Voor de zoveelste keer

Door Marc Kregting

Op de belangrijke website One World verscheen een getuigenis van Sander Philipse. Hij deed uit de doeken hoe hij strijdt tegen racisme en seksisme – een tekst waarvoor ontzag gepast is. Alleen weet ik niet of het door mijn taalslemping komt dat tijdens het lezen Philipse per alinea lastiger te volgen werd. Ik bedoel daarmee dat ik hem geloof en zijn intenties, tegen elke vorm van uitsluiting, volledig bijval, maar steeds meer tegenspraak zag en begon te twijfelen aan wie ik zelf dan ongeveer ben.

Omdat ik terug hobby heb gekregen aan close reading, wil ik proberen om mijn ongemak boven tafel te krijgen. Ik stuit daarbij op het probleem dat door directe herlezing mijn bril beslaat. Het enige wat mij opvalt, is wat ik ter discussie stel. Er zit niets anders op dan simultaan ‘eigen vooronderstellingen te onderzoeken’.

Dat is meteen fair tegenover Philipse, omdat ongewis is op het conto van wie mijn eerste punt te schrijven valt. In de intro van 37 woorden wordt hij namelijk aan de lezer voorgesteld als ‘wit, man en hetero’. Voor mijn normen is dat buitenissig. Hoewel ik weet dat geen enkel woord neutraal is, klinkt deze drieslag me als een aangehouden verwijt. Ervaren de complementairen ‘zwart, vrouw en homo’ dat ook wanneer ze zo gepresenteerd zouden worden? Mij benieuwt veeleer hoe oud Philipse is, waar hij vandaan komt, wat hij nog meer heeft geschreven en wat hij zoal doet. Wellicht heb ik dus de fameuze blinde vlek voor het introtrio, dat te relateren is aan identiteitspolitiek.

Nu naar de eerste woorden die zeker van Philipse zelf zijn:

Ik ben een nogal witte heteroman. Opgegroeid in Brabant, in een wit, middenklasse-D66-gezin in een wit dorp. Mijn scholen waren ontzettend wit en werden gedomineerd door hetero’s die ook nog cisgender waren (met andere woorden: ze identificeerden zich met het geslacht dat op hun geboortekaartje stond). Ik kan me twee moslims op toch wel honderden leerlingen herinneren.

Bijna al mijn basale vragen worden hier bij benadering beantwoord, zij het vager dan met de niets aan de verbeelding overlatende drieslag van de intro. Philipse komt uit dezelfde provincie als ik en zal gelet op zijn moslimsignalement jonger zijn (het Bredase lyceum waar ik les kreeg was onbetwist katholiek). Toch gaat mijn eerste reactie niet over specificaties maar over ‘nogal’ in de openingszin. Gewoonlijk relativeert dat bijwoord, zoals in het Engels rather en quite, maar ik lees verabsolutering, zeker doordat twee zinnen later iets ‘ontzettend’ wit blijkt. 

Ik heb ook het gevoel dat ‘middenklasse-D66’ iets wil typeren dat niet anders dan stereotyperend uitpakt. Voor salonlinksigheid of iets. Misschien beweer ik dat zo stellig omdat de aanduiding ‘cisgender’ voor mij geen dagelijks brood is. Ze behoort tot een discours dat betrekkelijk recent in zwang kwam. Wanneer ik er les over geef, heb ik een spiekbriefje (‘transseksueel’, ‘transgender’, ‘binair’, ‘biseksueel’, ‘queer’,…) om geen betekenisfouten te begaan.

Bij de lezer die ik ben, bewerkstelligt Philipse iets vreemds. Ik voel me door hem geholpen doordat hij het moeilijke begrip ter plekke uitlegt. Maar op dat moment pieker ik eigenlijk nog na over wat net op werkwoordniveau is gebeurd. Er staat dat Philipses scholen ‘werden gedomineerd’ door mensen die voor de onderscheidingen in zijn begrip cruciaal zijn. Volgens mij bedoelt hij dat zij getalsmatig ver in de meerderheid waren, zeg 99,9%. Het voltooid deelwoord ‘gedomineerd’ suggereert echter dat ze, op een schaal van subtiel tot despotisch, elke ander aan hun macht onderwierpen.

Inzichtelijker wordt Philipse met zijn biecht als universiteitsstudent te hebben gemeend dat er in Nederland geen noemenswaardig racisme voorkwam en dat seksisme hooguit ‘onder conservatieve religieuzen’ bestond. Opnieuw een stereotiepe specificatie, vind ik, maar legitiem voor het standpunt dat hij wil huldigen. Identiteit staat daarin centraal, heeft hij sinds zijn studententijd ontdekt. Toch wil hij nog een misverstand benoemen dat teruggaat op klassiek, blijkbaar gedateerd socialisme à la Joop den Uyl: ‘dat politiek vooral over economie en klasse zou moeten gaan’. 

