‘Hedendaags taalgeschuif’

‘Hedendaags taalgeschuif’

 

Door Nico Keuning

Werd voetbaltrainer Ron Jans onlangs in Amerika ontslagen bij FC Cincinnati wegens het meezingen, in de kleedkamer, van het N-woord in een rap-nummer, in Nederland krijgt de roman Cliënt E. Busken van Jeroen Brouwers uitsluitend jubelende recensies ondanks woorden in het boek als ‘neger’, ‘allochtoon’, ‘joden’, ‘zwart’ en ‘blank’. Leve de literatuur!

‘Wij skoonmakken hier. En de bed opmakken mienier,’ citeert cliënt Busken, die in een ‘psychiatrische instelling’ verblijft, een Nederlandssprekende vrouw met hoofddoek. Busken vertelt de lezer in zijn monologue intérieur wat hij in het verzorgingshuis meemaakt, wat hij ziet en vooral wat hij daarvan vindt. In E. Busken schuilt het polemisch talent van Jeroen Brouwers. De schoonmaakster met hoofddook is ‘allochtoons’: ‘Nooit zwart zeggen, zegt Babet, want dat is kwetsend en racistisch. Je moet zeggen gekleurd. Neger zeggen is ook fout want dat betekent zwart en daar kunnen die mensen niks aan doen, dat zijn gewoon mensen als ik en jij en Herman en als bijvoorbeeld joden, die kunnen daar ook niks aan doen.’

Jezelf blank noemen is ook fout, ‘je moet zeggen wit’. Busken laat na ‘dit college in hedendaags taalgeschuif’ nog kort zijn licht schijnen over deze kwestie, waaruit hij de conclusie trekt dat hij het nonsens en onnodig vindt om woorden te vervangen door andere woorden ‘zonder dat aan de kernbegrippen iets verandert, zoals patiënt in cliënt, geïnterneerde in bewoner, sterven in heengaan’. Het leidt, zegt Busken, tot onhelderheid. En dat keurt hij als ‘heldere woordgebruiker’ af.

Brouwers is de meester van het synoniem in polemieken, het vervangen van woorden door andere woorden, maar daarbij gaat het om het spelen met de taal. Een spel dat niet onhelderheid leidt, maar deel uitmaakt van het genre, dat ondanks de ernst van de kritiek tevens komisch, satirisch is. Heeft iemand ooit studie gemaakt van de synoniemen in de polemieken van Brouwers? Daarover wellicht een andere keer.

Terug naar het taalgeschuif, dat een uitvloeisel is van de overgevoelige identiteitsmaatschappij waarin wij leven. Niet alleen in Nederland, zoals we zagen aan het ontslag van Ron Jans, ook in Nieuw-Zeeland worden inwoners op grond van hun leeftijd ingedeeld bij een groep en daarop veroordeeld. Zo reageerde een parlementslid in een discussie met een oudere collega denigrerend: ‘Ok boomer.’  Of, zoals Emma Brunt in HP/De Tijd van deze maand het voorval interpreteert: ‘Hou toch je kop ouwe lul, jouw soort heeft afgedaan.’

De schrijver Philip Huff profileert zich als ‘millennial’. Als je tot een (identiteits)groep behoort, moet je je kennelijk afzetten tegen een andere groep. Het lijk het geloof wel. Een vijandbeeld creëren om zelf beter te lijken. In literaire stromingen en bewegingen had het nog iets onschuldigs en leidde een reactie op een vorige generatie tot nieuwe poëzie of ander proza, maar maatschappelijk gezien is het creëren van een vijandbeeld een gevaarlijke tendens. Vooral als individuelen veroordeeld of ergens van – ja waarvan eigenlijk? – beschuldigd worden zonder zich te realiseren tot ‘de’ groep van bijvoorbeeld boomers of ‘boze witte mannen’ te behoren. Of is ‘witte mannen’ al fout?

Laatst liep ik over het Rokin in Amsterdam. Plotseling stond er een gekleurde man voor mijn neus. ‘You’re white!’ zei hij. Ja, dat is zo, dacht ik. Maar ik ben me er een leven lang nooit bewust van geweest. Zou het nu, vandaag, op deze willekeurige dag, tegen mij gebruikt worden? Ben ik nu de N van deze tijd? Is dit het einde? Eben Haëzer? ‘You’re lucky!’ lachte de man en hij stapte opzij. Lucky. Hij bedoelde: bevoorrecht. Verbaasd (niet ‘verward’ zeggen) liep ik richting de Dam.

De Dam, waar ooit de hippies aller landen samenstroomden om hun ‘samenlevingsideaal’ (Emma Brunt) te delen. De “protestgeneratie” van de jaren zestig’ die behalve Love & Peace (‘Give peace a chance’) één ding gemeen hadden: met ernst, ironie en absurdistische ‘aksies’ het gezag uitdagen als reactie op ‘de machtsverhoudingen en omgangsvormen van de benepen jaren vijftig’ (Brunt). Het lijkt erop dat die benepen jaren vijftig zijn teruggekeerd.

‘Millennials lezen niet meer,’ bijt Rudi Fuchs in hetzelfde nummer van HP/De Tijd van zich af. ‘Ze kijken alleen maar op Wikipedia, waar altijd fouten in staan.’
‘De cognitieve capaciteit van de babyboomers,’ zei Philip Huff in Buitenhof, ‘gaat achteruit. Oude stemmers zijn slechte, niet-rationele stemmers.’
‘Het is helemaal niet waar dat je cognitieve vermogens per definitie achteruitgaan,’ stelt Max Pam in gezelschap van Fuchs, ‘dat verschilt van individu tot individu.’

Maar het individu bestaat niet meer. Al blijf ik als witte boomer de illusie van mijn heroïesch-individualisme (Lodewijk van Deyssel) koesteren.