Oude Folklore in het Oudfries

Magnus als Friese vaandeldrager op de zegel van Wonseradeel in 1270. Bron: Wikimedia Commons

Deel 1: het privilege van Karel de Grote

Door Arjan Sterken

Als je een onderwerp lang genoeg bestudeert, dan kom je het overal tegen. Een wiskundige gaat de wereld waarnemen in getalsmatige verhoudingen en algoritmes. Een bioloog vindt de rijkste ecosystemen onder een steen in het park. En ik, hij die zich vooral met mythologie en volksverhalen bezighoudt, vindt narratieven op de vreemdste plekken: wetscollecties geschreven in het Oudfries. In de komende tijd zal ik dan ook enkele van deze volksverhalen langsgaan in verschillende blogposts. Vandaag begin ik met de Oudfriese folklore rond Karel de Grote.

Tegenwoordig is Fryslân een bescheiden maar schone provincie in het Koninkrijk der Nederlanden. Dat is in het verleden wel eens anders geweest. Ooit was het gebied een stuk groter, en omvatte ook in elk geval het huidige Groningen en Ostfriesland. De precieze grenzen van dit zogenaamde Frisia Tota zijn niet bekend. Voor nu is het gebied tussen de Vlie en de Wezer het belangrijkst voor ons, want daar komen al onze Oudfriese rechtsbronnen vandaan. Maar het zou best kunnen zijn dat het verder oostwaarts uitstrekte, tot aan de Elbe of zelfs de Eiber. Hoe het ook moge zijn, het Friese land was ooit een stuk groter dan het nu is.

Dit Grote Friesland lag aan de rand van het Heilige Roomse Rijk, en had, zoals vaker het geval bij keizerrijken, daardoor een speciale positie binnen dit rijk. Het gold als een bufferzone tegen het noorden. Vikingen hadden geregeld de neiging om het Europese continent binnen te vallen, en door deze bufferzone kon het Heilige Roomse Rijk zich beschermen tegen verdere verspreiding van deze Noorse plaag.

Doordat deze bufferzones aan de rand van het rijk lagen, ontbrak er vaak de controlerende hand van het centrale gezag. Binnen het Heilige Roomse Rijk had het Grote Friesland dus een vrij bijzondere positie. Officieel viel het onder het gezag van de keizer, maar in de praktijk kwam daar weinig van terecht (Vries 2019, p. 13). Om toch enige orde te waarborgen hielden Friezen zich dan maar aan hun eigen recht, en daarom kunnen wij heden ten dage nog deze rechtsbronnen inzien, die in de loop van de 13e tot en met de 16e eeuw op schrift zijn gesteld. En volgens de Friezen komt dit privilege om het eigen recht te houden van één belangrijke historische persoon: Karel de Grote.

Karel de Grote is één van die figuren die de hele tijd terugkomt in de Oudfriese rechtsbronnen. Meestal wordt hij geroemd als de schenker van het privilege van de eigen Friese rechtspraak, maar we kennen hem ook als beschermer tegen de Vikingen of de vaststeller van het weergeld (de vergoeding die aan de familie van het slachtoffer wordt aangeboden bij doodslag). Het is maar de vraag of Karel de Grote de Friezen echt dit privilege heeft verleend. Het komt wel vaker voor dat een belangrijke historische gebeurtenis wordt toegeschreven aan een ander historisch figuur dan diegene die het werkelijk voor elkaar heeft gekregen. Dat lijkt hier ook het geval te zijn. De werkelijke verlener van het privilege is in de vergetelheid geraakt, en daarom werd de daad toegeschreven aan één van de beroemdste personages uit de vroege middeleeuwen. Dat Karel de Grote deze rol kreeg toebedeeld heeft waarschijnlijk te maken met de verspreiding van zijn cultische herdenking in de 12e eeuw, die ook in het Grote Friesland terecht kwam (Johnston 1998, p. 181).