Maar Philipse is dan al overgesprongen naar het heden om hét onderwerp van zijn betoog voor te stellen. Hij kaart onrecht aan dat hij zelf niet ondervindt. Voor die toestand introduceerde Anousha Nzume in 2017 in ons taalgebied de term witte bondgenoot: ‘Een wit persoon die de eigen positie van macht en privilege inzet om ruimte bieden aan de behoeftes van mensen van kleur, ruimte deelt, bereid is macht op te geven en niet centraal hoeft te staan’. Ik zeg er maar bij dat die omschrijving voor mij eerder prescriptief dan descriptief is, maar Philipse ondergaat haar als een evidentie. In de rest van zijn tekst vertelt hij onomwonden hoe hij die ‘rol als bondgenoot invul[t]’.

Dovemansoren

Al aan het begin van het decennium, memoreert Philipse, leerde hij door Twitter teksten van zwarte en feministische denkers uit de Verenigde Staten kennen. Hij kwam op dat sociale medium vanwege zijn werk als sportjournalist; hem werd duidelijk dat hij niet had geluisterd naar geluiden buiten zijn ervaringswereld. Die auteurs ‘deelden ook theorieën rond racisme en seksisme die mij handvatten gaven’.

Ik beken het (anglicistische?) voorzetsel ‘rond’ niet meer goed te verdragen in deze toepassing. Ook de ‘handvatten’ heb ik te vaak in gros zien rondslingeren. Dat moet mij mede van het hart omdat Philipse uit die teksten prompt het predicaat misogynoir opdelft en mij daarmee raakt in een of andere achilleshiel. Niet omdat mij de betekenis zou ontgaan, ik het bestaan ervan in de wereld wil ontkennen of het onrecht weiger te verhelpen, maar omdat taal hier mensen uiteendrijft. 

Meermaals heb ik half ironisch geklaagd over het begrip ‘misogynie’, vooral wanneer het uit de pen was gevloeid van witte meneren wier intieme details Philipse relevant vindt. Het vervolg op hun diagnose bij anderen stemde me steevast naargeestig. Dan stelden ze schuldbewust hun ‘eigen mannelijkheid ter discussie, ook nog ‘kritisch’ zoals een bedrijf ‘duurzaam’ kan zijn en een organisatie ‘transparant’. Lolly’s voor die lui. 

Als begrip is ‘misogynie’ me veel te potsierlijk. Het boet aan effect in vergeleken bij ‘vrouwenhaat’, maar voor ‘misogynoir’ weet ik spijtig genoeg niet eens een synoniem. Dat betreur ik enorm. Ik ben er namelijk zeker van dat taal hier het – door anderen helaas aan den lijve ondervonden – probleem verergert. Philipse lijkt hooguit voor zichzelf zijn les te hebben geleerd: ‘Ik begon te zien dat ik vaak precies datgene deed waar de mensen waarvan ik nu veel leerde zich aan stoorden: door vrouwen heen praten, racisme niet serieus nemen of gesloten witte-mannen-kliekjes vormen.’

Het is verschrikkelijk om jij-bakken te plaatsen, maar taalkundig maakt hij juist van degenen die hem leiden dingen, door naar ‘mensen’ te verwijzen met ‘waarvan’ in plaats van ‘van wie’. Ware reïficatie dus. Ook gaat hij met reden tekeer tegen ‘gesloten kliekjes’, maar uitgerekend zo’n pleonasme zou inzicht kunnen geven in wat taal vermag. Zijn verhoopte antibastion bewerkstelligt door misogynoir een ander bastion, voor één soort sprekers dat bovenal potentiële sympathisanten niet toelaat. 

Ik zeg maar hardop me aan de zijde te scharen van hen die worden beschimpt als ‘politiek correct’ maar te begrijpen waar ergernis over hun taaluitstoot vandaan komt. Juist hier domineren immers woorden. Ik kan het anders niet verklaren waarom Philipse zijn – alweer relevante – kritiek op Zwarte Piet onttakelt door die figuur ‘dehumaniserend’ noemen. Dat Philipse niet ‘ontmenselijkend’ schrijft komt simpelweg omdat hier, bewust of onbewust, een Amerikaans jargon overgenomen wordt. En aldus tegenover verkeerde handelingen en meningen academisme wordt gezet. Philipse noemt in dat verband ‘wetenschappers als Philomena Essed en Gloria Wekker’. Maar hun status zou in zijn en mijn egalitaire denken toch juist onbelangrijk moeten zijn? Ook lijkt me dat het zwartepietendebat zo agressief verliep omdat het tussen witte dovemansoren ging. Ze hadden geen gemeenschappelijk idioom. 

