Welk kind zou voor zoo’n vader wel achting kunnen hebben?

De Multatulileescursus (71)

– Wat heb je daar?

– De bundel Ik heb niets tegen antisemieten, ik lééf ervan met stukken van Ischa Meijer (1943-1995). Deze week verschenen, omdat Ischa gisteren vijfentwintig jaar dood was. Geredigeerd door Ronit Palache.

– Oké. Maar we gingen vandaag toch de brieven uit de jaren 1882 en 1883 lezen in de Volledige Werken.

– Zeker, maar ik wilde nu eigenlijk even bij dit boek stilstaan.

– Ischa Meijer als de nazaat van Multatuli? Hij was net zo min een briljant stilist als Multatuli een antisemiet.

– Nou ja, over Multatuli en de joden valt ook nog wel wat te zeggen. Altijd vol bewondering en vooral vol trots op hoe hij goed hij altijd voor joden was, maar toch ook niet vrij van de 19e-eeuwse burgerlijke clichés over joden als sjacheraars.

– Nee, het gaat me om de lezing voor de jaarvergadering van het Multatuli Genootschap in 1993, waarvan een fors fragment is opgenomen in dit boek.

– Die lezing staat integraal op de DBNL.

– Dank je. “In deze voordracht”, schrijft Palache, “gaat hij in op de gecompliceerde verhouding tussen Eduard Douwes Dekker en zijn zoon Edu.”

– En wat heeft dat te maken met het jodendom?

– Meijer vergeleek die relatie met die met zijn eigen vader. En die relatie ging over het jodendom.

– Het stuk begint dan ook eigenlijk meteen met indirecte vadermoord:

Om te beginnen moet ik dan bekennen nooit ofte nimmer één regel van die geduchte Douwes Dekker tot mij te hebben genomen – zoals ook menige andere zogeheten Grote Schrijver tot op de dag van heden als het ware geheim voor mij gebleven is.

– Vadermoord?

– Ja, want vrijwel meteen daarna legt hij uit wat een enorme eerbied zijn vader had voor de ‘oeuvres’ van grote schrijvers, en deze verzamelde. “En zijn specialisme was: de negentiende eeuw.”

– Vol bewondering was pa Meijer voor Multatuli, en dus doet het Ischa genoegen ten overstaan van een zaal vol bewonderaars van de grote schrijver te verklaren dat hij de Max Havelaar ‘nimmer’ gelezen had, “trouw als ik bleef aan het verbod van mijn vader”.

– Tegelijkertijd blijft Meijer dus toch praten in de half-negentiende-eeuwse stijl die hem ook in geschrifte eigen was, met zijn ‘nooit ofte nimmer’ en ‘tot mij genomen’.

– Vervolgens noemt hij een belangrijke overeenkomst tussen zijn vader en Multatuli: allebei waren ze voortdurend vol zelfbeklag.

– Over Jaap Meijer weet ik niet veel te zeggen, maar voor Douwes Dekker gold dat zeker wel. Tjonge, zoals hij ook in dit deel weer tekeer ging!

Zo’n vader had ik ook. Zo een die veel geleden had, en zich daarop te pas en te onpas beriep: een klagende man (…)

– Waar Meijer die kennis over de persoon Douwes Dekker ineens vandaan had, weet ik niet, maar het werpt wel degelijk een nieuw licht op die man: van iemand die misschien ook getraumatiseerd was, al was het maar door de last die hij zichzelf steeds bezorgde. En die dat trauma afwentelde op de zoon.

– Na dit hele verhaal – en Meijer vertelt ook nog over die keer dat Multatuli zijn eigen zoon aangaf bij de politie omdat hij hem verdacht van moord – zou je verwachten dat hij nu eens partij zou trekken voor Edu, maar dan zegt hij over dat aangeven:

Is dat ziekelijk/ misschien wel maar het is, in mijn ogen tenminste, wel begrijpelijk.