Er zou een Latijnse oorkonde over dit privilege zijn verleend, die ook kan worden gevonden in de Oudfriese Hunsingoër Handschriften (Hoekstra 1950, p. 102-105), maar wat een vervalsing bleek te zijn (Bremmer 2004, p. 130, 133). Het zou zelfs tot de mogelijkheden behoren dat deze fictieve oorkonde heeft geleid tot het toelaten van eigen rechtspraak bij de Friezen, sinds keizer Sigismund de Friese rechtsprivileges bevestigde in 1417 (Johnston 1998, p. 185).

Naast dit valse privilege zijn er ook tal van verhalen over waarom Karel de Grote de Friezen het privilege van eigen rechtspraak gaf. Kennelijk was de bufferzone als verklaring voor de Oudfriezen niet spannend genoeg. Deze verhalen zijn niet alleen te vinden in het Oudfries, maar ook in het Latijn, Middelnederlands, en Middelsaksisch (Van Buijtenen 1953, p. 3). Met betrekking tot het Oudfries vinden we verscheidene verhalen, en vandaag behandelen we er één van: de Magnussage.

De Magnussage is de vaakst voorkomende oorsprongssage van de unieke Friese rechtspositie in het Heilige Roomse Rijk. De Magnus hier verwijst echter niet naar Carolus Magnus of Karel de Grote, maar naar een nieuw figuur, die in latere verhalen ook wel bekend staat als Magnus Forteman. Een versie van dit verhaal kan worden gevonden in maar liefst vier verschillende bronnen: Druk (de benaming voor het enige gedrukte boekwerk in het Oudfries), Jus Municipale Frisonum, Codex Unia, en het Fivelgoër Handschrift. Daarnaast wordt er naar dit narratief verwezen in de Prologen van bovenstaande codices (met de uitzondering van het Fivelgoër Handschrift) en in Codex Roorda, eveneens uit Westerlauwers Friesland (het huidige Fryslân). Daarnaast zijn er twee vergelijkbare versies te vinden, maar in deze versies ontbreekt het Friese personage Magnus: het Synodaal Recht en Fon alra Fresena fridome (uit het Tweede Hunsingoër Handschrift). Die laatste tekst voegt ook nog eens een veldslag tegen de Saksen toe. Als we al deze versies nemen, dan is het verhaal verspreid over vrijwel het hele gebied van het Grote Friesland. Het zwaartepunt van de Magnussage lag wel in het hedendaagse Fryslân, want de meeste versies komen daar vandaan.

De Magnussage

De versie uit het Fivelgoër Handschrift (Sjölin 1970, p. 260-265) is het beknoptst. In deze versie moet Karel de Grote het opnemen tegen de heren van Rome. De Friezen zijn hier ook bij aanwezig, maar men is hen nogal aan het treiteren. De Friezen worden op de frontlinie opgesteld, maar ze zijn naakt: kleren hebben ze niet, en wapens al helemaal niet. Tegen elke verwachting in, echter, strijden de Friezen zeer heldhaftig, en binnen drie uur hebben ze Rome veroverd. Magnus, de vaandeldrager, plaatst de Friese vaandel op de allerhoogste toren van Rome. Karel de Grote probeert ze vervolgens af te kopen met zulke zaken als goud, mooie gewaden, en zelfs een eigen rijk waar ze als koningen op hun wenken bediend zullen worden. Magnus wijst dit alles echter af, en hij vraagt om de zogenaamde zeven Magnuskeuren:

  1. Alle Friezen zullen vrijgeboren zijn alsa longe sa thi wind fonta himele weide and thio wralde stode (zo lang als de wind uit de hemel waaide en de wereld stond);
  2. De Friezen raken hun houten halsband kwijt (daar kom ik straks op terug) en zullen koning Karel op vrijwillige wijze bijstaan in de strijd;
  3. De Friezen worden ontzien van de meeste belastingen aan de koning;
  4. De Friezen worden ontzien van de meeste belastingen aan de kerk;
  5. De Friezen worden ontzien van verre veldtochten, omdat ze het rijk moeten beschermen tegen de Vikingen en de vloed van de Noordzee (daar kom ik in een later deel nog eens op terug);
  6. De Friezen hebben recht op eigen rechtspraak;
  7. Dit alles en meer wordt opgesteld in een oorkonde, ondertekend door Karel de Grote en paus Leo (die dus als vervalsing in omloop was).