Dan wordt Philipses ostentatief beschreven ontwikkeling ook dubbelzinnig. Zijn gelouterde inzichten blijken weinig enthousiasme hebben verwekt bij zijn vrienden. Die vonden het ‘voornamelijk gezeik’ en snapten niet wat het probleem is indien ze een vrouw ‘lekker’ noemen. Een heel ander register voor kringen die zo plat als een dubbeltje blijken, bij monde van iemand die taal nauwlettend zegt te volgen (om seksisme en racisme aan te wijzen). Iemand die ‘een bepaalde witte solidariteit’ daarom wel moet doorbreken.

Er waren in zijn kring vele afvallers en dat kan niet anders dan aan die mensen liggen. Welgeteld met één persoon, vertelt Philipse, kon hij nog discussiëren. 

Very likely

Sander Philipse rept over zijn eigen ‘radicaliseringsproces’ en door zijn introspectie zet hij rond dat beladen woord aanhalingstekens. In alle bescheidenheid noemt hij zich liever solidair uit het oogpunt van actie, dan bondgenoot vanuit een identiteit. Bovenal wil hij niemand belemmeren, en vindt het essentieel zichzelf weg te cijferen. In het bijbehorende Amerikaans vervult hij zo de functie van een helper whitey, volgens Philipse complimenteus bedoeld. Dit is wat hij concreet doet:

mijn privilege en kennis inzetten om te zorgen dat er naar andere mensen met een minder bevoorrechte positie wordt geluisterd. Ik probeer via Twitter, in artikelen en in het dagelijks leven concepten en termen toe te lichten en een antiracistisch verhaal te verdedigen. Om uit te leggen – voor de zoveelste keer – dat Gloria Wekker heus niet schrijft dat witte mensen een erfzonde hebben, of dat antiracisten echt niet vinden dat witte mensen minderwaardig zijn.

De ironie is dat Philipse zichzelf opnieuw verheven een ‘privilege’ toedicht, terwijl zijn doelpubliek het met ‘voorrecht’ moet stellen. Ik weet ook niet of Twitter voor een secure uitleg van Philipses ‘verhaal’ het ideale podium is, temeer daar hij al had gemeld dat hij zich ‘elke dag online uitspreekt’. Wel blijkt dat sociale medium hoofdzakelijk te worden bezet door hoogopgeleiden. Dat het de plek zou zijn van ‘het volk’ blijkt een mythe, omdat ‘de app wordt gedomineerd door apparatsjiks die werken voor partijen, politici, ceo’s, journalisten, opiniemakers en een klein groep buitenlandse trollen en boze twitteraars aan beide kanten van het politieke spectrum’ (om een wetenschapper te citeren)

Nog ingewikkelder wordt het tussen Philipses gedoceerde concepten ongetwijfeld door dekolonisatie te verhelpen ‘paternalisme’ zal schuilgaan. De vraag is hoe dat zelf te vermijden. Ik denk niet dat het helpt om jezelf ‘voor de zoveelste keer’ een nuance te horen belichten. Die onvermoeibaarheid kan opgevat worden als reactie op dom- en hardleersheid, bij andersdenkenden. Of zou Philipse zich nooit hebben afgevraagd waar de smadelijke metafoor ‘linkse kerk’ vandaan komt? Hij heeft zijn Saulus-Paulus-moment al gehad, blijkt uit zijn getuigenis.

Afgelopen weekend stond die kerk-metafoor in het hart van een interview met Kimberlé Crenshaw, kersvers eredoctor aan de KU Leuven. Zij muntte in 1989 het begrip intersectionaliteit , dat bij wijze van misogynoir plus discriminatie overtuigend bundelde met geslacht én kleur én seksuele voorkeur én leeftijd én lichamelijke gesteldheid én klasse. ‘Inclusiviteit’ avant la lettre. Dit was even slikken voor lelieblanke West-Europese feministen van de tweede golf. Heden wordt Crenshaw gevraagd naar haar oordeel over critici die intersectionaliteit niet vinden getuigen van theorie maar, dus, van een kerk. Ze kaatst de bal terug:

Onder een deel van de progressieve intellectuelen heerst het idee dat je het niet te serieus moet nemen. Dat is vaak omdat ze denken dat hun achterban er niet van wakker ligt. Ze zijn bijvoorbeeld holebi-activist, maar hebben geen lesbische of zwarte aanhangers.

