Taal die ertoe doet

Door Siemon Reker

De vice-premier kreeg vrijdag (21.02.2020) aan het begin van de wekelijkse persconferentie van de minister-president vragen over de aanslag in de stad Hanau. Daar vermoordde iemand in de afgelopen week tien mensen op basis van racistische motieven. Het onderwerp kwam dinsdag natuurlijk niet aan de orde bij het debat ter voorbereiding op de Europese Top (die ging over de meerjarenbegroting van het VK-loze EU en die mislukte, verderop deze week): de aanslag gebeurde woensdag. Maar er is een lijn.

Premier Rutte begon zijn bijdrage dinsdag als volgt, naar het ongecorrigeerde verslag: “Niet zo heel veel vragen, wel veel onderling debat. Ik ga een poging doen om de gestelde vragen te beantwoorden.” Aan het onderlinge debat tussen de Kamerleden ging hij dus uitdrukkelijk voorbij, Hugo de Jonge reageerde daar wél op op vragen van journalisten.

Zou Rutte dat in zijn plaats ook gedaan hebben daar aan de Lange Poten? Zou De Jonge geweten hebben dat Hanau de geboorteplaats is van de Grimm-broers, die zoveel sprookjes hebben verzameld en meer nog hebben gedaan voor het Duits als taal?

Hoe dan ook, het antwoord van De Jonge was een- en andermaal: “Taal doet ertoe” maar tegelijkertijd, zei hij, is er geen causaal verband te leggen tussen taal van iemand en een racistische daad van een ander.

De vermoedelijke dader Tobias R. (staat te lezen in de Süddeutsche Zeitung van 23.02.2020) heeft teksten nagelaten waarin hij frustratie uit over het niet kunnen vinden van een hoogwaardige vrouwelijke partner, het was hem onmogelijk gemaakt door een Geheimorganisation. In dat stuk van Meredith Haaf is sprake van “biopolitische Obsession” bij mensen als Tobias R.

Waar sloeg dat “veel debat” op waar de premier van sprak bij het begin van zijn beantwoording en waar hij aan voorbijging? Daar ligt de relatie met Hanau. Lodewijk Asscher (PvdA) had op uitlatingen in het Europa-debat door FVD-leider Thierry Baudet gereageerd: “Ik kom naar voren omdat de heer Baudet in zijn opsomming van grieven eigenlijk zegt dat er een complot bezig is om immigranten hiernaartoe te halen om onze identiteit te verzwakken. Als je zoiets stelt, moet je dat bewijzen, vind ik. Mijn vraag is of de heer Baudet zich ervan bewust is — ik vermoed van wel, maar dan zou het wel zo eerlijk zijn als hij getuigt van eerlijkheid, waar hij voor pleit — dat hij hiermee een extreemrechtse of radicaal-rechtse theorie aan het verspreiden, aan het witwassen is in deze vergaderzaal. Dat mag hij doen. Ik zal zijn recht verdedigen om dat soort standpunten hier, in een democratie, te huldigen. Maar ook dan zou het passen als hij het niet in een soort feitelijkheid zou omkleden, maar als hij aangeeft: dit is een complottheorie waar ik, Thierry Baudet, in geloof en waar ik jullie bang voor wil maken.”

Het duidelijkst werd Asscher bijgevallen door Pieter Omtzigt (CDA) en daarna Rob Jetten (D66). Vice-premier De Jonge viel vrijdag op zijn beurt desgevraagd hen én zijn collega Koolmees bij: “Wat collega Koolmees meen ik heeft gezegd is dat taal ertoe doet. En dat iedereen een verantwoordelijkheid heeft om zijn woorden zorgvuldig te kiezen. Wetend wat daarvan de gevolgen kunnen zijn. De gevolgen in termen van polarisatie, de gevolgen kunnen zijn in termen van mensen die zich uitgesloten kunnen voelen door taalgebruik, ook van politici. Wat ik zei, is dat taal het vermogen heeft om samenwerking mogelijk te maken of juist samenwerking in de weg te staan. Verschillen te overbruggen of juist verschillen uit te vergroten. En natuurlijk is het aan politici om daarom hun woorden zorgvuldig te verkiezen.”

Asscher sloot volgens het ongecorrigeerde Verslag af: “Tot slot moet mij van het hart dat het verspreiden van extreme, radicaal-rechtste samenzweringstheorieën over omvolking en het verdunnen van de Europese identiteit enorm afbreuk doet aan het feit dat wij hier een serieus debat voeren (…)”. (Let op de verschrijving in de woordgroep radicaal-rechtste samenzweringstheorieën.)
Vice-premier De Jonge was het vrijdag met hem eens: “Ik vind het een idiote theorie en ik vind het heel goed daarom dat Asscher en ook Omtzigt dat dan ook niet schouderophalend hebben laten passeren, maar daar collega Baudet ook op hebben aangesproken.”

Verrassend was de overgang die Wouter de Winther (De Telegraaf) vervolgens koos bij dezelfde wekelijkse persconferentie door te verwijzen naar voorstellen van Tjeerd de Groot (D66), alweer een poosje geleden: “Er zijn veel boerengezinnen die zich toch de stuipen op het lijf hebben weten te jagen omdat een regeringspartij aankondigt dat de veestapel zou worden gehalveerd en die mensen vrezen voor hun bestaansrecht. Hoort dat dan niet ook in die categorie dat misschien die volksvertegenwoordigers wat voorzichtig met hun woorden moeten omspringen?”

Gíng het eigenlijk wel over taal in dat debat in de Kamer en bij de vragen in Nieuwspoort of misschien meer over opvattingen die geventileerd waren?

Taal die ertoe doet zou in het bedoelde debat het volgende zijn (het ging hier al eens eerder over). Gasten in vak K worden volgens de regels van het Hoge Huis van de Tweede Kamer in hun functie in de plenaire zaal aangesproken en niet bij naam. Baudet sprak desondanks eenmaal van “Rutte” en eenmaal van “de heer Rutte” – de voorzitster greep niet in. Dat deed ze wel toen Anne Mulder (VVD) naar de microfoon kwam:

De voorzitter:
Dit is genoeg gewisseld.

De heer Anne Mulder (VVD):
Mevrouw Arib, eindelijk heeft …

De voorzitter:
Mevrouw Arib? Ik ben de voorzitter.

Dat is taal – en die deed ertoe, moeten we aannemen.

Dit stuk verscheen eerder op het eigen blog van Siemon Reker.
Foto: Beeld van gebroeders Grimm te Hanau,
Said Bustany, Wikimedia