Warsdenken

Door Jos Joosten

Zodra zich deze week iemand serieus over Akyols Boekenweekessay Generaal zonder leger boog die wel verstand heeft van de zaken waarover onze door het CPNB ingehuurde dwarsdenker oreert, blijkt dat het een relaas is met opmerkelijk weinig feitelijke juistheden. Coen Peppelenbos kraakte in Tzum terechte kritische noten over Akyols opmerkingen over literatuuronderwijs, Marc van Oostendorp fileerde op Neerlandistiek de misvattingen over de academische studie Nederlands.

En het is inderdaad niet flauw wat Akyol aan – letterlijke – onzin debiteert. Het – achteraf door J.J. Oversteegen gereconstrueerde – klassieke Vorm-of-ventdebat uit het interbellum, parafraseert hij bijvoorbeeld als volgt:

“Vorm of vent” behelst behelst een afkeer van de oppervlakkige interesse in de auteur als persoon en diens leven buiten zijn publicaties (“vent”). Er wordt gepleit voor zuivere analyses die alleen gericht zijn op het autonomistische werk, waarin vooral plaats moet bestaan voor “controleerbare” observaties van de opbouw van literaire teksten.

Dit is zo’n beetje Hans Teeuwen aan het woord in zijn hilarische samenvatting van het Nieuwe Testament: alles komt wel herkenbaar ergens vandaan, maar de samenhang ontbreekt totaal.

Vorm-of-vent ‘behelst’ geen ‘afkeer’ (wat dat ook moge zijn), maar is de partijloze typering van een groot literair debat vóór de Tweede Wereldoorlog. Met ‘Er wordt gepleit voor’ lijkt Akyol dan te verwijzen naar de praktijk van het tijdschrift ‘Merlyn’ dat zo’n drie decennia na het bewuste debat werd opgericht. En de grootste misvatting: de ‘vent’-kant van het debat is op geen enkele manier te parafraseren als de ‘oppervlakkige interesse in de auteur als persoon’, maar verwijst naar het ideeëngoed van Menno ter Braak en met name E. Du Perron, met voorsprong zo’n beetje het allerelitairste stelletje corpsballen-van-de-geest dat de moderne Nederlandse Letteren hebben heeft voortgebracht (met hun hartstochtelijk beleden afkeer van publiekslievelingen als A.M. de Jong en Ina Boudier-Bakker).

Godfried Bomans en Simon Carmiggelt waren bijvoorbeeld direct verdacht vanwege hun frequente verschijning op het scherm.
Wat zij deden was tinnef. Hoewel Bomans’ stilistiek best werd gewaardeerd, kon hij binnen de literaire bubbel louter op hoon rekenen. En toen Carmiggelt zijn befaamde Kronkels op televisie ging voorlezen, viel hij wat een aanzienlijk deel van de literatoren betrof van zijn voetstuk.

O ja joh? Ik heb voor de aardigheid krantenarchief Delpher eens gecheckt en zo kunnen vaststellen dat Carmiggelt al sinds de jaren vijftig regelmatig op TV te zien was en desondanks (of beter: ‘desondanks’) in 1961 de Constantijn Huygensprijs kreeg. Vanaf 1965 kwam hij wekelijks op de televisie met de genoemde ‘Kronkels’ en, bijna tien jaar later, in 1974 mocht hij de P.C.Hooftprijs in ontvangst nemen.
Boem! Dat is me een val van het voetstuk. Carmiggelt was de zesde non-fictie auteur die ’s lands allerhoogste literaire onderscheiding in ontvangst mocht nemen.

Van Bomans is deze professioneel neerlandicus en hoogleraar letterkunde persoonlijk een groot liefhebber. Ik sprak en schreef meermalen over hem. Dat vooropgesteld hebbende, ligt het ook met de waardering voor Bomans aanmerkelijk ingewikkelder dan Akyol meldt. Om heel kort te gaan: dat Bomans geen – of weinig – ‘literaire’ appreciatie ondervond heeft niet in de laatste plaats te maken met het feit dat hij – ook tot zijn eigen frustratie – na ‘Erik of het klein insectenboek’ uit 1941 tot aan zijn dood dertig jaar later geen enkel serieus literair werk met kop en staart meer afleverde.