Het is Multatuli duidelijk niet gegeven zijn zoon te zien als een volwaardig mens, met alle gebreken en kwaliteiten van dien. Hij beschouwt zijn kind veeleer als een ‘thema’, waarvan hij de schepper is. Hij is immers een kunstenaar, deze Douwes Dekker, en van dat onomstotelijke feit volledig doordrongen.

– Sorry, hoor, maar ik vind dit echt onzin. Dat gold misschien voor Jaap Meijer, dat die zich zo doordrongen voelde van het onomstotelijke feit dat hij een kunstenaar was, maar toch zeker niet voor Douwes Dekker? Die had er juist een hekel aan om een kunstenaar te zijn.

– Ja, in dat opzicht leek hij dus juist meer op Ischa Meijer dan op diens vader. Dat is het fraaie van deze lezing, dat Meijer zich in vader en zoon tegelijkertijd verplaatste. Dat kom je eigenlijk pas goed te zien doordat je nu weet dat het in een bundel is opgenomen over Ischa Meijer en het jodendom.

– Maar ik denk dat die analyse van Meijer misschien toch wel klopte. Douwes Dekker voelde zich misschien geen ‘kunstenaar’, maar wel een denker en een ziener, en hij kon een levend mens als zijn zoon kennelijk toch niet anders zien dan als zijn werk – dan als de gedachten en visies die hij aan die zoon wijdde. Hij, dé Nederlandse schrijver, van de menselijke blik, ‘de roeping van de mens is mens te zijn’, kon zijn eigen kind niet als mens zien. Edu was misschien wel de enige over wie hij regelmatig zei dat hij een monster was.

– En dat gold natuurlijk ook voor Ischa, die altijd op zoek was naar de mensch, maar zijn vader, ook in stukken in dit boek, neerzette als een neuroot en een gek.

– Maar dat dan weer niet in dit stuk, waar hij zijn vader via de omweg van die negentiende-eeuwse schrijver, toch probeert te naderen.

– En uiteindelijk zelfs een grote eruditie tentoon spreidt. Multatuli zelf heeft hij dan zogenaamd niet gelezen, maar wel allerlei boeken ơver Multatuli, zoals Multatuli en de zijnen van Julius Pée en De waarheid over Multatuli en zijn gezin door Annette Douwes Dekker, Edu’s weduwe, en Multatuli en de luizen van Du Perron.

– Waarbij hij die weduwe met het meeste genoegen citeert;

Is het wonder, dat de kinderen ‘Multatuli’ leugen noemden, en voor de vader geen achting hadden? Welk kind zou voor zoo’n vader wel achting kunnen hebben? Maar hoe goed hebben die kinderen zich hun hele leven gedragen, door nóóit te zeggen wie hun vader in werkelijkheid was.

– En zo goed heeft Meijer zich dus niet gedragen.

– Waarna hij een laatste tournure maakt en toegeeft dat hij uiteindelijk wel degelijk oeuvres tot zich heeft genomen, zich heeft gewaagd aan de verzamelde werken van grote schrijvers, al blijft een beetje in het midden of Multatuli daar ook ooit toe zou kunnen behoren.

– Wat zou de Nederlandse cultuur mooi zijn geweest als Ischa Meijer Multatuli had kunnen interviewen.

– En dan komt het slot van de lezing die op een aangrijpende manier over Eduard Douwes Dekker, Edu Douwes Dekker, Jaap Meijer én Ischa Meijer gaat:

Niet bij machte zichzelf op andere wijze uit te drukken dan in zijn geschriften, stond hij als het ware als een schildwacht voor een zelfgeschreven boekenkast. Een getormenteerd mens, die zijn zoon als het ware slechts toestond om alleen maar toe te kijken, zoals alle anderen in zijn directe omgeving nauw geduld werden: marionetten. Hij kon niet spreken over zijn leed – alleen ervan berichten.

Wat dat betreft levert de relatie Douwes Dekker versus zoon verhelderende beelden omtrent het schrijverschap van Multatuli. Het pseudoniem alias predicaat alias adagium Ik Heb Veel Gedragen werpt, in dit licht bezien, een schril maar verhelderend licht op het oeuvre van deze aanbeden schrijver.

Afbeelding: M. van Oostendorp