Gedicht: Gerard den Brabander • De steenen minnaar (VIII)

De steenen minnaar (VIII)

Dichters moeten de minnaars uit zich weren,
willen zij naakt gelijk de goden zijn.
Waaròm dan, hart, dit mateloos begeeren
naar alle naaktheid, geborneerd en klein,

en wààrom zijn onsterflijkheid bezeeren
aan deze beten van het bot venijn,
wanneer de liefde slechts dit klein krepeeren
de bestie is achter ’t bedgordijn?

Hijg dus, o hart, uw sterflijkheid te buiten,
gij, die uit de pijn de bovenaardsche koos,

eens zal uw mond zich als gesteente sluiten
in d’ eenzaamheid van wind en waterhoos,

maar, wie hem kust, zal er op leven stuiten:
diep in zijn barsten hurkt de wilde roos.

Gerard den Brabander (1900-1968)
uit: De steenen minnaar (1946)


Abonnees van Laurens Jz. Coster ontvangen iedere werkdag een gedicht per mail.