Oude wijn in oude zakken

Dichtwerken van Jacob Cats naar de behoeften van den tegenwoordigen tijd ingericht. Deventer 1843, dl. 1

Door Marita Mathijsen

U weet het wel van mij: ik was een scherpslijper op editiegebied: niks herspellen, niks hertalen van teksten uit het verleden, gewoon veel eisen van de lezer. Ik ben een aantal jaren geleden omgezwaaid omdat ik merkte dat het leesgedrag veranderde. Dan maar tegemoetkomen aan de luie lezer, schreef ik, wel herspellen en hertalen, desnoods inkorten. Ik voelde me gesterkt toen ik hoorde dat de Max Havelaar weer op de literatuurlijst van het Vossius Gymnasium was gekomen na de hertaling van Gijsbert van Es.

Nu dacht ik modern te zijn in die omslag. Bij de hertaling van Couperus’ Van oude mensen de dingen die voorbijgaan (2019) door Michelle van Dijk bleek immers dat er nog steeds heel veel kritiek is op dat soort aanpassingen. Er lijken nog heel wat heilige huisjes omvergetrokken te moeten worden om klassieke teksten meer naar onze tijd te trekken. Maar hoe schrok ik toen ik mijn eigen argumenten aantrof bij de doodsaaie negentiende-eeuwse eerste hoogleraar Nederlandse Taal- en Letterkunde, Matthijs Siegenbeek.

In de jaren veertig van de negentiende eeuw was de uitgever A. ter Gunne uit Deventer op Siegenbeek afgestapt. Hij wilde de dichtwerken van Jacob Cats uitgeven. Daar waren al heel wat verzamelde uitgaven van op de markt geweest, deels nog bij diens leven uitgekomen. In de achttiende eeuw was er een degelijke uitgave gemaakt door Rhijnvis Feith, in maar liefst 19 delen (1790-1799), die nog een herdruk kreeg in 1834. Ter Gunne wilde echter geen geleerde uitgave, maar een ‘naar de behoeften van den tegenwoordigen tijd ingerigt’, zoals de ondertitel luidt. Die moest ‘uitlokkend en gemakkelijk’ worden, in ‘eene nette, maar tevens van onnutten zwier ontbloote uitvoering’ en vooral niet te duur. De professor zag wel wat in die editie, maar had geen zin in het werk en liet daar een ‘jeugdig geleerde’ voor opdraaien, zonder diens naam te noemen. Hij gaf zijn fiat aan de bewerking.

Siegenbeek schreef wel het voorwoord. En daaruit blijkt dat ik niks modern ben, gewoon deels hetzelfde handel als die saaie Siegenbeek.

 Hij schrijft dat hij eerst bedenkingen ertegen had om vader Cats in een moderne jurk te steken. Maar toen begreep hij dat de oorspronkelijke spelling zo ver afweek van de gangbare, dat veel lezers afgeschrikt zouden worden als de oude vorm gehandhaafd bleef. Hij haalde er deskundigen bij om zijn ommezwaai te legitimeren: de nieuwe Statenbijbel van 1834 was immers ook herspeld door twee geleerden van onbesproken gedrag: de predikant Hendrik Cats en de hoogleraar Wessel Albertus van Hengel. Als de bijbel aangepast mag worden, dan toch zeker ook Cats.

Nu ging de uitgave van Siegenbeek minder ver dan ik nu zou gaan als ik behoefte zou hebben Cats te editeren. Ik zou ook hertalen. Siegenbeek (of zijn assistent) vertaalt onbekende woorden onderaan de pagina in noten: het zou veel handiger zijn geweest de eigentijdse woorden gewoon in de tekst op te nemen.

In een opzicht gaat Siegenbeek wel verder dan ik ooit zou doen. Enkele gedichten ‘wier inhoud tegen de thans heerschende begrippen van welvoegelijkheid streed’, liet hij achterwege. Dat klopt dan wel met de ondertitel van de Dichtwerken: ‘naar de behoeften van den tegenwoordigen tijd ingerigt’. Onwelvoeglijke teksten in de negentiende eeuw, die verschenen alleen maar ondergronds. Ik zal eens zoeken naar een assistent die voor mij gaat uitzoeken welke gedichten uit de acht vuistdikke delen weggelaten zijn…

Jakob Cats, Alle de werken. Uitgegeven door Mr. R. Feith. Amsterdam 1796, dl. 13

Dit stuk verscheen eerder op het eigen blog van Marita Mathijsen.