Niet te dicht bij het water!

De kinderschrik in Nederlandse sagen

Theodor Kittelsen, Nøkken, 1904. Collectie Nasjonalgalleriet, Oslo.

Door Merle van Rooij

De Nederlandse vertelcultuur is vele sagen rijk. Sagen zijn korte volksverhalen die zich afspelen in een bestaande leefomgeving (voor vertellers en toehoorders vaak de eigen streek) en waarin bovennatuurlijke wezens zoals geesten, heksen en weerwolven een belangrijke rol spelen. Een ander kenmerk van sagen is dat ze vroeger door zowel vertellers als toehoorders als waargebeurd werden beschouwd. Net als andere soorten volksverhalen hebben sagen meerdere functies gehad. Het versterken van een gevoel van saamhorigheid binnen een groep, het fungeren als emotionele uitlaatklep en het dienen als moreel kompas zijn hier drie voorbeelden van. De belangrijkste functie van sagen was echter die van kennisoverdracht – middels de vaak slecht aflopende vertellingen werden verschillende waarschuwingen van vertellers op toehoorders doorgegeven.

Een aparte categorie wordt gevormd door sagen die specifiek bedoeld waren om kinderen iets bij te brengen. In tegenstelling tot vertellers van andere sagen, ervoeren vertellers van dit soort sagen (vaak de ouders) deze zelf als fictie. Kinderen werden door middel van deze vertellingen bang gemaakt met het bestaan van verschillende kwaadaardige bovennatuurlijke wezens om risicomijdend en ander wenselijk gedrag te stimuleren. Bij sagen noemen we dit fenomeen ook wel de ‘kinderschrik’. Ook sommige sprookjes, die zich in tegenstelling tot sagen in een fantasiewereld afspelen, waren speciaal bedoeld om middels waarschuwingen bepaald gedrag bij kinderen te bevorderen. Deze waarschuwings- en afschrikkingssprookjes wijken af van het typische wondersprookje omdat ze net als sagen vaak een slechte afloop kennen voor de hoofdpersoon. Een bekend voorbeeld van zo’n sprookje is het verhaal van Roodkapje zoals opgetekend door de Franse schrijver Charles Perrault in het jaar 1697. Het boerenmeisje met het rode mutsje, dat een koek en een potje boter naar haar zieke grootmoeder moest brengen, was onvoorzichtig en liet zich in de luren leggen door een wolf. Het gevolg was dat zij door hem werd opgegeten.

Net als deze waarschuwings- en afschrikkingssprookjes waarschuwt ook een aantal sagen kinderen voor het vertonen van onvoorzichtig of ongehoorzaam gedrag in het algemeen. Bekend in delen van Midden- en Zuid-Nederland zijn bijvoorbeeld vertellingen over de boeman, een kwaadaardig wezen dat kinderen die nog in het donker buiten rondliepen of kattenkwaad uithaalden, te grazen nam. Sagen leenden zich daarnaast bijzonder goed voor nog een ander type waarschuwingen – door hun lokale en wereldlijke aard konden zij kinderen namelijk waarschuwen voor concrete gevaren die zich in hun eigen fysieke leefomgeving bevonden.

Specifiek in de Nederlandse vertelcultuur valt in deze context de hoeveelheid aan angstaanjagende waterwezens op. Om kinderen bij gevaarlijke waterkanten uit de buurt te houden, vertelden ouders hen afschrikwekkende verhalen over geesten en andere bovennatuurlijke wezens die onder het wateroppervlak zouden leven. Vanwege het sterk lokale karakter van sagen, bestaan er allerlei verschillende varianten van deze vertelling. Door de verspreidingskaart die in 1958 onder redactie van volkskundigen P.J. Meertens en Maurits de Meyer is opgesteld aan de hand van ingevulde vragenlijsten die in de jaren ’30 en ’50 in Nederland en Vlaanderen werden verspreid, weten we over welke waterwezens in welke delen van de Lage Landen werd verteld. Het is belangrijk om hierbij op te merken dat in het onderzoek niet altijd vast te stellen was of een bepaald waterwezen alleen als kinderschrik werd ingezet, of ook volwassenen beangstigde. Desondanks is uit de ingevulde vragenlijsten duidelijk geworden dat in een groot aantal van de gevallen het eerstgenoemde het geval was.

