Het huis waar Bomans Erik schreef

Door Jos Joosten

Godfried Bomans’ Nijmeegse tijd had me nu toch even te pakken. Zijn studentenhuis aan de Pater Brugmanstraat is voorzien van een plaquette, maar ik kende ook het verhaal dat ‘Erik of het klein insectenboek’ geschreven was in de prachtvilla van een weduwe bijna op de hoek bovenaan de Berg en Dalseweg en Twaalf Apostelenweg.

Bomans zelf memoreert in februari 1948 de totstandkoming van zijn succesboek (geciteerd uit Werken 1 p.401):

Het was in de herfst van het jaar 1939. Ik woonde toen in Nijmegen (…). Een dame, mevrouw H. Sloth Blaauwboer, woonde destijds in de dennenbossen van Berg en Dal. Zij bood mij haar huis voor drie maanden aan, daar zij de winter in Italië wenste te verblijven. Ik heb toen die tijd in haar stille woning doorgebracht, slechts in gezelschap van een hond, Rough geheten, een kat, die Kirka genoemd werd, doch naar deze naam volstrekt niet luisterde en een papegaai, die Rrrrotterrrdam kon zeggen, doch het niet zei. Ik had dus betrekkelijk weinig aanspraak. In die heerlijke eenzaamheid schreef ik Erik. In 1940 kwam het uit.

Wie was Bomans’ gulle gastvrouw? Wat corona vrije tijd en een beetje digitaal speurwerk levert op dat het gaat om de op 1 november 1888 in Vlissingen geboren Henriette Beijerman. Op 12 augustus 1909 huwde zij in Amsterdam de in Delft opgeleide civiel ingenieur Louis (Cornelis Lambertus Willem) Sloth Blaauboer (op 12 juni 1885 in Sneek geboren). Na een jaar of tien in Nederlands-Indië, waar hij bruggen bouwde en een treinstation, keerde Sloth Blaauboer met zijn vrouw terug in Nederland. Na enkele omzwervingen vroeg zijn studiegenoot Reep VerLoren van Themaat hem in 1921 om zijn partner te worden bij het Nijmeegse architectenbureau Van Hasselt en De Koning (tegenwoordig beter bekend als Haskoning).

Sloth Blaauboer verhuisde naar Nijmegen en betrok in januari 1921 met zijn gezin de bewuste villa Twaalf Apostelenweg 20, aan de bosrijke grens met Berg en Dal. VerLoren van Themaat had de villa enkele jaren eerder voor zichzelf ontworpen en gebouwd, maar verhuisde nu naar een groot nieuw huis dat letterlijk om de lommerrijke hoek stond: Eversweg 2, ontworpen door Granpré Molière (en tegenwoordig Rijksmonument).

Louis en Henriette Sloth Blaauboer woonden aan de Twaalf Apostelenweg met hun vijf kinderen. In 1935 overleed Sloth Blaauboer totaal onverwacht op vijftigjarige leeftijd en was zijn echtgenote op haar zesenveertigste plotseling weduwe.

Deze Henriëtte was geen gemakkelijke vrouw. Zo is althans op te maken uit de herinneringen die haar kleinzoon Hugo Röling noteerde in ‘De rechter die geen ontzag had’ uit 2014. Dat boek is gewijd aan zijn vader Bert Röling, de Nederlandse rechter in het oorlogstribunaal in Tokio, fameus progressief volkenrechtkundige én getrouwd met de Lies, de oudste dochter van Sloth Blaauboer. Over zijn grootmoeder schrijft Hugo Röling:

Jet Beijerman (wij noemden haar Moesje) had het niet zozeer hoog in de bol, maar was doordrongen van een onwrikbaar patricisch standsbewustzijn. Aan het leven “op stand” had zij meer dan een dagtaak. Het woord “burgerlijk” gebruikte ze als de definitieve diskwalificatie die je over iemand kon uitspreken. Van adel was ze zeker niet, maar de elite was nu eenmaal niet “bur”. Haar overgrootvader was hoogleraar geschiedenis, haar grootvader generaal en adjudant van prins Alexander. Hij publiceerde over een reis die hij met hem in de jaren 1880 gemaakt heeft en schreef onder de schuilnaam Glanor toneelstukken die het aardig deden. Haar vader gold als mislukt, hij was belastinginspecteur.

