‘Omdat ik het overleefd heb, schrijf ik’

Marga Minco wordt honderd 

Door Elsbeth Etty

Op een foto van enkele jaren na de bevrijding loopt een mooie jonge vrouw met haar dochtertje op de Dam, lachend, het halflange, donkere haar los op de schouders. Ze is 28 en noemt zich Marga Minco. Onder die naam zal ze uitgroeien tot een van Nederlands meest imponerende schrijvers. Vorig jaar, op haar 99ste, kreeg ze de P.C. Hooftprijs voor haar unieke oeuvre dat de verschrikkingen van de Tweede Wereldoorlog, het voorspel en de nasleep ervan belichaamt. En nu wordt ze honderd. Haar eeuwfeest valt samen met ‘75 jaar bevrijding’, voor Marga Minco driekwart eeuw overleven. 

Hoe de ogenschijnlijk opgewekte jonge vrouw op de foto zich van binnen voelde, vertelde ze op haar zeventigste aan Ischa Meijer:

Na de bevrijding heb ik al mijn woede uit alle macht weggestopt. […] Die woede heb ik nooit, nooit geuit. Bij vlagen is die razernij er nog wel. Het is toch eigenlijk onvoorstelbaar hoe mijn generatie zich weer heeft kunnen aanpassen aan zoiets als een geordende, gewone samenleving, na alles wat ook die samenleving ons heeft aangedaan. 

 (Nieuwe Revue, 24 jan. 1991.)

Marga Minco moest onder ogen zien dat zij de enige overlevende was van het Joodse gezin waarin ze op 31 maart 1920 in het Brabantse Ginneken werd geboren als Sara Minco. Haar ouders, broer, zuster en hun partners werden vermoord in de vernietigingskampen. Aan hun nagedachtenis droeg ze in 1957 Het bittere kruid op, haar hartverscheurende in meer dan twintig talen vertaalde en tientallen malen herdrukte debuut met de slotzin: “Zij zouden nooit terugkomen, mijn vader niet, mijn moeder niet, Bettie niet, noch Dave en Lotte.” 

Door over hen te schrijven – en daarmee over het lot van zovele Joden – hield ze haar dierbaren in leven. Tegelijkertijd maakte ze voor een groot en generaties omspannend publiek invoelbaar wat het betekent Holocaust-overlevende te zijn. Op Het bittere kruid volgden de bekroonde novelle Het adres (1957), talrijke verhalenbundels en de romans Een leeg huis (1966), De val (1983), De glazen brug (Boekenweekgeschenk 1986) en Nagelaten dagen (1996). 

Judenviertel

Veel van haar werk speelt in Amsterdam, waar ze in 1942 introk bij haar naar het ‘Judenviertel’ verbannen ouders. Vanuit hun woning aan de Sarphatistraat (die van augustus 1942 tot mei 1945 Muiderschans heette)werden vader en moeder weggevoerd, zelf wist ze op het nippertje te ontkomen. Na diverse onderduikadressen betrok ze in 1944 samen met haar latere echtgenoot, journalist en dichter Bert Voeten, een leegstaand huis aan de Kloveniersburgwal. Daar maakte zij – in de Hongerwinterbevallen van haar dochtertje Bettie – de bevrijding mee. In de aangrijpende roman Een leeg huis vertelt Minco’s alter ego Sepha, net als de schrijfster enig overlevende van haar Joodse familie, hoe zij die beleefde:

Ik wil roepen, zwaaien, handen drukken, maar ik kan alleen maar kijken. En het is alsof ik iets zie dat niet bestemd is voor mijn ogen. Ik voel geen vreugde.

Om niet, zoals Yona, de andere hoofdpersoon van Een leeg huis, ten onder te gaan aan woede, wanhoop, verdriet en onverschilligheid jegens haar en haar lotgenoten, bleef Minco haar herinneringen en ervaringen boekstaven. Ze hield zich staande door haar vernietigde familie te laten terugkeren in haar werk. “Zo er één thema is dat je virtuoos hanteert, is het dat van overleven”, constateerde interviewer Ischa Meijer in 1991. De schrijfster antwoordde: “Omdat ik overleef – nu al zo’n veertig jaar – daarom schrijf ik. Omdat ik het overleefd heb.”

Noodzakelijke acceptatie

Hoe zwaar is het om zo lang te moeten overleven? Slijt het verdriet bij het ouder worden of neemt het juist toe? Op haar 84ste vroeg ik het Marga Minco bij de verschijning van haar verhalenbundel Storing. Het verdriet was er niet minder op geworden, zei ze, maar ook niet erger, zoals bij sommige van haar lotgenoten. 