Een veel voorkomend waterwezen dat in Nederlandse sagen kinderen schrik aanjoeg, was de bullebak. Hij sleurde kinderen die te dicht bij het water in de buurt kwamen aan bijvoorbeeld hun benen naar beneden. Met name in Noord- en Zuid-Holland, Gelderland, Overijssel en Drenthe kwam dit wezen voor. De bullebak had geen vaste uiterlijke kenmerken maar was volgens iedere vertelling beslist angstaanjagend te noemen. Dat dit soort bovennatuurlijke wezens diep in een plaatselijke cultuur verankerd kunnen zijn, blijkt uit het feit dat de bullebak in 2009 op de omslag verscheen van een door Joop Diepen geschreven kinderboekje – bedoeld om Westfriese kinderen middels korte rijmpjes het Westfriese dialect en de Westfriese cultuur bij te brengen. Op de omslag is de bullebak afgebeeld als een groen wezen met gele ogen en grote tanden. Op de vierde bladzijde lezen we over hem:

De bullebak in sloôt

Wul jij die wel ‘ns zien

Koik uit, want haai is groôt

En boit je in je bien

Verwant aan de bullebak zijn onder andere de krolleman (Noord-Holland), de boesjeude (Groningen en Drenthe) en de boezehappert (Groningen en Friesland). Weer een ander waterwezen dat in Nederlandse sagen kinderschrik aanwakkerde, is de nekker: een kwaadaardige zwarte geest die zijn kans afwachtte om een kind dat op de oever stond, het water in te trekken (zie de afbeelding bij dit artikel). De nekker, die in sagen ook wel bekend staat als onder andere de nekkerman, nikker, nikkerman, okkerman en eggelman, kon net als alle andere waterwezens voorkomen in beken, moerassen, putten en rivieren. Volgens sommige vertellingen bootste de geest het geluid van huilende kinderen na om op die manier hun leeftijdsgenoten naar hem toe te lokken, en zoog hij van de eenmaal verdronkenen het bloed uit. In andere vertellingen woonde de nekker in een gouden paleis onder water, waar hij kinderen naartoe probeerde te lokken door hen lichtjes en sterretjes in de weerspiegeling van het water te laten zien. Specifiek voor de nekker geldt dat deze (aldus de eerder genoemde verspreidingskaart) met name voorkwam in Noord-Brabant. Hier volgt een vertelling uit Heeze, een dorp in die provincie:

Bij ’n gewone waterput zat ok den eggelman. Da’s ok zo’n nekkerman; mar die noemde zie hier eggelman. De kindere wiere as ze iets te dicht bij de waterput kwame d’r ingetrokke. Eggel is bloedzuiger, da wis ik toen ok nie. – [BRON]

Andere sagen die kinderen angst voor waterkanten aanjoegen, kwamen op hetzelfde principe neer – net als de bullebak en de nekker lieten de diverse waterwezens kinderen in de diepte verdwijnen. Een specifieke groep wordt gevormd door watergeesten die een haak bij zich droegen. Deze wezens kenden op zichzelf ook weer verschillende variaties (bekend zijn onder andere de hakeman, de duivel met de haak, Jan Haak en Pier den Haak) en kwamen net als de nekker, die verwant is aan deze groep (in sommige vertellingen draagt de nekker namelijk ook een haak), met name in Zuid-Nederland voor – meer specifiek in Zeeland, Noord-Brabant en Limburg. Bij hun ontvoeringen maakten deze waterwezens uiteraard handig gebruik van hun accessoire:

Jan Haak bewoont al de slooten, kreken en plassen in Zeeuwsch-Vlaanderen; maar men kent hem ook op Zuid-Beveland. Als een kind te dicht bij het water komt, dan grijpt hij het met zijn haak en trekt het naar beneden. In Yzendyke zegt men, dat hij zeven helpers heeft, die in een sliert achter hem aan, meetrekken. – [BRON]

