Gedicht: Jan Prins • Zooals gij in de schaduw zat

Zooals gij in de schaduw zat

Zooals gij in de schaduw zat
en al den glans in de armen hadt,
die fijngesponnen, wonderbaar
geweven lag in ’t hangend haar
van uwe zuster, – want gij zijt
mij zusters in lieftalligheid, –
en gij die ongevlochten pracht,
die als een bruidskleed van den nacht
haar lichtgebogen hoofd omsloot, –
uw handen hoog, uw schouders bloot, –
in smijdige gedeelten spleet
en spreien en zich vleien deedt
in rondgewrongen tressen, als
een tros van donkerte in den hals
gedrukt, en aan de slapen glad; –

zooals gij in de schaduw zat,
gewiegeld in het weeke licht,
dat neerzonk om uw zacht gezicht,
de gladde sarong om het slank
en golvig lichaam en uw rank
gebaar daarboven, – en in ’t rond
het zonlicht, plassende op den grond,
onder het afdak een gebied
van koelte om uw gestalten liet,
waarin gij beiden zoo bedaard,
zoo vorstelijk gezeten waart
als in een tempelnis, zoo schoon
als koningsdochters op een troon,
gij beiden, op uw strooien mat;

zooals gij in de schaduw zat
en al dien glans in de armen hadt,
mijn kind, heb ik u lief gehad. –

Jan Prins (1876-1948)
uit: Tochten (1911)


Abonnees van Laurens Jz. Coster ontvangen iedere werkdag een gedicht per mail.