Wat maakt Hans Bennis tot een goede neerlandicus?

Laudatio bij toekenning van de Everwinus Wassenbergh Penning, uitgesproken tijdens de neerlandistiekdagen in Leiden 6-7 maart 2020.

Door Marc van Oostendorp

Als er iets duidelijk is geworden in de afgelopen dagen, is het dat de neerlandistiek op zoek is naar de eigen identiteit. Wie zijn wij? Wat maakt iemand tot een neerlandicus? Wat maakt iemand tot een goede neerlandicus?

Het is een vraag waar ieder vakgebied dat een knip voor de neus waard is, een antwoord op probeert te formuleren, en een van de manieren die daarvoor wordt gekozen is dat er af en toe iemand een ander aanwijst als een voorbeeld: dit vinden wij nu echt een uitstekend idee van hoe iemand in ons vak kan zijn.

Dat is het idee geweest achter de Everwinus Wassenbergh Penning, een prijs die voortkomt uit de boezem van de jury van het elektronisch tijdschrift Neerlandistiek. Een keer in de twee jaar willen we deze penning, genoemd naar de eerste hoogleraar Nederlands, in Franeker, uitreiken aan iemand die zich langere tijd voor ons vak in de volle breedte heeft ingezet, en in ieder geval aantoonbaar heeft gedaan in de drie gebieden die het vak definiëren: het onderzoek, het onderwijs en het contact met het publiek. De prijs wordt iedere twee jaar uitgereikt tijdens de Neerlandistiek-dagen met een laudatio voor de winnaar. Daarbij wordt dan ook de penning overhandigd.

Mij is de eer om de allereerste laudatio uit te spreken, en het doet me genoegen dat dit mag zijn aan Hans Bennis, iemand die inderdaad in alle genoemde gebieden een grote bijdrage heeft geleverd. Hij is de laatste decennia vooral heel zichtbaar geweest als bestuurder – als directeur van het Meertens Instituut en als algemeen secretaris van de Nederlandse Taalunie – en dat heeft mogelijk zijn talrijke andere verdiensten voor sommigen wat overschaduwd. Maar juist ook op die andere gebieden zijn die verdiensten enorm geweest.

Neem eerst het onderzoek. In een recent interview met het radioprogramma De Taalstaat bracht Bennis dat zelf juist weer naar voren: zijn fascinatie voor de kleine woordjes van het Nederlands – het wonderlijke gedrag, bijvoorbeeld, van het woordje er. En in een recente bijdrage aaneen jubileumnummer van Linguistics in the Netherlands, waarin mensen worden opgeroepen om een terugblik op de afgelopen 50 jaar, besloot hij die terugblik te wijden aan GLOW, generative linguistics in the old world, de organisatie van generatieve taalkundigen in Europa.

Want het is duidelijk dat hier Bennis’ onderzoekhart lag en ligt: de generatieve syntaxis, en dan met name toegepast op het Nederlands. Hij behoorde misschien niet tot de eerste generatie Nederlandse taalkundigen die Chomsky in ons land introduceerden, en daarmee het beta-achtige onderzoek binnen de neerlandistiek, maar dan toch wel tot de anderhalfde. Het is ook niet overdreven om te stellen dat omgekeerd Bennis, vooral in de jaren tachtig en negentig, hier in Leiden, samen met anderen, mee heeft geholpen het Nederlands op de internationale onderzoeksagenda te zetten. Het hedendaagse Nederlands heeft een van de best beschreven grammatica’s ter wereld, en dat is onder andere aan Bennis te danken. Overigens heeft Bennis daarbij altijd ook belangstelling gehad voor meer dan alleen maar het tekenen van syntactische boomdiagrammen en in de loop van de jaren ook gepubliceerd over bijvoorbeeld afasie of Nederlandse dialecten.