Ook dreigingen met bovennatuurlijke dieren maakten kinderen bang voor wateroppervlakken. Zo werden kinderen in sommige streken in onder andere Limburg en Overijssel bang gemaakt met het bestaan van de waterwolf, een soort monster dat zich bij hen in de buurt onder wateroppervlakken op zou houden. Overigens kwamen ook weerwolven in deze context voor. In Friesland en Groningen waren het snoeken en kikkers die hun kans afwachtten om kinderen te laten verdrinken:

Der wurdt hjir tsjin ‘e bern sein: ‘Tink der om, kom net by ’t wetter, hwant de kikkerts lûke jimme der yn.’ – [BRON]

Andere bovennatuurlijke dieren die op de ingevulde vragenlijst als kinderschrik voor waterkanten werden genoemd (zij het sommige slechts eenmalig), zijn onder andere waterhonden, waterratten, hagedissen, salamanders en vissen.

In deze opsomming van angstaanjagende waterwezens die als kinderschrik werden ingezet, schittert een zeer tot de verbeelding sprekende en een voor ieder bekend figuur door afwezigheid: de zeemeermin, een waterwezen dat (de naam zegt het al) uitsluitend met de zee geassocieerd wordt. Zeemeerminnen komen in Nederlandse sagen relatief weinig voor. Een bekende Nederlandse vertelling over een zeemeermin is die uit de stad Edam. Door een verwoestende storm in 1403 kwam een zeemeermin door een gat in de dijk bij de Zuiderzee terecht in het Purmermeer. Na de storm werd dit gat gedicht en zat de zeemeermin vast tussen de oevers. Uiteindelijk werd ze opgemerkt en door inwoners naar Edam gebracht, waar ze een heuse attractie werd. Later werd ze door de inwoners van Edam cadeau gedaan aan de stad Haarlem.

De volkskundigen H. de Visser en J.J. Voskuil constateerden in hun commentaar bij de eerder genoemde verspreidingskaart al dat op een ingevulde vragenlijst slechts één keer melding werd gemaakt van een sage waarin een zeemeermin als kinderschrik optrad. De zeemeermin in kwestie zou kinderen die te dicht bij het water kwamen met een haak naar beneden trekken – een vertelling die veel weg heeft van sagen met de eerder genoemde waterwezens die een haak bij zich droegen en wél veel voorkwamen. Duidelijk is in ieder geval dat de zeemeermin (overigens net als de zeemeerman) over het algemeen dus niet als kinderschrik werd ingezet. Dit strookt tevens met het feit dat de kinderschrik die werd ingezet om angst voor waterkanten aan te jagen, zich beperkte tot zoetwateroppervlakken.

Een voor de hand liggende verklaring voor het veelvuldig voorkomen van waterwezens als kinderschrik in Nederlandse sagen, is uiteraard het feit dat ons land een waterland bij uitstek is – de vele wateroppervlakken in hun nabije omgeving moeten ouders van ongeoefende zwemmers eeuwenlang angst hebben ingeboezemd. Hoewel het hebben van veel water inderdaad een voorwaarde moet zijn voor het veelvuldig voorkomen van waterwezens die als kinderschrik worden ingezet, is het nog maar de vraag of het hebben van veel water hier automatisch ook toe leidt. Zo constateerde de eerder genoemde volkskundige Voskuil in een ander commentaar dat korenwezens die als kinderschrik in Nederlandse sagen werden ingezet (bedoeld om spelende kinderen uit akkers weg te houden), opvallend genoeg juist in enkele uitgesproken roggegebieden ontbreken. De verklaring hiervoor was volgens Voskuil een eenvoudige: ‘Het verbod om in het korenveld te gaan bestaat overal, maar men dreigt niet overal met een denkbeeldige schrikfiguur (…).’ Waarom dat in de ene streek wel en in de andere streek niet werd gedaan, onttrok zich aldus Voskuil aan onze waarneming.

