Waarom wil iemand dit lezen?

Door Marc van Oostendorp

Een van de dingen die mij weer opvielen tijdens de neerlandistiekdagen: hoe wanhopig sommige moderne letterkundigen zijn over het beeld dat er van hun vak heerst. De gemiddelde schrijver háát de literatuurwetenschap. Ik geloof eigenlijk dat er weinig andere vakgebieden zijn waar het onderwerp van studie zo’n irrationele en zo openlijk beleden afkeer heeft van de wetenschap. Er zijn natuurlijk ook allerlei intellectuelen die op niets af de taalwetenschap haten, maar als taalkundige hoef je niet per se te richten op het taalgebruik van mensen die menen dat het een schande is dat taalkundigen ‘ik geef hun een boek’ zomaar goedkeuren.

Je kunt het allemaal vrij eenvoudig demonstreren aan de hand van het boekenweekessay Generaal zonder leger van Özcan Akyol.

Over dat essay valt van alles te zeggen en de afgelopen dagen is dat dan ook gedaan (twee aardige besprekingen die het voor mij wel ongeveer samenvatten staan hier en hier). Wat daarbij dan nog relatief onderbelicht is gebleven: Akyols afkeer van het academische.

Zoals altijd (altijd) wanneer een Nederlandse schrijver iets over de literatuurwetenschap zegt, bestaat het belangrijkste bewijs voor de verschrikkelijkheid van die tak van wetenschap uit het feit dat Karel van de Reve in de jaren tachtig een lezing heeft gegeven waarin hij zei dat het heel verschrikkelijk was. Dus. Zodoende.

Akyol voert dit argument overigens nog naar een heel ander niveau door te demonstreren dat hij Van het Reve eigenlijk niet begrepen heeft. Hij citeert de hooggeleerde buutreedner:

Ik neem als voorbeeld een heel eenvoudige eis die men aan een wetenschap stelt, namelijk dat de beschrijving van een zaak alleen maar die zaak beschrijft en niet nog enige andere. Een beschrijving van het Nederlands moet niet ook toepasbaar zijn op het Duits of het Chinees. Welnu, een van de hamvragen van de literatuurwetenschap zou eigenlijk moeten zijn: hoe kun je van een goed boek een beschrijving maken – uiteraard zonder dat het woord ‘goed’ erin voorkomt – zonder dat die beschrijving ook zou kunnen slaan op een waardeloos boek?

Het is een bekend citaat, gebaseerd op een eigenaardig misverstand, namelijk dat ieder willekeurig artikel over de Nederlandse taal alleen zou mogen gaan over zaken die niet voorkomen in het Duits (je mag dus geen studie wijden aan het feit dat in het Nederlands werkwoorden de neiging hebben aan het eind van een zin in een groepje bij elkaar te gaan staan, want dat gebeurt in het Duits ook). Of dat de biologie nooit mag ingaan op het effect van de zwaartekracht op levende wezens, want de zwaartekracht werkt ook op dode wezens. Of dat de sterrenkunde niet mag ingaan op helium, want helium hebben we op de aarde ook.

Affijn, wat Van het Reve hiermee ook bedoeld heeft, hij vond blijkens dit citaat duidelijk dat de literatuurwetenschap echte literatuur moest onderscheiden van dingen die geen literatuur waren. Maar Akyol heeft wel de moeite genomen bovenstaande bewering te copypasten, maar niet om hem te begrijpen, want hij haalt er precies het omgekeerde uit, Onmiddellijk na dit citaat neemt hij zelf het woord en zegt dan:

Ik heb op de radio, om maar wat te noemen, nooit iemand horen zeggen dat iets geen liedje is omdat de zang en de klanken de deejay niet aanstonden. Als het om boeken gaat, doen recensenten, schrijvers, critici en andere duiders dit wel. Sterker nog: ze zeggen niet alleen dat iets slecht is, maar beschouwen het in wezen ook niet als literatuur.

Hoe iemand zoiets kan denken en tegelijk met instemming Van het Reve aan kan halen, is een raadsel. Het enige dat Akyol en Van het Reve gemeen hebben is een idiote afkeer van de literatuurwetenschap, maar om tegengestelde redenen.

