstaan, ingegeven door de Friese vrijheidsideologie: de Friese identiteit als een vrij volk met eigen rechtspraak. Deze vrijheid kwam steeds meer onder druk te staan, zowel van buitenaf (allerlei edelen uit het huidige Nederland en Duitsland die het op het kustgebied hadden voorzien) alsook van binnenuit (het conflict tussen de Vetkopers en Schieringers). Dit bijna twee eeuwen durende conflict wordt vrijwel de kop ingedrukt, met slechts enkele stuiptrekkingen naderhand, door hertog Albrecht van Saksen in 1498.

Het verhaal is duidelijk te classificeren als een oorsprongssage. In het verhaal worden tal van rechtsgebruiken verklaard vanuit (waarschijnlijk fictieve) historische gebeurtenissen en woordgrappen of volksetymologieën om plaatsnamen te verklaren. Het begint ermee dat Karel de Grote en koning Redbad (Radboud) van Denemarken beiden een claim leggen op het Grote Friesland. Dit laat het conflict zien wat we ook hebben gezien in het eerste deel van deze reeks: de Friezen behoren óf toe aan het heidense noorden, óf aan het christelijke zuiden (Schmidt 1972, p. 522, 527). Om hun twist te eindigen besluiten ze een wedstrijd te houden: wie het langst stil kan staan, die wint het gebied. Deze wedstrijd lijkt te zijn gebaseerd op een rechtspraktijk van de stilstandseed: de gezworen eed is geldig als het lukt om in kruishouding stil te blijven staan (Noomen 2001, p. 4). Karel laat als een echte trickster zijn handschoen vallen, waarna koning Redbad hem oppakt. Daardoor heeft Redbad bewogen, en de wedstrijd dus verloren. Hier zit ook nog een andere laag onder: het aanbieden van een handschoen werd in de middeleeuwen gedaan om een leenman, een ondergeschikte, te worden (Noomen 2001, p. 4). Koning Redbad heeft dus eigenlijk tweemaal verloren: eerst door te bewegen, en daarna door een handschoen aan te bieden aan Karel de Grote, en daarmee een leenman van hem te worden. Karel lacht o ho (in Jus Municipale Frisonum) of a ha (in Codex Unia), en daarom heet zijn burcht Hochenzie, wat het Fryske Huins of Hoekens kan zijn. Koning Redbad betreurt zijn verlies met een o wach, en daarom heet zijn burcht Wachenzie.

Na deze wedstrijd wil Karel de Grote het recht voor de Friezen bepalen. Hij nodigt de Friezen meerdere keren uit om langs te komen. Zij kiezen twaalf representanten uit voor de Zeven Zeelanden (zeven regio’s waaruit het Grote Friesland bestaat), maar ze vragen twee keer om een uitstel, en drie keer stellen ze verhinderd te zijn. Dit is de basis voor de uitstels- en verhinderingsgronden die vervolgens wettelijk zijn vastgesteld binnen het Oudfriese recht. Hierna is Karel het goed zat, en geeft de Friezen drie opties: ze kunnen allemaal worden gedood (volgens Codex Unia door onthoofding), ze kunnen allemaal lijfeigenen worden, of ze gaan op en schip … alsoe sterck, deer enen ebba ende enen floed ienstaen moege, ende dat sonder allerhanda remen ende roer ende tauwe (zo sterk dat het één eb en één vloed kan weerstaan, en dat zonder allerlei riemen of roer of touw)(Buma en Ebel 1977, p. 128). Een Fries is leaver dea as slaef (liever dood dan slaaf, een spreuk die afkomstig is van Bartholomeus Anglicus uit De Proprietatibus Rerum van 1240 (Schmidt 1972, p. 543)), maar kiest dan kennelijk toch liever voor de onzekerheid dan de zekere dood, dus ze gaan op het krakkemikkige schip de zee op totdat ze geen land meer kunnen zien. De twaalf representanten of asegas zijn zeer bedroefd, totdat één van hen zegt:

Jc habbe heerd, dat Godwse hera, dae hi oen eertricke was, toulif iongeren hede, ende hi solmtrettiensta was, ende hi toe himmen koem al bislettena dorem endetraeste se ende leerd se. Hoe bidda wij him naet oen, dat hij ws entrettundista seynde, deer ws riocht leere ende weer toe lande wise?” (Buma en Ebel 1977, p. 128).

“Ik heb gehoord, dat God, onze heer, toen hij op aarde was, twaalf discipelen had, en hij zelf de dertiende was, dat hij bij hen kwam achter gesloten deuren en hen troostte en hen corrigeerde. Waarom bidden we niet tot Hem, zodat Hij ons het recht leert en weer naar het land brengt?”

