Gedicht: Julius Vuylsteke • Fabriekgalmen

Fabriekgalmen

I

De vrouw droeg een kan en haastte zich straf,
de kan was oud, haar oor brak af.

Daar vloeide op den grond de soep uit de kan:
die soep was het noenmaal van zoon en man….

Die beiden werkten in de fabriek:
de verpestende lucht, daar, maakte hen ziek.

Van ’s morgens vroeg waren zij aan het werk,
zij haakten naar ’t uur van het noenmaal sterk.

De vrouw viel aan ’t schreien: voorbijgangers lachten.
Een hond kwam bij, die naar spijs scheen te smachten.

Hij rook aan het noenmaal van man en zoon,
en hij ging zijnen weg: hij was beters gewoon!

II

‘Wij willen verbeetring, wij willen méér winnen,
of anders is ’t uit met weven en spinnen.

‘Wij willen meer brood, een gezondere woon,
wij werken niet langer voor zulk een loon.’

De Politie verscheen en sprak verbolgen:
‘In naam der Wet zult gij mij volgen.

‘Komaan, geen tegenstribbelen, mannen;
wij zullen u leeren samenspannen!

‘Eerbiedig voorwaarts! Zoo niet, Gendarmes,
faites usage de vos armes!’

Zij worden vóór den Rechter gezonden,
als dieven, als moordenaars gebonden.

De Wet gebiedt, en er hoeft een voorbeeld:
In naam der Wet zijt ge allen veroordeeld. –

‘Onschuldig vóór ons Geweten, vóór God,
waarom dan moeten ook wij naar het kot?…’ –

Een jaar, zes maanden, de kosten… Zwijgen!
Gij hebt u vereend om uw loon te doen stijgen!

III

De jongen is op zijn tiende jaar;
noch lezen noch schrijven kan hij voorwaar.

Maar vader wint weinig, en moeder is ziek:
het kind moet mede naar de fabriek.

Als draadjesmaker wordt het geplaatst
te midden van ’t werktuig, dat ronkt en raast.

‘Ach vader, ’t is hier zoo benauwd…’ – Let op,
of anders grijpen de riemen uw’ kop.

‘Mijn oog is zoo moede, mijn hoofd is zoo zwaar…’ –
Let op, of de tanden grijpen uw haar.

‘Ach vader, ik voel mijne armen verlammen.’ –
Let op, of ze raken tusschen de krammen.

De vader gebiedt, het kind zwijgt stil;
welhaast, weerklinkt een snerpende gil.

Bloed verft riemen en draden rood.
Het kind heeft geleden, het kind is dood.

(1860-1861)

Julius Vuylsteke (1836-1903)
uit: Verzamelde gedichten (1887)


Abonnees van Laurens Jz. Coster ontvangen iedere werkdag een gedicht per mail.