Karel de Grote en paus Leo gaan hiermee akkoord, en dus zijn de Friezen vrij, alsoe langhe als dae di wijnd fan dae olkenem waye ende dio wrald stoede (spelling stond nou eenmaal niet bepaald vast in de late Middeleeuwen). De oorkonde wordt naar de Sint Michaelsdom van Almenum gebracht. Almenum is een buurtschap bij Harlingen in de buurt (in ons Fryslân, niet in Duitsland), en nog altijd gaat het verhaal de ronde dat de vaandel van Magnus Forteman (zoals de Friese held ook wel bekend staat) in de muur van de Dom is ingemetseld. Magnus wordt dus nog steeds herinnerd, misschien juist omdat hij eigenlijk een late Friese volksheld is: de Magnussage komt pas voor in Oudfriese manuscripten vanaf de 15e eeuw (Noomen 1989, p. 19). Magnus als een figuur bestaat waarschijnlijk al langer, maar wellicht in een andere rol. In de middeleeuwen was sint Magnus van Trani een bekende heilige, en in elk geval vanaf de 11e eeuw is hij te vinden als patroonheilige van zendingskerken in Drente en het Grote Friesland (p. 20). Vanaf 1270 is sint Magnus in elk geval te vinden als Friese vaandeldrager op de zegel van Wonseradeel, en ook in Harlingenland (nu wel in Duitsland) vinden we sint Magnus samen met sint Willehad (één van de missionarissen naar het Friese gebied in de 8e eeuw) op het stadswapen (p. 23). Het is niet onmogelijk dat het figuur van Magnus het Grote Friesland binnenkwam als een heilige, waar hij een groeiende populariteit ondervindt (er waren zelfs ooit relieken van de beste man in het Grote Friesland (p. 21)), om uiteindelijk zelfs tot een soort nationale held te worden uitgeroepen en herinnerd.

De versie uit Jus Municipale Frisonum (Buma en Ebel 1977a, p. 130-135) voegt de motivatie toe waarom Karel de Grote en de heren van Rome met elkaar op de vuist gaan: om dis pauwes Leo aghene (vanwege de ogen van paus Leo). Duidelijk zo. Om dit te begrijpen, kunnen we kijken naar twee andere teksten. Allereerst hebben we het al eerdergenoemde Rustringer Synodaal Recht. Dit is de eerste versie die we van dit verhaal vinden, sinds het Eerste Rustringer Handschrift één van de eerste Oudfriese handschriften is (circa 1300) (Bremmer 2009, p. 13). Daarnaast is er de rijmkroniek Hoe dae Fresen Rom wonnen, ook te vinden in Jus Municipale Frisonum (Buma en Ebel 1977b, p. 384-397). Beide teksten stellen dat de ogen van paus Leo worden uitgestoken, waarna Karel de Grote tegen de daders, de Roomse heren, ten strijde trekt. Karel de Grote doet dit misschien uit vroomheid, of anders omdat hij en paus Leo broers zijn, zoals andere kronieken stellen (Van Buijtenen 1953, p. 13). Friesland helpt mee door 700 (Rustringer Synodaal Recht) of 7000 (Hoe dae Fresen Rom wonnen) manschappen te sturen. Na het veroveren van Rome krijgt paus Leo het zicht terug tijdens een mis.