Desondanks zou er in de hypothese over het veelvuldig inzetten van waterwezens als kinderschrik in Nederlandse sagen een kern van waarheid kunnen zitten – wellicht omdat de mogelijke verdrinkingsdood van een kind als ernstiger werd beschouwd dan een deels platgetrapte oogst, en dit vergaande pedagogische middel daarom sneller werd ingezet. Hierop voortbordurend ligt het in de lijn der verwachting dat ook in vertelculturen van andere typische ‘waterlanden’ bovennatuurlijke waterwezens meer dan in andere vertelculturen als kinderschrik werden ingezet. Helaas ontbreken toereikende gegevens om deze hypothese te kunnen toetsen. Wel biedt ISEBEL, de Intelligent Search Engine for Belief Legends, de mogelijkheid om een indruk te krijgen van wat dergelijk onderzoek zou kunnen opleveren. In deze database zijn enkele collecties volksverhalen van het Nederlandse, Noord-Duitse en Deense kustgebied integraal opgenomen. Als we inzoomen op Denemarken, dat net als Nederland als waterland gezien kan worden (zij het in mindere mate), wordt direct duidelijk dat ook diens vertelcultuur vele sagen kent waarin bovennatuurlijke waterwezens een rol spelen. Bij het bestuderen van deze verschillende vertellingen, valt ook hier de kinderschrik als fenomeen op. Niettemin kan (zoals gezegd) vooralsnog niet van harde conclusies gesproken worden.

Terug naar de waterwezens die in Nederlandse sagen als kinderschrik werden ingezet. Blijkens de eerder genoemde verspreidingskaart waren deze tot in ieder geval halverwege de twintigste eeuw bij veel Nederlanders nog bekend. Sinds die tijd is er geen soortgelijk onderzoek meer gepubliceerd. Mijn veronderstelling is echter dat de meeste kinderen in ons land niet langer bang worden gemaakt met verhalen over de bullebak en de waterwolf. Veranderende opvattingen over wat al dan niet als pedagogisch verantwoord wordt beschouwd, ondersteunen deze veronderstelling. Daarbij is de noodzaak voor het bang zijn voor wateroppervlakken, wat lange tijd blijkbaar een belangrijke overlevingsstrategie van kinderen is geweest, in de loop der tijd wellicht afgenomen – mogelijk verbeterden andere vormen van controle op kinderen dusdanig dat deze specifieke vorm van verbale sociale controle overbodig werd. Bovendien hebben steeds meer kinderen door middel van zwemlessen geleerd hoe ze (ook met jassen en schoenen aan) het hoofd boven water kunnen houden. Tegelijkertijd kan het feit dat het geloof in bovennatuurlijke wezens vanaf de tweede helft van de twintigste eeuw überhaupt begon af te nemen, ook een rol spelen bij het niet langer inzetten van waterwezens als kinderschrik.

Hoe het ook zij – waterwezens die in Nederlandse sagen als kinderschrik werden ingezet, laten ons in ieder geval zien dat angst niet altijd als slechte raadgever is gezien.

Literatuur

Blécourt, Willem de, Ruben A. Koman, Jurjen van der Kooij en Theo Meder, Verhalen van stad en streek. Sagen en legenden in Nederland (Amsterdam 2010).

Diepen, Joop van, De bullebak in sloôt. Westfriese kinderroimpies (Amsterdam 2009).

Hulsens, Eric, Waarom lusten kinderen nog reuzen? Een kennismaking met het volkssprookje en zijn opname in de kinderliteratuur (Leuven 1980).

Meder, Theo, ‘De staart van de pauw. Onderzoek naar variatie en continuïteit in betekenis, vorm en functie van het volksverhaal’, Vertelcultuur 3:2 (2016).

Meertens, P.J. en Maurits de Meyer (red.), Volkskunde-atlas voor Nederland en Vlaams-België. Commentaar. Aflevering II (Antwerpen 1965).

Widdowson, John David Allison, If You Don’t Be Good. Verbal Social Control in Newfoundland (St. John’s 1977).