Ik wil niet zeggen dat ik ermee heb leren leven, maar het is een gegeven dat ik in de loop der jaren geaccepteerd heb, omdat het niet anders kan. Ik heb altijd de neiging gehad om niet bij de pakken neer te zitten. Aan het eind van mijn leven besef ik heel goed dat het ook anders had kunnen lopen.

(NRC Handelsblad, 27-08-2004.)

Het einde van haar leven was nog lang niet in zicht. Anders dan voor Frieda Borgstein, de 84-jarige hoofdpersoon uit de roman De val, zou Minco’s 85ste verjaardag niet haar laatste zijn. Frieda, net als Minco de enige overlevende van een joods gezin die haar vermoorde verwanten bleef herdenken, stierf door een ongeluk. Doodgaan wilde ze niet, want: “Zolang zij leefde, zolang haar herinnering werkte hield ze hen aanwezig; daarmee rechtvaardigde ze haar bestaan.” 

Voor Marga Minco geldt hetzelfde. Hoe oud ze ook wordt, altijd is ze haar dierbaren tot leven blijven wekken dankzij subliem, sober proza dat impliciet een felle aanklacht is tegen antisemitisme, racisme en discriminatie van minderheden. 

Nog op 88-jarige leeftijd schreef ze onder de titel ‘Een sprong in de tijd’ de 4 mei-lezing voor de Nationale Dodenherdenking in de Amsterdamse Nieuwe Kerk: een meesterlijke literaire compositie over haar herinneringen aan 4 mei 1940. Ontroerende portretten van haar argeloze familieleden wisselt ze daarin af met het verbijsterende verhaal over haar ontslag als Joodse journalist bij de Bredasche Courant

Absurdisme

Toen ik Marga Minco vroeg wat voor schrijver ze zou zijn geworden zonder de Holocaust en de noodzaak daarvan getuigenis af te leggen, verwees ze naar haar vooroorlogse krantencolumns (‘cursiefjes’): 

Die gingen meestal over dingen die mij opvielen in de stad, vreemde situaties. Ik observeerde graag mensen in hun doen en laten. In die tijd schreef ik al korte verhalen en een kinderboek, nota bene over kikkers die, als ze niet de zin van Koning Kikker deden, in een soort concentratiekamp terecht kwamen. Daar was ik toen dus al mee bezig. Al sinds de opkomst van Hitler speelde dat een rol in mijn denken. Daarvóór, als bakvis, schreef ik vooral romantische en sprookjesachtige verhalen. Na de oorlog heb ik aan het tijdschrift Mandril meegewerkt, daar schreef ik bijdragen die helemaal niet over de oorlog gingen. Misschien zou dat – als er geen bezetting en Jodenvervolging waren geweest – mijn stijl geworden zijn: absurdistisch proza. Eigenlijk is Het bittere kruid ook een absurd verhaal, maar met een tragische achtergrond.

Die tragische achtergrond heeft haar werk en leven bepaald, maar humor hoort evenzeer bij de persoonlijkheid en stijl van de schrijfster. Dat blijkt niet alleen uit de verhalen die ze voor het satirische maanblad Mandril schreef maar ook uit de manier waarop intimi haar typeren. Niet als sad person,maar als een vrolijke vrouw met een groot en subtiel gevoel voor humor, dat ze bijna vijftig jaar lang deelde met echtgenoot Bert Voeten.  

Kunstenaarshuwelijk

In haar boek Het Witsenhuis geeft Minco’s jongste dochter Jessica Voeten een impressie van het huwelijk van haar vader en moeder. Eind 1949 verruilden zij Kloveniersburgwal 49 voor Oosterpark 82, het voormalige huis van Tachtiger Willem Witsen, dat gratis woonruimte bood (en biedt) aan armlastige schrijvers. Op de begane grond woonde de dichter Jaques Bloem, die een vers schreef voor de dertigste verjaardag van bovenbuurvrouw Marga Minco. En toen in februari 1956 Jessica ter wereld kwam in het besneeuwde Witsenhuis, verwelkomde Adriaan Roland Holst (‘oom Jany’) haar met een kwatrijn. Foto’s en teksten van de talrijke kunstenaars die Oosterpark 82 aandeden, sieren een door het echtpaar Voeten-Minco bijgehouden gastenboek waar het plezier van afspat. 

Ruim twintig jaar woonden en werkten ze in het Witsenhuis, dat ze eind 1969 moesten verlaten. Armlastig waren ze niet meer.  Ze konden zich een eigen huis permitteren in de nabijgelegen Tweede Oosterparkstraat, waar Marga Minco nog altijd woont, sinds eind 1992 als weduwe. 

Bert Voeten overleed op zijn 74ste aan een hartstilstand. Zijn dood heeft haar leven ingrijpend veranderd omdat ze ineens besefte hoe oud ze werd, vertelde Minco mij. “Maar”, voegde ze eraan toe, “je doet het één of het ander. Óf je sukkelt in, óf je wilt verder en als je verder wilt moet je zorgen dat je dat goed doet.