Terug naar die houten halsband, zoals ik beloofde. De houten halsband stond als een teken voor de Deense overheersing (Van Buijtenen 1953, p. 18). Het idee was dat Friezen voor een lange tijd onder de heerschappij van de Vikingen vielen. Dit is in elk geval gedeeltelijk historische realiteit: de Vikingen vielen tussen 850 en 950 vaak binnen (Nijdam en Knottnerus 2019, p. 93). Volgens de Kleine Oudfriese Kroniek (uit Jus Municipale Frisonum) werden de houten halsbanden aan de Friesen opgedwongen door de koning van Denemarken, wat dus laat zien dat dit idee heerst binnen de latere Oudfriese gemeenschap. De hele valse oorkonde geldt daarin als een loyaliteitsbevestiging van de Friezen: het zijn christenen die tot het zuiden (het Heilige Roomse Rijk) behoren, en niet meer tot de heidenen in het noorden (Johnston 1998, p. 182), over wie we het later nog uitgebreider gaan hebben. Overigens stelt Gossens dat deze houten halsband historische fictie is: het komt voort uit het verkeerd begrijpen van de term frihals. Deze ‘vrije hals’ staat voor een vrij persoon, maar de hals werd later letterlijk gelezen in plaats van als alleen een simpele pars pro toto: de Friezen waren niet vrij, en daarom was hun hals bedekt (Van Buijtenen 1953, p. 24). Zelfs als dit het geval is, dan weet de Verklaringen bij de 17 Keuren ons te vertellen dat het om een eikenhouten halsband gaat.

En zo kwamen de Oudfriezen dus aan hun eigen recht. Door de heldhaftigheid van de Oudfriezen zijn wij dus nu in staat om hun oude rechtsbronnen te lezen, en te vernemen over hun heldendaden in hun eigen woorden. Er zijn ook andere sagen over het verkrijgen van het recht, waar we de volgende keer in zullen duiken.

Bibliografie

Primaire bronnen

Buma, Wybren Jan, en Wilhelm Ebel, vert. 1963. Das Rüstringer Recht. Göttingen: Musterschmidt-verlag.

Buma, Wybren Jan, en Wilhelm Ebel, vert. 1977a. Westerlauwerssches Recht I: Jus Municipale Frisonum, Erster Teil. Göttingen: Vandenhoeck und Ruprecht.

Buma, Wybren Jan, en Wilhelm Ebel, vert. 1977b. Westerlauwerssches Recht I: Jus Municipale Frisonum, Zweiter Teil. Göttingen: Vandenhoeck und Ruprecht.

Gerbenzon, P., red. 1954. Codex Parisiensis. Den Haag: Martinus Nijhoff.

Hoekstra, J., red. 1950. De Eerste En de Tweede Hunsinger Codex. Den Haag: Martinus Nijhoff.

Sjölin, B., vert. 1970. Die ‘Fivelgoer’ Handschrift. Den Haag: Martinus Nijhoff.

Secundaire literatuur

Bremmer, Rolf. 2004. Hir Is Eskriven: Lezen En Schrijven in de Friese Landen Rond 1300. Leeuwarden: Fryske Akademy.

Bremmer, Rolf. 2009. An Introduction to Old Frisian: History, Grammar, Reader, Glossary. Philadelphia: John Benjamins Publishing Company.

Johnston, Thomas. 1998. ‘Old Frisian Law and the Frisian Freedom Ideology: Text and Manuscript Composition as a Marketing Device’. In Approaches to Old Frisian Philology, geredigeerd door Rolf Bremmer, Thomas Johnston, en Oebele Vries, 179–214. Amsterdam: GA.

Nijdam, Han, and Otto Knottnerus. 2019. ‘Redbad, the Once and Future King of the Frisians’. In Northern Myths, Modern Identities: The Nationalisation of Northern Mythologies since 1800, geredigeerd door Simon Halink, 87–114. Leiden: Brill.

Noomen, P.N. 1989. ‘St. Magnus van Hollum En Celdui van Esens. Bijdrage Tot de Chronologie van de Magnustraditie’. De Vrije Fries 69: 7–32.

Van Buijtenen, M.P. 1953. ‘De Grondslag van de Friese Vrijheid’. PhD dissertatie, Amsterdam: Universiteit van Amsterdam.

Vries, Oebele. 2019. ‘Hoe Middeleeuws Friesland Zich Profileerde Met de Friese Vrijheid’. It Beaken 81 (1/2): 3–14.