‘De loterij-jood’ en ‘De kanten jodin’ (1833)

Jeugdverhalen over joden (87)

‘De loterij-jood.’ Illustratie uit De kleine mimiek, of De vrolijk zingende knaap (1833). Het lied diende te worden gezongen op de wijze van: ‘’k Zag een walvisch in de boomen’.

Door Ewoud Sanders

Auteur: Gijsbertus van Sandwijk (1794-1871)

Birgers! nah wie zal het wagen?
Koopt heen briefje voor hacht dagen.
Groote prijzen zijn her in.
Als het immers kan geberen,
Als je rijk wordt, hait een treren [waarschijnlijk: uit de tranen, uit het verdriet / de zorgen; ES]
Mit je gansche haisgezin.

Birgers! wil’t baij Nathan wagen,
Nah! je zilt je niet beklagen.
Als je zilt gelikkig zijn;
Als je een groote prijs zilt trekken.
’t Loterijen his geen gekken,
Als het is een zilvermijn.

‘De kanten jodin.’ Illustratie uit De kleine mimiek, of De vrolijk zingende knaap (1833). Te zingen op de wijze van ‘Er is een tijd om braaf te leeren’.

Nah, Birgers! de el voor vijftien centen
Van d’hallerbeste kant;
Hik wil her af, ’k ben moê van ’t venten,
’t His ’t laatste hait mijn mand.

Je kint het wasschen, zonder liegen;
Wat his het fijn en breed!
Geloof me, ’k zal je niet bedriegen,
Zoo waar ik Rachel heet.

Komt Birgers! ’k zal je goed behandlen,
Koopt vrij mijn mandje leeg.
Dan kan ik naar mijn haisje wandlen,
Hin de ailenbirgersteeg.

Herkomst en drukgeschiedenis

Gijsbertus van Sandwijk werkte het grootste deel van zijn leven als hoofdonderwijzer op de stadsburgerschool in Purmerend. Daarnaast publiceerde hij ruim honderd boeken, voornamelijk voor de jeugd. Het gaat om (les)boeken over o.a. taal, rekenen, aardrijkskunde, lichamelijke oefening, de natuur, geschiedenis en godsdienst.

         Van Sandwijk publiceerde ook veel liedjes en ‘boertige rijmelarijen’, zoals hij ze zelf noemde. Die droeg hij voor op bijeenkomsten van de Maatschappij tot Nut van ’t Algemeen.

         Van Sandwijks schoolboeken waren ‘in hun tijd zeer geacht’, aldus een biografisch naslagwerk. Bij zijn overlijden schreef een dagblad in een korte necrologie: ‘De aardige verteller, de gezellige huis- en kindervriend, in vroeger jaren kinderschrijver bij uitnemendheid, zal nog lang in veler herinnering voortleven.’

         De liedjes ‘De loterij-jood’ en ‘De kanten jodin’ verschenen in 1833 in de bundel De kleine mimiek, of De vrolijk zingende knaap. Alle liedjes in dit boekje zijn geïllustreerd. Het bundeltje verscheen in twee edities: met handgekleurde platen en in zwartwit. De naam van de illustrator is niet bekend. Volgens een advertentie van de uitgever uit 1834 werden Sandwijks ‘werkjes met goed succes gedebiteerd’.

         Net als veel schrijvers voor en na hem, laat Van Sandwijk zijn joodse personages het Nederlands op een typische manier uitspreken: burgers wordt birgers, uit wordt hait, acht wordt hacht, Uilenburgersteeg (een straat in Amsterdam waar veel joden woonden) wordt ailenbirgersteeg, enzovoorts.

‘De chinaasappelen jood’ (1835)

Illustratie uit het Lees- en prentgeschenk voor lieve kinderen (1835)

Van Sandwijk wijdde vaker gedichten aan joodse straathandelaren. In 1835 publiceerde hij in Lees- en prentgeschenk voor lieve kinderen het gedicht ‘De chinaasappelen jood’.

De Jood:
Birgers, hier! Hier mot je wezen!
Chinaas applen, haitgelezen,
Groot van stik, hen fraai van kleer.
Nah! hik wil niet langer venten;
Zoek maar hait voor een paar centen;
Goed dat zijn ze, hop mijn eer!

Karel:
Abram! ’k wil één centje geven.

De Jood:
Word gelikkig! bij mijn leven!
Zijn dat happels voor een cent?
Jongen! nah! wat mag je praten;
Sappig zijn de bovenmaten.
Denkje, dat hik prillen vent.

Karel:
Ja, maar joden kunnen liegen!
Gistren zag ik ma bedriegen.
[…]
De Jood:
Waai, o waai! dat kleine kindren
Mij, heen eerlijk man, mag hindren!
Kijk! dat’s hongepermitteerd.

Karel:
Abram! als ’t dan moet geschieden,
Wil ik nog wel meerder bieden;
Maar gij zijt zoo gauw bezeerd.

De Jood:
Nah! wat bied je voor de zeven?

Karel:
’k Wil, voor drie, vier centen geven,
’k Geef geen halve cent ook meer.

De Jood:
Daar! je zilt gelikkig wezen!
’k Heb ze gistren nog gelezen,
Nah! het kan er naauwlijks deer.

Karel liep op vlugge beenen,
IJlings naar zijn moeder henen,
Zei haar, wat hij had gekocht;
Maar wat was hij ontevreden:
Toen ze een’ appel opensneden,
Was daarin noch sap noch vocht.
‘Ach!’ riep Karel, ‘’k ben bedrogen;
‘Foei, wat heeft die smous gelogen!
’k Wensch, dat hem ’t er ook naar ga!’