Als een polemiek geslaagd is, wanneer hij weerstand en weerzin oproept is Akyols pamfletje succesvol te noemen. Toch denk ik dat dan twee andere essentiële eigenschappen van het genre overgeslagen worden.

Ten eerste moet een polemiek stilistisch onontkoombaar zijn. Neem de absolute eindbaas in het vak, Jeroen Brouwers: het fantastische aan diens polemieken is dat ze wat stijl en opbouw betreft nog altijd staan, terwijl de onderwerpen soms totaal irrelevant en zelfs vergeten zijn geraakt. Stilistische brille of enige originaliteit is bij Akyol ver te zoeken. Hij spreekt over de ‘wonderlijke wereld van de literatuur’, de ‘literaire goegemeente’, over schrijvers die het ‘verschil zouden kunnen maken’, het ‘Amsterdamse sufferdje Het Parool’, ‘literaire mastodonten’: er is, kortom, qua formulering geen paadje zo plat of hij trapt het nog wat platter. (Voor zover hij al geen danig in zijn eerbaarheid aangetast Nederlands schrijft: ‘De reden van schrijvers om over te gaan op publicatie loopt nogal uiteen’.)

De tweede pijler onder een polemiek kwam eigenlijk al aan bod. De feiten moeten kloppen. Opnieuw verwijs ik naar grootmeester Brouwers, in een interview met Johan Vandenbroucke uit 2010 bijvoorbeeld: ‘Ik ben zeer consciëntieus bij dit soort werk. Drie keer checken, liefst verschillende bronnen. Want als je één keer liegt, denken ze makkelijk dat de rest ook wel niet zal kloppen. Argumenteer de boel plat en lever er bewijzen bij, bronnen, vindplaatsen, data en correcte citaten.’ Natuurlijk weet Brouwers ook dat je, bij uitstek in polemiek en schotschrift, kleine feiten reusachtig kunt (moet) uitvergroten en grote feiten futiel mag maken – maar de essentie blijft dat hetgeen geschreven is conform de waarheid moet zijn.

Op beide punten zakt Akyol meer dan baksteensgewijs met vlag en wimpel en summa cum laude. ‘Generaal zonder leger’ is zo voor alles een wat sneue exercitie. Onbehouwen heel hard dingen roepen, waarvan je meent dat ze reuze tegendraads zijn, maar die je intussen aan elke halfculturele kroegtafel kunt horen. Dit is helemaal geen dwars denken, dit is wars denken, wars van kennis, inhoud, feiten.

Dat leidt tot een laatste kwestie die maar door mijn hoofd blijft spelen. Is er toch ook niet iets kwalijk aan het feit dat dit door onze Collectieve Boekpropagandisten gesponsord wordt? Uiteraard zal men ten burele van het CPNB betogen dat er vrijheid van meningsuiting is en dat zij zich niet mengen in het werk van auteurs die ze opdracht geven om een boekje te vervaardigen. En ja, ook ikzelf ben hartstochtelijk verdediger van de totale vrijheid van meningsuiting – ultieme lulkoek daarbij inbegrepen.

Maar toch maar toch. Je hoeft geen censuur te plegen om aperte feitelijke onzin uit je opdrachtschrijfselen te weren. Stel toch dat Akyol zijn feitenvrije gelul had lopen debiteren over migranten + misdaad; zijn literair-historische kul over de klimaatontwikkeling in de afgelopen decennia of zijn onzin over Literatuurwetenschap te berde had gebracht over de Medische Wetenschappen? Dan was de digitale en analoge meningengemeenschap te klein geweest. Nu het over literatuur gaat, boeit het vanaf opdrachtgever tot lezer totaal niet of iets waar, onwaar of waardeloos is.

Dat is misschien wel het grootste treurfeit in deze toch tot enthousiasmeren van lezen bedoelde Boekenweek.