Ella en Elegast

Door Jona Lendering

Alle Karels de Grote zijn altijd weer mannen. Terwijl ridderverhalen voor iedereen leuk behoren te zijn, ook voor meisjes. Ik heb derhalve besloten de gender-bias in de middelnederlandse letteren ten behoeve van alle voorleesmoeders en -vaders te corrigeren.]

Er was eens, lang geleden, in de tijd van ridders en kastelen, een koningin en die heette Ella. Over haar weet ik nog een mooi verhaal, en het is nog echt gebeurd ook! Op een nacht lag koningin Ella in haar kasteel te slapen toen ze een stem hoorde die ze nog nooit eerder had gehoord. “Ella,” zei de stem, “Je moet gaan stelen!”

Ella schrok wakker en dacht “Dat kan niet, ik heb vast gedroomd.”

Ze draaide zich dus nog eens om, maar net toen ze in slaap viel, hoorde ze de stem opnieuw: “Ella, je moet gaan stelen!”

Nu was Ella klaarwakker. Ze dacht: “Dit kan ik niet echt horen. Een koningin heeft al alles. Die gaat toch niet stelen!”

Dus deed ze haar ogen weer dicht, maar toen ze bijna in slaap viel, hoorde ze de stem weer: “Ella, je moet gaan stelen!”

“Tja,” dacht Ella. “Misschien moet ik het dan toch maar doen. Als die stem het drie keer zegt…”

Ella stak een kaars aan en liep de trap af naar de grote zaal, waar overdag de ridders zaten. Nu stond er een ridder op wacht. “Goedenacht majesteit!”, zei die. “Kan ik u helpen?”

“Ja,” zei Ella, die niet wilde zeggen dat ze wilde gaan inbreken. “Ik kan niet slapen. Ik ga even een wandeling maken in het bos.”

“Misschien is dat gevaarlijk,” zei de wachter. “Zou u dat nou wel doen?”

“Weet je wat,” antwoordde Ella, “Ik trek een harnas aan en ga te paard! Dan lijk ik een ridder en dan doen rovers me geen kwaad.”

De wachter hielp Ella een mooi harnas aantrekken. Het was gemaakt van goud. Daarna zadelde de wachter een paard. En zo reed koningin Ella over de ophaalbrug het kasteel uit, klaar om te stelen. Ze kwam al snel aan bij een groot bos. Het was wel donker maar de maan scheen en Ella was niet bang. Ze dacht: “Waar zal ik eens gaan stelen? Ik kan toch moeilijk gaan inbreken bij arme mensen. Was er maar iemand om mee te overleggen.”

Ze reed verder en dacht: “Het liefst zou ik willen dat Elegast hier was. Daarmee kon je altijd lachen, hij wist ook overal de weg en hij zou nu hebben geweten waar ik kon gaan inbreken.”

Elegast, moet je weten, was een ridder in het kasteel geweest, maar toen hij een keer een nacht lang op wacht had moeten staan, was hij in slaap gevallen. Hij had nog uitgelegd dat hij eigenlijk ziek was, maar koningin Ella had hem weggestuurd. Nu dacht ze: “Had ik Elegast maar niet weggestuurd! Als hij hier was, dan konden we samen gaan stelen.”

Zo reed ze op haar paard door het bos toen ze in het maanlicht een ridder zag staan met een pikzwart harnas.

Deze versie van Karel ende Elegast stond eerder op het blog Mainzer Beobachter, hier is het vervolg.