‘Karel laat u nooit bepraten!
Wat men vent langs ’s heeren straten,
Deugt vaak zelden,’ zei zijn ma.
‘Maar gij moogt geen’ jood ooit schelden,
Door hem smous te noemen. Zelden
Deugt iets wat m’ op straat u biedt,
Of het christnen zijn of joden!
Wat u daar wordt aangeboden,
Is meest uitschot [troep], anders niet.’

Levie de marskramer

Tussen 1841 en 1852 was Van Sandwijk redacteur van het Prenten-magazijn voor de jeugd. Hij schreef het zelf vol. Ook in dit tijdschrift voert hij een paar maal joodse straathandelaren op.

Zo lezen we in 1841, in de rubriek ‘Hulpvaardigheid’, over Levie de marskramer. Doordat de riem van zijn mars breekt, valt zijn handel – linten, kant, mutsen, doeken – op straat. De jonge Toon schiet te hulp. Dat getuigt van christelijke naastenliefde, stelt Van Sandwijk. Toon ‘behoort niet tot die ondeugende kinderen, die oude, arme of gebrekkige lieden dikwijls uitjouwen of verachtelijk behandelen’.

            Dat ‘eene goede daad ook altijd hare belooning vindt’, ondervindt Toon als hij kort daarop in het water valt. Vanwege de woeste stroom durven omstanders niet te water te gaan. Maar Levie, die toevallig langsloopt, aarzelt geen moment. ‘Naauwelijks hoort hij, dat het Toon is, die in het water ligt of hij zet zijn marsje neder, springt in het water en redt, met groot levensgevaar, den hulpvaardigen Toon van een’ wissen dood’.

De loterij-jood en de zuurverkoper

In 1846 publiceerde Van Sandwijk in het Prenten-magazijn voor de jeugd een artikel van ruim dertig pagina’s over ‘straat-nering’. Naast ‘Levie, den loterij-jood’ en ‘Lijp, den zuurverkoper’ passeren daarin onder meer verkopers van beeldjes, paraplu’s, ketels, muizenvallen en zwavelstokjes de revue. Bij ieder portret staat een houtgravure, met daaronder eerst een gedicht en daarna een liedje. De korte gedichten over de twee joodse straathandelaars zijn hier in hun geheel opgenomen, de liedjes vat ik samen.

‘Levie, den loterij-jood’, illustratie uit Prenten-magazijn voor de jeugd van 1846.

Mijnheer! dáár! Khoop dit lot, gelikkig zal je wezen.
Een nommer – o zoo mooi! de loten zijn gerezen.
Nah! ’k mot er af, mijnheer! straks trekt de loterij.
Dáár! spoedig‚ khoop het maar, de tijd is haast voorbij.
Mijnheer lief khijk eens hier! dit briefje mot je spelen!
Twee cijfers met een staart, een nommer om te stelen.
Geloof me, ’t is een lot, zoo als je er ooit [sic; ES] een vond,
Nah! wil je niet, mijn heer! mijn heer! nah! blijf gezond.

Het lied ‘Levie, den loterij-jood’ (op de wijze van: ‘De wereld is in rep en roer’) bevat zes coupletten van zes regels. Levie komt uit Amsterdam; hij spreekt mannen en vrouwen aan en garandeert dat zijn lot hun fortuin zal brengen (‘hop mijn eer’). Mocht dat werkelijk gebeuren, dan vraagt hij:

Ach! Dhenk aan mij dan. Waar ik woon?
Op ’t Kolkjen, ik ben Sara’s zoon.
(…)
Neem meê! ’t Zal uw gelik bevatten.
Dan dhenkt gij ook aan mij, mijn Heer!
En ’k maak voor mimmele, op mijn eer,
Ook goede massematten [negotie, handel; ES].

‘Lijp, den zuurverkoper’, illustratie uit Prenten-magazijn voor de jeugd van 1846.

Gij kunt geen zure waar, gelooft mij, beter vinden.
Dan hier bij koopman Lijp; hier koopt gij, goede vrinden!
Agurkjes [sic], fijn van smaak‚ en frissche roode biet,
In wijnazijn gelegd, en zuiver‚ zoo gij ziet.
Zijne eijers worden meê door kenners hoog geprezen‚
Waarom dan allen ook bij Lijpie willen wezen.
Ei! hoor eens hoe de man zijn zure waar bezingt.
En in zijn kunstloos lied u ook tot koopen dringt.

Het liedje ‘Lijp, den zuurverkoper’ (op de wijze van: ‘Schilder! ’k wou mij zelven zien’) bevat acht coupletten van acht regels. ‘Lijpie’ komt uit ‘de Amstelstad’; hij verkoopt niet alleen ‘agurkjes’ maar ook hard- en zachtgekookte eieren, ingelegde bieten en sachejoenen (bepaalde uien). Hij maakt bezwaar tegen de wild stoeiende jongens voor zijn kraam. Ze brengen zijn handel in gevaar en hinderen een potentiële klant. Als hij de jongens heeft weggejaagd, zegt hij tegen zijn klant:

Nah! mijn Heertje lief! mijn Heer!
Zal ik ieuw wat geven?
Sachejoentjes? hop mijn eer!
Voor een’ staiver, zeven.
En ze smelten hin je mond!
Wil je niet? nah, blijf gezond!
’k Zal mijn waar wel slijten,
Maar het zal je spijten.

In 1852 nam Van Sandwijk alle liedjes en gedichten over straathandelaren op in de bundel Vertellingen en liedjes: een onderhoudend mengelwerk.