Dit antwoord stelt me teleur. Het voert een intentieproces door kwade trouw te veronderstellen bij mensen die blijkbaar geen algemeen belang weten te dienen. Toch zouden ze volgens mij best met Crenshaw kunnen sympathiseren. Maar zij scheert hen over één kam. Uitgerekend om uitsluiting tegen te gaan en uitgerekend nu! Heet het dat in Nederland alles vijftig jaar later gebeurt, Crenshaws spitse intersectionaliteit had slechts een kwarteeuw nodig om de Atlantische Oceaan over te steken en gemeengoed te worden bij een niche van taalgebruikers. Alsof dat repertoire gisteren bedacht is en de Amerikaanse politierepressie, het ziekenfondsstelsel en werkloosheidsvoorziening identiek zijn aan die in West-Europa. 

Zelf ken ik aan Crenshaw meer autoriteit en nuance toe dan aan Philipse, en getuige zijn tekst zou hij daar vrede mee kunnen hebben. Ik zie tegelijk een overeenkomst tussen hen en andere zogeheten kennisactivisten: vanuit een inzichtelijk schema weten ze werkelijk alles te verklaren. Dat doen ze met benijdenswaardige kracht en geloof in eigen kunnen, én zonder enige twijfel. Maar misschien valt dit laatste me extra op omdat ik recent een enorme print uit 2017 heb gezien van Wolfgang Tillmans, getiteld How likely is it that only I am right in this matter. Mocht dit een vraag zijn, dan kan Philipse antwoorden: very likely.

Van freudiaanse vergissingen weet ik weinig en ik besef dat ik al op het spoor zat van reïficaties, maar Joost de Vries hoeft door Philipse werkelijk geen Joop genoemd te worden om met hem van mening te verschillen. De Vries representeert bij nader inzien echter toch geen gedateerd socialisme, als wel ‘de Nederlandse intellectuele wereld’ die ‘beledigd’ bleek door het concept helper whitey. Maar de Groene-journalist had vooral bedenkingen geformuleerd bij de suggestiviteit van dergelijke taal en bij de constructie die zo van een tegenpartij ontstaat. En hoewel ik politieke correctheid dus steun en geen hardliner wil zijn à la Robert Hughes die fulmineerde tegen onderdompeling in het wijwater van het eufemisme, knerpen mijn kiezen bij Philipses rechtschapen omschrijvingen van ’mensen van kleur’. 

In zijn conceptuele verontwaardiging negeert Philipse bovendien twee nevenfiguren die Nzume heeft opgevoerd: de witte uitlegger (die definieert ‘wat wel en niet racistisch is, wat mensen die racisme meemaken wel/niet dienen te voelen, en/of hoe de strijd tegen racisme wel/niet gevoerd moet worden’) en de witte verlosser (’die mensen in “ontwikkelingslanden” of “achterstandswijken” in de eigen stad wil “helpen” zonder zich enigszins bewust te zijn van het eigen witte privilege, van mondiale machtsstructuren, van zijn/haar bijdrage daaraan, of van de cultuur en (geo)politieke situatie van de “zielige” mensen die gered dienen te worden’). 

Volgens mij zijn dit karikaturen en ik zal wel kwaadaardig zijn, maar in deze twee determinaties lees ik niet zozeer waardering als wel sarcasme.

Ongehoorde perspectieven

Ik doe er nu wellicht verstandig aan om door autopsychologie een poging tot reflectie te doen. Mijn opvoeding richtte zich voor een aanzienlijk deel tegen onbeleefdheid. In dat pakket zat, zonder dat mijn ouders of ik het fenomeen narcisme kenden, ook de boodschap dat het niet betaamt uitgebreid over zichzelf te spreken. Het was verboden een tekst te beginnen met het woord ‘ik’. Of die zonder twijfel aan een middenklasse te liëren pedagogie is geslaagd betwijfel ik, maar het spiekbriefje met termen uit de gendersector verraadt onmiskenbaar dat ik bang ben om een groep personen onheus aan te duiden. 

Zouden studenten ook zo’n angst hebben wanneer ik met mijn rode potloodje hun zinnen aanval? Is een dt-fout te vergelijken met discriminatoir taalgebruik? Voor mij is die parallel merkwaardig, maar ik kan niet ontkennen dat mijn voor taal best ontvankelijke brein de genderterminologische verfijning niet slaagt in te prenten terwijl ik van sommige studenten bijna zeker weet dat ze te lui zijn om een dt-fout te vermijden. Iets in mij biedt weerstand.