In de Nijmeegse lokale kranten is, via de gepubliceerde examenuitslagen, goed te volgen hoe de laatste drie kinderen, na het overlijden van hun vader, hun eindexamens halen. Op 24 juni 1939 meldt de ‘Provinciale Geldersche en Nijmeegsche Courant’ dat jongste dochter Catinka het eindexamen MMS heeft gehaald, tegelijk met negen andere meisjes onder wie – toevallig? – Gertrud (G.A.M.) Verscheure, oftewel Bomans’ latere echtgenote Pietsie.

In het najaar van 1939 besluit Henriette Sloth Blaauboer samen met deze jongste dochter – inderdaad – naar Italië te vertrekken. In Bomans’ herinneringen maken Wahrheit en Dichting nog weleens een rondedansje. Maar nu blijken de data heel aardig te kloppen. De ‘PGNC’ meldt op 25 november 1939, in de vaste rubriek ‘vertrokken’, het vertrek van ‘wed. Sloth Blaauboer-Beyerman en dochter, z.b., naar Sicilië (It.), Villa San Pancrazio’. Genoemde villa was een bepaald mondain pension in het stadje Taormina nabij de Etna, uitgebaat door een Nederlandse actrice (zo’n vijftien jaar later zouden koningin Juliana en prins Bernhard er nog verblijven).

Onduidelijk is of het, zoals Bomans zegt, oorspronkelijk inderdaad de bedoeling was dat mevrouw Sloth Blaauboer slechts voor drie maanden op Sicilië zou blijven. Vaststaat dat ze tijdens de oorlog niet meer terugkeert naar de Twaalf Apostelenweg. In de ‘Delftsche Studentenalmanak 1940’ wordt de Italiaanse villa ook vermeld als huisadres van zoon Lambert (‘Bert’), die in Delft in de voetsporen van zijn vader was getreden. Bert werd Engelandvaarder. Hij raakte betrokken bij het verzet en probeerde, getraind roeier, per kano de Noordzee over te steken, maar verdronk in september 1941.

Het Nijmeegs Adresboek vermeldt bij de Twaalf Apostelenweg 20 in het jaar 1940 intussen ‘onbewoond’.

Hugo Röling weet dat Henriette pas na de bevrijding terugkeert uit Italië om in Utrecht voor het gezin van haar oudste dochter te zorgen, die haar man volgde naar het tribunaal in Tokio. Uiteindelijk vestigt Henriëtte zich definitief in Italië. Ze overlijdt op 7 oktober 1979 in Rome.

Tijdens de oorlog was de Nijmeegse villa – die binnen de familie ‘De Bremhorst’ wordt genoemd, een naam die nergens anders opduikt – na de aanvankelijke leegstand verhuurd. Bert Röling nam in Nederland deze zaken waar.

Met de huurder tijdens de bezetting krijgt het verhaal nog een boeiende wending. Vanaf januari 1941 betrekt A.A.C. (Adolf) Bol de villa. Bol was een Nederlandse marineofficier die met verlof uit Nederlands-Indië verbleef in Nijmegen (zoals veel (militaire) Indiëgangers) toen de Duitse inval plaatsvond. Hij werd een vooraanstaand verzetsman, oprichter van het ‘Duikfonds’, bedoeld om onderduikers financieel te helpen. Begin januari 1945 kwam hij, in het al bevrijde Eindhoven, bij een ongeluk om het leven. ‘De Gelderlander’ van 4 januari 1945 memoreerde hem:

Nauwelijks een huis in Nijmegen heeft meer onderduikers zien komen, en gaan, dan het gastvrije huis aan den Twaalf Apostelenweg. Hier werd niet gevraagd: is er nog voldoende eten in huis, is er nog plaats, hier werd, in den letterlijken zin, het brood gebroken tot den laatsten beet. In dit huis liepen veel draden samen, zooveel draden, dat het den geheelen mensch eischte, om niet in het kluwen te verwarren.

Een huis met zo’n geschiedenis: je zou haast zeggen dat daar een boek in zit.

Ik realiseer me dat urgentie of relevantie voor wat dan ook van dit stuk ver te zoeken is (behalve misschien als noot bij een voetnoot bij een voetnoot voor Gé Vaartjes). Maar om mijn 90-jarige moeder te citeren: ‘ik vertel het nu eenmaal graag’.