Corona

Door Gert M. Knepper

Het coronavirus dankt zijn naam aan de krans (in het Latijn: corona) rond de virusdeeltjes. Die informatie heb ik van Wikipedia dus als het niet klopt verspreid ik hierbij fake news. Erg veel wijzer word je van die omschrijving trouwens ook niet, want waar is de krans dan van gemaakt? Maar dit wordt geen medisch of biologisch verhaal, want het gaat me nu alleen om dat Latijnse woordje corona. Dat betekende in de Oudheid inderdaad ‘krans’, de hoofdtooi die bijvoorbeeld priesters  bij het offeren droegen. Pas in het middeleeuws Latijn ging corona ‘kroon’ betekenen, en veel Europese talen hebben dat woord toen in die betekenis geleend.

Maar we kunnen ook een stap terug in de tijd zetten. Want waar hadden de Romeinen hun corona vandaan? Die hadden het uit het Grieks, waar korônê al een oeroud woord was. Een enkele keer komt het daar ook voor in de betekenis ‘krans’, en in die betekenis hebben de Romeinen het woord dus overgenomen.

Maar als een Griek korônê hoorde, dacht hij niet aan een krans, maar aan een… kraai. Een korônê is in de eerste plaats een kraai (of een raaf). Volgens mijn  Grieks-Engelse woordenboek trouwens ook een shearwater, wat ik – je blijft aan de gang – natuurlijk ook weer moest opzoeken. Dat dier blijken we dan in het Nederlands te kennen als de Noordse pijlstormvogel (Puffinus puffinus), maar die komt in Griekenland niet voor; ergens lijkt hier dus toch iets mis gegaan.

Laten we het dus maar houden op korônê in de betekenis van ’kraai’. Kraaien hebben een karakteristieke snavel, waarvan het bovenste deel bij de punt naar beneden buigt. Maar het is ook mogelijk dat het door zijn klauwen kwam, in elk geval werden van korônê allerlei woorden afgeleid die ‘krom’, ‘(om)gebogen’ of ‘rond’ betekenden. Homerus heeft het over ‘gebogen (korônis) schepen’, een stier had ‘kromme’ (korônios) hoorns, en een krans (in gewoon Grieks een stephanos) kon dus, poëtisch, met korônê worden aangeduid. In de zuidwest punt van de Griekse Peloponnesus lag de plaats Korône (tegenwoordig Koróni), waarschijnlijk genoemd naar korônê in de betekenis ‘heuvel’.

We kunnen nóg een stap terug. Want: waarom heet een korônê eigenlijk korônê? Die vraag brengt ons naar het Proto-Indo-Europees, de voorouder van alle Indo-Europese talen. He blijkt, dat in de meeste van die talen, inclusief het Nederlands, het woord voor ‘kraai’ begint met de klank k(.)r-. En wat voor geluid maakt de (bijvoorbeeld zwarte) kraai (Corvus corone)? Precies: kr(a). De Proto-Indo-Europese klank *kr- was dus een onomatopee.

En zo dankt het coronavirus zijn naam uiteindelijk aan kraaienzang.

Dit stuk verscheen eerder op de Mainzer Beobachter.