Tegelijk waan ik me absoluut niet onschuldig en zit ik niet op mijn eigen praatjes te wachten. Ik snak naar debatten waar iets kennis te nemen valt en die óók belangrijk zijn voor iedereen, over thema’s als klimaatverandering. Wijst dat soms behoorlijk radeloze verlangen op een identiteitscrisis, zoals de witte, middleclass cisgender aan zijn rekker heeft hangen? Over diens angst heeft Kimberlé Crenshaw een schitterend citaat van een collega: ‘de crisis van de verminderde oververtegenwoordiging’. Op mijn lachspieren werkt verder dat Philipse zijn humane project ontplooit in tweedehandstaal op een site die ruimte wil bieden aan ‘ongehoorde perspectieven en stemmen’.

Philipses rechtschapenheid vind ik des triester omdat hij dan wel eens een nijdige tweet om zijn oren krijgt maar verklaart geen last te hebben van discriminatie of consequenties voor zijn goedbetaalde baan. Om ‘intellectuele en emotionele arbeid uit handen te nemen’ van zijn doelpubliek legt hij aan collega-witten uit dat ‘het n-woord’ ongepast is. Dan blijkt dat hij inmiddels vrienden heeft die het nooit met hem eens zijn maar wel zijn argumenten gebruiken in discussies. Wat dan indien Philipse voor ‘het n-woord’ eens een nieuwe, minder stigmatiserende term verzint die intersubjectief kan zijn? Ooit veranderde aan de ziekte de aanduiding K immers om precies te zijn niets.

Philipse ziet wel degelijk risico’s voor zijn zendingsarbeid. Daarom verwijst hij veel naar teksten van gemarginaliseerden zelf en tracht zijn leven te beteren wanneer zij hem wijzen op kronkels: ‘Kritiek is niet fijn, je moet over je ego heenstappen, maar uiteindelijk dwingt het me na te denken, iets te leren, en mezelf mogelijk te corrigeren.’ Zou deze soepele shift van ‘je’ naar ‘ik’ voor mijn stramme denken te virtuoos zijn, voor Philipse openbaart zich in zo’n standpuntherziening een voordeel – ze is een teken van respect en erkenning voor hem, in plaats van een ‘kritiekloze dankbaarheid’ die een koloniaal-paternalistische achtergrond zal hebben.

Voortgaand op dit spoor staat Philipse het zichzelf niet toe ‘in alle rust’ te genieten van zijn privilege. Gelukkig leert hij door zijn tijd te besteden aan het bestrijden van onderdrukking iets interessants en krijgt hij evengoed beperkingen opgelegd:

Zo wordt er van mij verwacht dat ik hetero ben, dat ik het oké vind om over vrouwen als lustobjecten te praten en dat ik antiracisme gezeik vind. Het wit-gedomineerde, imperialistische, kapitalistische patriarchaat schrijft iederéén voor hoe zich te gedragen, om te spreken met de feministische hoogleraar bell hooks (expres zonder hoofdletters omdat ze niet zichzelf maar haar boodschap wil benadrukken).

Weer die registerrelaps in ‘oké’ en ‘gezeik’. Ik weet niet door wie Philipse wordt omringd, maar ze lijken eerder gefixeerde dan prettige mensen. Wel lijkt het me fijn voor hem dat hij zijn getuigenis kan afsluiten met voorbeelden van waardering die hij gekregen heeft, onder anderen van Anousha Nzume, maar waar hij het natuurlijk niet voor doet. Zijn activisme draait niet om hem, eindigt hij, zich andermaal pontificaal wegcijferend. Ondertussen waag ik me af te vragen hoe serieus ‘mensen van kleur’ hier eigenlijk nog worden genomen als individu. 

Het lijkt me minstens zaak te onderkennen dat niemand erom vraagt geboren te worden, laat staan dat een geslacht, huidkleur en seksuele voorkeur is voor te programmeren. We zijn, gossie wat een innovatieve creativiteit, allemaal gelijk. Het is al erg genoeg dat niet iedereen dat erkent. Maar dat betekent volgens mij evenzeer dat het heilloos is douanier te spelen die op deze eigenschappen binnenlaat, al dan niet tegen een zekere tol. 

Onverzettelijkheid voor het goede, onverdraagzaamheid tegenover het kwade – ze kunnen op een gegeven punt in hun tegendeel verkeren. Wat dan? Crenshaw sloot, in het jaar dat de Muur viel, haar introductie op intersectionaliteit zo af: ‘We may develop language which is critical of the dominant view and which provide some basis for unifying activity.’

Foto: Kimberlé Crenshaw, april 2019. Mohamed Badarne, Wikimedia.