Ze deed het uitstekend: bleef publiceren, lezingen geven en haar publiek attenderen op het gebrek aan solidariteit van veel Nederlanders met de joden tijdens de bezetting en de kille vijandigheid van ‘bewariërs’ die na de oorlog weigerden de hun toevertrouwde (of gestolen) bezittingen van weggevoerde joden terug te geven aan nabestaanden. Onverschilligheid jegens de ontredderde overlevenden van de Holocaust bracht ze verhaal na verhaal op grond van eigen ervaringen zorgvuldig in kaart. 

Ter gelegenheid van Minco’s negentigste verjaardag verscheen haar verzamelbundel Achter de muur met een aantal niet eerder gebundelde, verrassend actuele verhalen, waarvan er een lijkt te gaan over de moord op Theo van Gogh, vlak bij haar om de hoek. Gevraagd naar de verhouding tussen fictie en werkelijkheid in haar werk antwoordde ze nadat ik haar telefonisch had gefeliciteerd: “Ach, al mijn verhalen zijn gebaseerd op de werkelijkheid, maar dekken die niet helemaal. Interpreteer ze zoals je wilt, maar nu ga ik mijn verjaardag vieren.”

P.C. Hooftprijs

Hoezeer haar verhalen de werkelijkheid soms volledig dekken, kwam vorig jaar op schokkende wijze aan het licht in verband met de toekenning aan Marga Minco van de P.C. Hooftprijs. Gillis Dorleijn, voorzitter van de stichting die deze hoge literaire onderscheiding uitreikt, bleek namelijk een kleinzoon van de gehate ‘bewariër’ mevrouw Dorling (in werkelijkheid Dorleijn) uit Minco’s bekroonde novelle Het adres. Aan het begin van de oorlog had mevrouw Dorleijn zich (nogal gretig) ontfermd over de spullen van Minco’s ouders. Toen zij zich na de oorlog als enige overlevende van de familie meldde op het adres van de Dorleijns om haar bezittingen op te halen, werd haar de deur gewezen. 

“Hij kan er niets aan doen”, was Minco’s reactie nadat ze met ongeloof en schrik de naam van de P.C. Hooft-voorzitter had vernomen. Maar ook al treft hem geen enkele blaam, een feestelijke bijeenkomst met de nazaat van de mensen die botweg hadden geweigerd haar de bezittingen van haar vermoorde familie terug te geven, kon de laureaat niet opbrengen. 

Besloten werd Het adres te herdrukken in een speciale uitgave bij de P.C. Hooftprijs. Jessica Voeten opent deze spraakmakende publicatie met een reconstructie van de feiten op basis van een ambtelijk dossier uit 1946. Daaruit blijkt dat de familie Dorleijn toestemming kreeg van officiële instanties om de herhaalde verzoeken van Marga Minco tot teruggave van haar rechtmatige eigendommen niet te honoreren. 

Gillis Dorleijn liet weten geschokt te zijn over het hem tot dan toe onbekende gedrag van zijn grootouders. Het had hem en de overige kleinkinderen sprakeloos gemaakt, schreef hij in een waardige bijdrage aan de bundel. Voor de uitreiking van de prijs, thuis bij de schrijfster in de Tweede Oosterparkstraat, meldde hij zich af “wegens familieomstandigheden”. 

Marga Minco noemde de houding van Dorleijns grootouders in NRC Handelsblad exemplarisch voor de naoorlogse periode. Gevraagd naar haar huidige gevoelens voor deze en soortgelijke harteloze mensen, antwoordde zij: 

Ik kan het ze moeilijk nu nog kwalijk nemen. Ik vond dat ik er niet op moest blijven hangen. En er is nadien zo veel gebeurd. Het leven gaat door.

Bronnen

Elsbeth Etty, ‘Niemand dankbaar’. In: NRC Handelsblad, 27-08-2004.
Elsbeth Etty, ‘Negentigjarige Minco is aan computer toe’. In: NRC Handelsblad 02-04-2010.
Michel Krielaars, ‘Marga Minco: “Ik heb ze een spiegel voorgehouden”’. In: NRC Handelsblad, 28-02-2019.
Ischa Meijer, ‘Marga Minco’: In: De interviewer en de schrijvers (samenstelling 
Connie Palmen). Prometheus 2003.
Marga Minco, Het adres. P.C. Hooftprijs 2019, Prometheus / Stichting P.C. Hooftprijs voor letterkunde 2019.
Johan P. Snapper, De wegen van Marga Minco. Bert Bakker 1999.
Jessica Voeten, Het Witsenhuis, Atlas 2003.

Dit stuk verscheen eerder in Ons Amsterdam