Iets eerder heeft Akyol zijn eigen problemen met het vak – hij heeft een blauwe maandag aan de VU gestudeerd – dan al geuit::

Mijn bezwaar bestond namelijk vooral uit het feit dat de literatuurwetenschap een strontvervelend vak is waar alle vreugde die een roman kan opleveren ontnomen wordt door neerlandici die elk zinnetje eindeloos willen ontleden, net zo lang tot ze de vermeende symbolische betekenis hebben gevonden die de auteur erin wilde stoppen – ook als het doodeenvoudige en nietszeggende opvulling betrof. En dit gebeurde allemaal even humorloos als lethargisch.

Het ligt natuurlijk voor de hand dat iemand die dit soort zinnen schrijft, ze inderdaad maar beter liever niet eindeloos wil laten ontleden, want alles wordt zo omslachtig gezegd dat de ene doodeenvoudige inderdaad de andere nietszeggende opvulling opvolgt. Maar wat is nu de al die niet ‘symbolische’ betekenis van zo’n bewering? Het is vreselijk slecht om goed na te denken over wat iemand anders schrijft? We moeten het allemaal niet zo serieus nemen?

Hoe kan die Akyol het toch nog twee jaar op de VU hebben volgehouden als hij zo veel onbenullige dingen zegt?

Akyol illustreert zijn betoog vervolgens door een anekdote te vertellen over hoe hij in Groningen een discussie bijwoonde van een ‘professor’ en diens studente over een passage over de slacht van een lam in een door hem geschreven roman. De ‘professor’ is onder de indruk van de analyse van de studente, maar Akyol niet:

In werkelijkheid had ik met die scène geen dieppsychologische motieven, zoals me daar in het zaaltje werd toegedicht. Ik vond de anekdote gewoon mooi en rauw.

Ik weet niet wie die ‘professor’ is die Akyol in Groningen uitnodigde, maar dat het iemand zou zijn die op zoek was naar ‘dieppsychologische’ motieven lijkt me van weinig inzicht in de wetenschap te getuigen én van weinig psychologisch inzicht tout court. Ik geloof niet dat er wetenschappers zijn die denken dat het nodig is om dieptepsychologie te bedrijven op een roman. En als ik eerlijk ben klinkt dat hele verhaal meer alsof men uit beleefdheid tegen de gast net deed alsof het allemaal echt vreselijk interessant was wat hij schreef – en daarbij geen rekening hield met wat voor een hork de gast eigenlijk was.

Een schrijver die denkt dat alles wat er over een tekst gezegd kan worden alleen kan bestaan uit dingen die hij zichzelf bewust is, ook na het schrijven, lijkt me nauwelijks een schrijver die interessant is om te lezen.

Waarom willen mensen dat dan toch lezen?

Ook overigens staat Generaal zonder leger vol feitelijke literair-historische onzin. Eén voorbeeld: tot een paar keer toe beweert hij dat er in de jaren dertig al een discussie was tussen elitaire schrijvers die neerkeken op het plebs dat zijn boeken verkocht in de media, en dat dit toen de ‘vorm-vent-discussie’ werd genoemd. Welk van de twee partijen in die discussie dan precies bezig was zijn boeken te verkopen in de media wordt er niet bij gezegd: mij lijken beide partijen ongeveer even elitair te zijn geweest, en even overtuigd van het feit dat sommige boeken géén literatuur waren.

Waarom willen mensen essays lezen van schrijvers die zo weinig weten over hun onderwerp?

In die zin is het boekje van Akyol een lang pleidooi voor de studie Nederlands. Had hij die maar afgemaakt, of was er maar minstens iets van de boodschap doorgedrongen: dat feiten ertoe doen, dat je teksten ook serieus kunt nemen, dat er voor sommige mensen meer op het spel staat dan het uitventen van zoveel mogelijk boeken.

Ik geloof dat dit voor hem als Akyol als arrogantie geldt: het enige literaire criterium zijn de verkoopcijfers. Had hij maar bedrijfskunde gestudeerd.

Het is heel lastig te opereren voor een serieuze onderzoeker wanneer de automatische gedachte is dat iemand die nooit iets heeft gelezen, nooit ergens over heeft nagedacht, nooit de aandacht heeft kunnen opbrengen voor de ideeënwereld van een ander kennelijk serieuzer wordt genomen dan jij.