Daarnaast is hij ook altijd een onderwijsman geweest. Vele, vele neerlandici zijn door hem opgeleid, misschien hebben ze bijna allemaal wel op de een of andere manier direct of indirect met hem te maken gehad. Behalve korte tijd als leraar op de middelbare school heeft hij ook gewerkt als UD, UHD en hoogleraar aan verschillende Nederlandse universiteiten. Ook als zodanig heeft hij zich ingezet voor het schoolvak, door te strijden voor meer inhoud in dat vak. Hij maakte veel indruk op zijn studenten; onlangs vertelde een van hen, uit Leiden, me dat ze samen met een medestudente een keer naar Amstelveen was gereisd om daar een werkstuk door de brievenbus te doen, uit angst dat ze te laat zouden zijn. Vermoedelijk heeft zijn belangrijkste bijdrage hier echter bestaan uit enkele zeer succesvollle leerboeken over, alweer, de generatieve syntaxis, eerst samen met Teun Hoekstra, en later met Tamar Israël. Die boeken zijn op tal van universiteiten én in lerarenopleidingen op het hbo gebruikt. Het is misschien ook een onderscheidend kenmerk van de gemiddelde neerlandicus dat hij een beetje terugschrift van de generatieve syntaxis, maar dat ligt zeker niet aan de inspanningen van Bennis.

En dan zijn er de inspanningen voor publiekscommunicatie. Nog maar een paar jaar geleden gar Bennis bij Prometheus een boek uit over wat hij Korterlands noemde, soorten van taalgebruik – zoals per sms – waarin mensen zich elliptische uitlaten dan de bedoeling was. Maar hij werkte ook bijvoorbeeld mee aan de Taalcanon, en nog in zijn Leidse periode was hij een mederedacteur van een bundel over het Groene Boekje. Hij heeft tal van lezingen gegeven, ik heb nog maar een paar jaar geleden een lezing bijgewoond voor een Haarlemse rederijkerskamer waarbij hij het publiek van Haarlemse vvd’ers volledig inpakte met zijn bravoure.

Op de drie gebieden die wij als criteria voor de Everwinus Wassenbergh Penning hadden vastgesteld, blinkt Bennis dus zeker uit. Maar dat staat niet in de weg dat hij ook als bestuurder enorme verdiensten heeft gehad: als directeur van het HIL, dat wonderlijke experiment waarbij taalkundigen van de VU, de UvA en Leiden, samenwerkten, als iemand die verantwoordelijk was voor een bloeiperiode van het Meerten Instituut, die nog steeds voortduurt, en als iemand die de Nederlandse Taalunie na een woelige periode in wat rustiger vaarwater wist te brengen.

De jury van de Wassenbergh Penning bestaat uit de redactie van Neerlandistiek en in die redactie zitten heel uiteenlopende neerlandici. Er zijn natuurlijk tal van namen van vooraanstaande neerlandici te noemen, en in de procedure zijn ze ook allemaal genoemd. De jury koos uiteindelijk in een zeer grote meerderheid voor Bennis. Ik fungeerde als een puur technisch voorzitter en heb niet meegestemd, maar was heel erg ingenomen met deze eerste winnaar. 

Behalve alle genoemde, laten we zeggen formele, kwaliteiten, worden door ongeveer iedereen tegen wie je over Bennis begint zijn loyaliteit en oprechtheid genoemd, zijn openheid in discussies en zijn bereidheid0 zover mij bekend heeft Bennis eigenlijk geen onderscheiding gekregen voor zijn vele werk; hij heeft het daar ongetwijfeld ook niet voor gedaan. Het is op een bepaalde manier een gelukkig toeval dat we deze penning nu op de rand van zijn pensioen kunnen aanbieden, en hem hiermee in ieder geval toch wat eer kunnen bewijzen. Ik denk niet dat het heel slecht gaat met ons vak. Als we een heleboel Hans Bennissen hadden gehad, stonden we er nu vast nog beter voor.

Uitgesproken tijdens de neerlandistiekdagen in Leiden 6-7 maart 2020.