Na gebeden te hebben verschijnt er inderdaad een dertiende aan hen. De associatie met Christus lijkt zo sterk te zijn dat hij in latere, na-middeleeuwse versies zeker als zodanig wordt geïdentificeerd. Dit is echter niet duidelijk in de tekst zelf, want de tekst zelf vraagt zich af wie dat precies is, omdat niemand het leek te weten: dech ne wister nemma onder dae fulke hoek di trettundista were, deer ti hiarem kommen was (niemand van het volk wist echter wie deze dertiende was, die tot hen was gekomen) (Buma en Ebel 1977, p. 130). Deze dertiende vreemdeling heeft een gouden bijl bij zich, die hij als roer gebruikt om het schip weer veilig aan land te krijgen. Ze komen aan land bij Eswei. Aldaar slaat hij een graszode uit de aarde, waaruit een bron opspringt. Sindsdien heet die plek Axenhowe. Het is wel eens gesuggereerd dat deze twee namen staan voor de rechtsgemeenschap. De eswei (of ossenweg) is het gebied wat onder de jurisdictie valt, en de axenhowe de plek waar het rechtspreken daadwerkelijk plaatsvond (Halbertsma 1960, p. 36). Anderen hebben gesuggereerd dat de eswei verband houdt met het Nederlandse ‘essenweg’, wat zou staan voor de weg van de goden (Oudnoors ass-, beter bekend in de meervoudsvorm æsir), maar dat blijft speculatie (Schwartz 1973, p. 9). Aldaar leert de dertiende vreemdeling de Friese asegas het recht, en verdwijnt dan plotseling. Sinds die tijd kiest men dertien asegas uit, zodat men altijd bij stemming tot een beslissing kan komen.

Dit verhaal is ook tegenwoordig te vinden in allerlei boeken en op websites (twee voorbeelden hier en hier), alleen zijn het dan vaak gemoderniseerde versies. Met gemoderniseerd bedoel ik hier dat de verhalen aangepast zijn naar moderne beelden over de vroege middeleeuwen. In de moderne versies, die voornamelijk bekend zijn als de leginde fan it rypster ljocht, zijn de Friezen heidenen die bekeerd moeten worden. Van Karel de Grote moeten ze Christus in hun wetsteksten gaan noemen. Dit willen de Friezen niet: hun heilige taal, het Oudfries, mag nooit opgeschreven worden (maar hoe komen we dan aan al die rechtsbronnen?), en van Jezus willen ze al helemaal niks weten. Dit verandert als Christus aan hen verschijnt en hen als dertiende bijstaat in de boot en hen aan land brengt. In de laatmiddeleeuwse versies speelt dat echter helemaal niet. In het verhaal vinden we geen enkel teken dat de Friezen bekeerd moeten worden. Sterker nog: op de boot blijkt dat men de evangeliën kent, en zelfs weten deze zogenaamde heidenen hoe ze moeten bidden! In het oude Grote Friesland was er een heel andere voorstelling van zaken rond de vroege middeleeuwen. Daar speelt het idee dat de oude Friezen al lang goede christenen waren. Het was echter de kwade invloed van de Deense overheersing, historisch plaatsvindend vanaf de 8e eeuw, die de Friezen dwong om heidenen te worden. Door de bevrijding van het Deense gezag na de 11e eeuw (Schmidt 1972, p. 523), in de voorstelling teweeggebracht door Karel de Grote, konden de Friezen eindelijk weer goede christenen zijn.

Maar waarom heet deze moderne leginde nou die fan it rypster ljocht? Dit is een moderne titel, die voortkomt uit latere details. Volgens deze versies komen de Friezen aan land bij het Groningse Zeerijp. In het Gronings wordt dit plaatsje vaak Riep genoemd, dus daar komt het adjectief rypster vandaan. Tegenwoordig ligt Riep zeker niet aan zee, maar volgens de moderne versies heeft het dat wel ooit gedaan (meer waarschijnlijk is dat het aan een zeearm heeft gelegen). Eenmaal aan land gekomen gooit de dertiende het stuurhout op de grond, waar het vervolgens vlam vat. Dit wonderbaarlijke licht zou elke avond ontbranden om schippers veilig naar de haven van Zeerijp te voeren. Volgens Van der Aa zag men dit licht zelfs nog nadat de haven al lang was dichtgeslibt, wat voor hem een teken was om dit latere spooklicht toe te schrijven aan ‘den Booze’ (1851, p. 123-124). Waar het licht ooit een baken was om Oudfriezen naar land en naar Christus te leiden, zo is het nu een licht van de Duivel om Groningers te misleiden.

Referenties

Primaire bronnen

Buma, Wybren Jan, en Wilhelm Ebel, vert. 1977. Westerlauwerssches Recht I: Jus Municipale Frisonum, Erster Teil. Göttingen: Vandenhoeck und Ruprecht.

Van der Aa, A.J. 1851. Aardrijkskundig Woordenboek der Nederlanden: Dertiende en Laatste Deel, Z en Aanhangsel. Gorinchem: Jacobus Noorduyn.

Vries, Oebele. 2007. Is Het Dingtijd? De Hoogtepunten van de Oudfriese Tekstoverlevering. Leeuwarden: Steven Sterk.

Secundaire literatuur

Halbertsma, H. 1960. ‘Enige Hoofdlijnen in de Bewoningsgeschiedenis van Het Terpengebied Tussen Flie En Eems’. In Philologia Frisia Anno 1959: Lezingen En Debatten Fan It 2de Fryske Filologekongres Augustus 1959, 27–39. Groningen: J.B. Wolters.

Noomen, P.N. 2001. ‘Hachens En Wachens: Feit En Fiksje Yn Midsieusk Fryslân’. In Speculum Frisicum: Stúdzjes Oanbean Oan Philippus H. Breuker, geredigeerd door Rolf Bremmer, Lammert Jansma, en Piet Visser, 3–22. Leeuwarden: Fryske Akademy.

Schmidt, Heinrich. 1972. ‘Friesische Freiheitsüberlieferungen Im Hohen Mittelalter’. In Festschfrit Für Hermann Heimpel Zum 70. Geburtstag Am 19. September 1971: Dritter Band, 518–45. Göttingen: Vandenhoeck und Ruprecht.

Schwartz, Stephen. 1973. Poetry and Law in Germanic Myth. Berkeley: University of California Press.