Nogal niet heerlijk!

Een Hollandse constructie aan het Binnenhof

Terpstra, Van der Staaij, Rutte, Van der Vlies

Ik heb een tante en een oom, die zitten in een eikeboom, een eikeboom in Laren. Dat zijn de beginregels van een klassieker van Annie M.G. Schmidt uit de tijd dat een eikenboom nog een eikeboom mocht zijn. Fantastisch! Ze zijn er erg tevreden. Oom haalt brood en komt weer thuis, de kinderen klauteren rondom het huis en nóóit valt er een naar beneden.

Dat gymmen door de kinderen was al in een eerder couplet beschreven: “Het is nog al niet heerlijk, zeg, dat klauteren in die takken!” Taal is een van de prachtige elementen in de kinderversjes van Annie MG (die misschien meer nog geschikt zijn voor neer gevorderde beheersers van het Nederlands door de idiomatische rijkdom) – ik geniet ook van de schitterende namen die ze haar creaturen gaf, schreef er in 1987 een stuk over in Leesteken magazine, “De kindergedichtjes van Annie M.G. Schmidt” (blz. 12-14).

Héerlijk is het, dat klauteren in de takken. De lezer krijgt in éen adem met de uitdrukking “nogal niet heerlijk” een bevestiging van dat verrukkelijke, inclusief een verzwegen uitroep in de sfeer van poepoe! Nogal niet heerlijk = ‘ontzettend heerlijk’, nogal niet versterkt het volgende bijvoeglijk naamwoord of bijwoord. Het lijkt welhaast of nogal niet X gelezen kan worden als niet nogál, een beetje X (maar juist heel érg X). Kennelijk is dat al heel lang gangbaar in diverse varianten van de volkstaal. In de Provinciale Zeeuwse Courant van 13 maart 2003 wordt een Jacob Hobein uit 1831 aangehaald: “Ik nam zulks aan, ik was nogal niet van een klein gerugje bevreest (…)”. De ik-figuur is ontzettend bang voor een roddeltje, zo begrijp ik de tekst. Niet is het woordje dat als het ware nogal ontkent dus ‘niet een klein beetje’ (lees als het ware “nogal-niet X” dus ‘ontzettend’).

Voor we bij de taal aan het Binnenhof komen, leert een korte blik in een lange lijst bronnen die Delpher levert én de krantenbank LexisNexis, hoe geregeld de combinaties nogal niet en nogal geen voorkwamen én nog steeds voorkomen.

Via Delpher blijken vooral kinderboeken bronnen van verwarring omdat daar bijvoorbeeld “nogal niet streng” juist ‘bepaald niet streng’ betekent, een wond wordt “gelukkig nogal niet ernstig” genoemd, “nogal niet erg onder gebukt” is evident ‘helemaal niet onder gebukt’ (want stralend zag betrokkene eruit). Ander opmerkelijk Delpher-punt: de regionale verspreiding van de auteurs is veel ruimer dan ik uit de sprekers in de Handelingen concludeer.

Laten we een steekproefje LexisNexis bekijken en er valt dan direct een belangrijk verschil op: hier zien we “nogal niet” gevolgd door een woord als watniks of een zelfstandig naamwoord ingeleid door een. De variant is “nogal geen” gevolgd door een zelfstandig naamwoord, een onderwerp dat hier al eens kort aan de orde was.

Uit de citaten zijn met een beetje voorzichtigheid enkele conclusies te trekken:

  • de constructie staat vaak in de zaterdagkrant en in citaatvorm
  • wat impliceert dat deze voorkomt in langere verhalen
  • en het onderstreept hoe vaak het om volksige taal gaat
  • samen met nogal duikt nogal eens een me op
  • en het is vooral Brabants-Hollands-Zeeuws als we naar de bronnen kijken

Paar voorbeelden van nogal niet X en nogal geen X uit de krantenbank:

  • Het is ook nogal geen boodschap die ik de mensen aan de Turfweg bracht.
  • Hij heeft nogal geen pegel in zijn poten ook. Met links en rechts hè (over een voetballer met kwaliteiten)
  • Het zijn ook nogal geen rotklappen die je soms hoort
  • Het is nogal geen aardige melkkoe zeg, die spaarders die maar steeds braaf betalen.
  • Het is nogal niet wat, honderd. (Annie de Reuver over die leeftijd in de toekomst: poepoe!)
  • En dat, terwijl er hier nogal niet een claim wordt gelegd (een grote claim)
  • Conservatief in de Nasionale Party in Zuid-Afrika, dat is nogal niet een beetje conservatief. (aarts-)
  • We zijn nogal niet wat kwijtgeraakt. (heel wat)
  • De prijs is hoog. Het is nogal niet een operatie. (een enorme onderneming)
  • Het is nogal niet een opdracht: én slopen én bouwen én het verkeer laten doorgaan. (grote klus)

Net als in een vorige aflevering (Nogal klontjes) zie ik in nogal niet + X in de Tweede Kamer Westelijk Nederlands, want de geboorteplaatsen van de sprekers v/m zijn Rotterdam, Hilversum, Den Helder, Sliedrecht, Haarlem, Vlaardingen en ‘s-Gravenhage. De plaatsnamen van sprekers die nogal niet + X zeggen sporen met achtereenvolgens:

  • “Het is mij nogal niet een programma.” ‘grote opgaaf’ (1976, Annemieke van Heel-Kasteel)
  • “ — het is nogal niet wat — ” (1991, Jan Franssen)
  • “Dat is nogal niet niks” (1996, Paul Rosenmöller)
  • “Het is nogal niet niks.” nl. de omvang van de staatsschuld (2000, Bas van der Vlies)
  • “We doen nogal niet wat.” (2003, Joop Wijn)
  • “Het is nogal niet niks als…” (2011, Kees van der Staaij)
  • •Het is me nogal niet wat!” sc. omvangrijke tekst (2018, Mark Rutte)

Nogal geen + X levert het volgende beeld op:

  • “Het is nogal geen kleinigheid” (1978, André Kloos Eerste Kamer)
  • “Het maakt nogal geen verschil” ‘alle verschil’ (1979, Erica Verkerk-Terpstra)
  • “Dat is me nogal geen uitspraak!” (1996, Eimert van Middelkoop)
  • “Dat is nogal geen ruimtelijke ingreep.” (2000, Gert Schutte)
  • “Er zit me nogal geen kapitaal in de grond daar!” (2002, Bas van der Vlies)
  • “Dat zijn nogal geen uitspraken!” (2008, André Rouvoet)
  • “Dat zijn nogal geen indicatoren!” (2009, Alexander Pechtold)

De geboorteplaatsen van deze sprekers zijn volgens parlement.com achtereenvolgens Amsterdam, ‘s-Gravenhage, Berkel en Rodenrijs, Nieuwpoort (Z.H.), Sliedrecht, Hilversum, Delft. Kortom: Holland.

Dit stuk verscheen eerder op het blog van Siemon Reker