Poldernederlands Op1

door Jan Stroop

De opzet van de nieuwe talkshow op de NPO1, die Op1 heet, herinnert me aan die van ’t legendarische ‘Het Blauwe Licht’,  ’t discussieprogramma van Stephan Sanders en wijlen Anil Ramdas. Voor dat Blauwe Licht werden wekelijks twee personen uitgenodigd, steeds een man en een vrouw. De discussies gingen over serieuze tv-programma’s van de week ervoor.

’t Was in de tijd dat  ik ’t Poldernederlands had opgemerkt en in enkele artikelen mijn observaties had beschreven. Van foneticus Vincent van Heuven hoorde ik, tot mijn genoegen, dat ie er wel onderzoek naar wilde doen en ik kon hem toen mijn opnames van Het Blauwe Licht aanbieden. De sprekers in dat programma waren intellectuelen, kunstenaars en presentatoren. Van Heuven noemde ze vertegenwoordigers van de ‘avant-garde’. De uitkomsten van zijn onderzoek heeft ie gepubliceerd. Ze zijn ook te vinden op de website Poldernederlands.

Met de uitkomsten van dat onderzoek was ik behoorlijk ingenomen. Van Heuven schrijft: “This conclusion supports Stroop’s (1998) observation that the avant-garde variety of standard Dutch was initiated by women in precisely the socio-economic group that we targeted in this study.”

Of vrouwen in de categorie ‘avant-garde’ ruim 20 jaar later nog steeds meer verlagen dan mannen wilde ik wel eens we nagaan bij de presentatoren van Op1. De presentatie van Op1 is in handen van telkens twee personen, een man en een vrouw:

maandag: Erik Dijkstra en Willemijn Veenhoven (BNNVARA)
dinsdag: Giovanca Ostiana en Tijs van den Brink (EO)
woensdag: Charles Groenhuijsen en Carrie ten Napel (Omroep MAX)
donderdag: Sander Schimmelpenninck en Welmoed Sijtsma (WNL)          
vrijdag: Sophie Hilbrand en Hugo Logtenberg (BNNVARA)

Ik hoorde bij ‘t  luisteren naar verschillende afleveringen van Op1 trouwens meteen al dat de presentatoren de  drie tweeklanken [ei], [ui] en [ou] verlaagd aanzetten en dat die aanzet telkens ongeveer klinkt als aa. Ze spreken dus Poldernederlands, vond ik.

Nu zijn we bij ’t beluisteren van spraak geneigd te horen wat we verwachten te horen. Om dat effect te neutraliseren kwam ik (jaren geleden) op ’t idee om zo’n tweeklank eens om te keren. Als je dat doet hoor je eerst ’t tweede deel en vervolgens ’t eerste, was mijn redenering. Ik noemde dat de ‘lakmoesproef’.    

Je kunt ’t ook zien aan de twee spectrogrammen.                        

Links: aai (van Carrie ten Napel in ‘Nijmeijer’)                                                                  Rechts, de omkering: jaa

5000 Hz

 

 

 

1920 Hz

 

0 Hz

 

De onderste twee zwarte banen (met rode stippen gemarkeerd) zijn de formanten (de resonantiepieken) van de tweeklank, die ’t karakter van de tweeklank bepalen. In ’t eerste deel lopen ze min of meer parallel. Dat is de monoftong ( eenklank) [aa]. Daarna gaat formant 1, de onderste, naar een lagere waarde, formant 2 wordt juist hoger: dat zijn de eigenschappen van de [i]. Bij de omkering zien we natuurlijk precies ’t omgekeerde.

De diftong ei bestaat dus, zou je kunnen zeggen, uit twee delen, wat door de spelling aardig geïllustreerd wordt: e + i, fonetisch genoteerd: [ɛ+i]. Als de diftong verlaagd wordt uitgesproken, met een wijdere mondstand, klinkt ie meer of minder als aa + i, dus [a+i]. De spectrogrammen hierboven laten de  akoestische gevolgen ervan zien. Deze aai is ’t opvallendste kenmerk van ’t Poldernederlands.

