Ik houd van zulke opmerkingen, als bydragen tot kleine-menschen studie

De Multatulileescursus (72)

Door Marc van Oostendorp

– Als je één conclusie kunt trekken uit het 22e deel van de Volledige Werken: voor iemand die voortdurend klaagde dat hij niet kon schrijven, kon Multatuli behoorlijk goed schrijven.

– Volgens editeur Van den Bergh zou er zelfs ‘bijna een achtste bundel Ideeën te putten zijn uit de mooiste brieven van dit jaar’.

– Dat lijkt me een beetje overdreven, in ieder geval kwantitatief. Er staan hier prachtige brieven in, maar daarmee krijg je geen bundel gevuld.

– Er zijn natuurlijk heel veel brieven verloren gegaan, en hij meldt ook zelf een paar keer dat hij eerdere lange brieven heeft vernietigd.

– Voor mij zou een fragmentje als het volgende, over Wouter…

– …heeft iemand al eens opgemerkt dat Multatuli nooit meer aan zijn Wouter-verhaal heeft voorgeschreven sinds hij zelf een jongetje met die naam in zijn huishouden had rondlopen?…

– … over Wouter die naar een ‘Duitse kermis’ ging, een hele bundel geleuter over roulette, het feilen van Bilderdijk of de moderne theologie waard zijn:

Hy heeft het geraamte van ’n walvisch gezien, en ’n zoeloe of twee, sakkerloot! ‘Diese Leute haben gar keine Religion!’ verzekerde de explicateur. (Hèm keek de Religion de oogen uit, en ook Publiek was er vol van, dat spreekt.) De entree was 10 pf. Ik dacht er aan, me voor 9 te laten kyken. Maar ik wou dien bruinen stakkerts geen afbreuk doen. De walvischman had de Religion gehad z’n skelet hier en daar met wat traan te begieten. Z’n tent rook naar Nova Zembla. Al die religionsmenschen foppen elkaar zoo hard ze maar kunnen. Dat men kwakzalvert kan ik begrypen. Maar dat twee of meer kwakzalvers er in slagen elkander vice-versa te bedriegen, komt me vreemd voor. Nog altyd lachen de auguren niet als ze elkaar aankyken.

– Ja, hij had dáár een boek over moeten schrijven, over de echte Wouter, zijn pleegkind. En over andere kinderen die bij hem en zijn vrouw op bezoek kwamen om met Wouter te spelen. In een brief aan de ouders van ‘Lientje’:

Mies komt me daar vertellen dat Lientje inplaats van haar brief naar huis te schryven… met Wouter aan ’t knikkeren is gegaan. We hebben er zeer om gelachen, en vinden ’t goed. Dit zal zeker in uw geest zyn. ’t Is echt kinderlyk. Dit is ze trouwens over ’t geheel, zelfs waar ze wyzigheidjes verkoopt. Op haar reisje gister maakte zy de opmerking dat… ‘Mainz ’n veel flinker vesting was dan Keulen.’ Sakkerloot! Pends-toi, Vauban!

Zeg, ignoreer als ze thuiskomt, die dingen. Anders drukt het haar later dat men zoo acht op haar slaat. Ik houd van zulke opmerkingen, als bydragen tot kleine-menschen studie.’

– Vooral dat laatstse is mooi, dat hij zich kon voorstellen hoe vervelend het voor een meisje kan zijn als er opmerkingen over haar worden gemaakt, hoe vertederd en accuraat die ook zijn.

– Ook mooi: als hij een enkele keer weet te breken door de sleur van geklaag over hoe onnozel de meeste literatuur is, en hoeveel onnozeler nog het Publiek en te schrijven over wat hij wél mooi vindt:

Ik houd van mémoire-litteratuur, en daarin juist niet van ’t nieuwste. Dingen van dien aard uit de 17′ of 18′ eeuw, of ook uit het begin van 1800 zyn my ’t liefste. (Mad. Rémusat heb ik.) Over t geheel houd ik van iets ouds, niet bepaald: antiek, maar uit de paar eeuwen die m’n geboorte voorafgingen. Mocht u nu iets van dien aard onder de oogen komen – liefst wat ’n ander niet meer leest, en dus laag van prys – neem me dan s.v.p. daarvan iets meê. Maar asjeblieft niet te veel en niets kostbaars. Dit zeg ik niet uit bescheidenheid, maar indedaad omdat ik niet houd van beroemdhedens.