Als je de diftong omkeert, zul je bij een ABN-diftong jèè [jɛ] horen, bij een verlaagde diftong hoor je: jaa [ja] of iets in de buurt daarvan. Of deze lakmoesproef fonetisch verantwoord of valide is, weet ik niet, maar hij laat wel horen of een diftong begint met [ɛ] dan wel  [a]. De proef heb ik uitgevoerd met ’t fonetisch analyseprogramma PRAAT, dat gemaakt is door Paul Boersma en David Weenink, van het Instituut voor Fonetische Wetenschappen van de Universiteit van Amsterdam.

Ik heb me bij de lakmoesproef net als Van Heuven beperkt tot de uitspraak van de [ei]. Dus heb ik van alle presentatoren van Op1 opnames gemaakt vanaf deze website: Op1,
en daar telkens een diftong ei uit geselecteerd en die vervolgens met PRAAT omgekeerd: commando Reverse selection.

Hier volgen de presentatoren met hun omgekeerde ei. Daaronder meld ik mijn bevindingen, die de lezer kan vergelijken met wat ie zelf gehoord heeft, jaa of jèè.

Erik Dijkstra (1977) (‘zijn’) :

Willemijn Veenhoven (1974) (‘vijf’):

Giovanca Ostiana (1977) (‘Constantijn‘)  :

Tijs van den Brink (1970) (‘arbeidsongeschiktheid‘) :

Charles Groenhuijsen (1954) (‘bevrijding’) 

Carrie ten Napel (1980) (‘Nijmeijer’)

Sander Schimmelpenninck (1984) (‘altijd’)

Welmoed Sijtsma (1980) (‘zijn’)

Sophie Hilbrand (1975)  (‘hij‘)

Hugo Logtenberg (1974) (‘bij‘) 

 

Nu ben ik bekend met de zegswijze ‘één ei is geen ei’, maar die is hier niet van toepassing. Die ene gesproken ei die ik van de sprekers geselecteerd heb, staat voor alle realiseringen ervan: zo één zo alle.  Daarbij moet ik ook nog ’t volgende opmerken.

De oorzaak van ’t ontstaan van ’t Poldernederlands was niet dat men zich ging richten op een nieuwe uitspraaknorm, aai en aau, maar dat de ABN-norm, ei, ui en ou, losgelaten werd. Vandaar dat er variatie zit in de verlaagde uitspraak van de tweeklanken. Dat loslaten van in ’t bijzonder de ei-norm hangt zeker samen met de  aard van de tweeklank. Hij vereist een zorgvuldige nauwkeurige articulatie en die brengt niet iedereen meer op. Vooral de ei is een  moeilijke tweeklank. Vraag dat maar aan een Nederlandssprekende Amerikaan of Duitser.  Meestal hoef je ’t niet eens te vragen.  

De uitkomst van mijn geluister en de lakmoesproef is deze: alle vrouwen en drie van de vijf mannen spreken een verlaagde ei (in omkering jaa). Twee personen (mannen)  doen ’t niet. Die heb ik gemerkt met een sterretje.

*Erik Dijkstra
Willemijn Veenhoven
Giovanca Ostiana
Tijs van den Brink
*Charles Groenhuijsen
Carrie ten Napel
Sander Schimmelpenninck
Welmoed Sijtsma
Sophie Hilbrand
Hugo Logtenberg

Ik leid uit deze uitkomsten af dat ’t Poldernederlands stilzwijgend geaccepteerd is en dat mannen uit dit ‘avant-garde’-milieu ‘t  nu evenzeer spreken als vrouwen. Dat is een verandering ten opzichte van de situatie die Van Heuven onderzocht heeft. Het grote verschil tussen de spraak van mannen en vrouwen dat Van Heuven in 1998 constateerde lijkt anno nu vrijwel verdwenen. 

Als je gericht luistert naar wat radio en tv op allerlei terreinen en in allerlei domeinen aan spraak laten horen,  dan kun je constateren dan dat ’t Poldernederlands inmiddels algemeen gebruikt wordt en niet alleen door avant-garde-sprekers.
Op mijn website zijn een groot aantal opnames van Poldernederlandssprekende  vrouwen en mannen te beluisteren, bekende en minder bekende. 

Nu komt bij mij ook de herinnering boven aan dit citaat van H. Brandt Corstius:
‘Er wordt veel gesmaald over Poldernederlands, maar ik zie niet hoe het tegengehouden kan worden.’  (NRC-Handelsblad 22 oktober 2004).
Hij lijkt gelijk te krijgen.