– Met andere woorden: als Douwes Dekker nu zou leven, zou hij smullen van de Volledige Werken van Multatuli,

– En hij zou hebben gewild dat Multatuli nog een boek had geschreven over de échte Wouter.

Voor kinderen is de ruimte hier heerlyk. Zou dàt ook de oorzaak wezen van dat gebrek aan spelen? Ze doen eigenlyk nooit iets anders dan heen-en-weer loopen. Nu, als Lina met ’n paar uwer spruiten hier komt, zal ik er eens op letten of de stadskinderen Wouter aan den gang kunnen brengen. My is ’t niet gelukt. Als ik ’n vlieger oplaat moet ik hem er by roepen, en zoodra mogelyk zoekt hy ’n pretext om wegteloopen. Ook heeft hy geen aandrift om iets te maken, iets te plakken, te kleuren, te knippen, te vouwen. En dit is evenzeer t geval by de mannetjes die hem bezoeken.

– Dit is overigens een van de weinige plaatsen dat hij kritisch is op zijn pleegkind. Verder is het een en al vertedering, temidden van soms mooie pedagogische ideeën:

Zeg eens, gy die nu al zoo vèr zyt met de opvoeding uwer kinderen, gelooft gy dat men ’t stellen kan zonder straffen? En, zoo neen, wèlke straffen gebruikt gy? Lang geleden heeft W. wel eens (niet dikwyls) op z’n billen gehad, maar dit doen we niet meer omdat we ’t met vermaningen trachten aftedoen, meer of min forsch naar den eisch der zaak. Welnu, ook dat vermanen bevalt me niet. Men zou dat met ’n mooien klank kunnen ophemelen als: ‘werken op z’n gevoel’ als ‘rationeel beroep op z’n intelligentie’ (die volstrekt niet achterlyk is!) Maar zie by al dat vermaan voel ik dat ik hem verveel, en dat de hoofdindruk niet is het behandeld onderwerp, maar: ‘wat is die papa knorrig!’ Dit nu is wel niet waar, maar zoo’n kind dringt het zich op en dan is natuurlyk alle invloed van m’n gepreek naar den duivel.

– Ondertussen ontwikkelde hij niet alleen een afkeer van het schrijven, maar ook van het lezen. Hij verzoekt een vriend hem de NRC niet meer toe te sturen:

Een der hoofdredenen van myn schryven is U te verzoeken, onder zeer hartelyken dank voor ’t genotene, my niet verder de Rott. Couranten te zenden! Op de twee laatste pakjes na heb ik ze altyd gelezen – o van begin tot eind, want de advertentien dienden my niet minder dan de hoofdartikels tot staalkaarten van Mr Publiek – maar, maar… ik geloof dat het niet goed voor me is! Al dat nieuws, die nieuwtjes, al die wysheid der hoofdartikelen, al ’t gepolemizeer in ‘ingezonden stukken’ kyk, ’t maakt ‘nmensch z’n hoofd tot ’n mallemolen. En, behalve dag- en weeknieuws lees ik toch al veel, misschien te veel. Lezen maakt lui. Men raakt allengs gewoon z’n gedachten aan den leiband te laten loopen.

– Maar ja, dit laat toch eerder zien dat hij leesverslaafd was, dat hij ervan af wilde. Het zijn het soort klachten dat de moderne mediaverslaafde mens heeft over de sociale media.

– ‘Lezen maakt lui’! Dat we dat pas na 71 weken vlijtig lezen te horen krijgen.

– En volgende week weer verder! Deel 23!

Afbeelding: Robert Kruzdlo